De opdracht aan het Verwey-Jonker Instituut

Op bestelling

Het Verwey-Jonker Instituut ligt plotseling in de vuurlinie van de publieke loopgravenoorlog over het Nederlandse integratiebeleid. Directeur Boutellier: «We hebben ons keurig aan de opdracht gehouden.»

Onder het klokkengebeier van de Domtoren spoeden studenten zich richting de collegezalen in de monumentale panden aan de Kromme Nieuwe gracht in Utrecht. Ook in het Verwey-Jonker Instituut, gevestigd in een van deze gebouwen, breekt een dag van studie aan. De kersverse directeur Hans Boutellier klapt de luiken van zijn werkkamer open om de najaarszon binnen te laten, bekijkt de post en zucht: «Dat ontbrak er nog aan, met de nieuwe regering verliezen we weer een deel van onze overheidssubsidie.»

Over de viering van het tienjarig bestaan van het Verwey-Jonker Instituut is dezer dagen een schaduw gevallen. Nog voordat de eerste verhoren van de parlementaire onderzoekscommissie vorige week begonnen, kwam het onderzoeksinstituut opeens in de vuurlinie te liggen. Want, zo luidde de kritiek, waarom moest uitgerekend dit instituut een bronnenstudie doen die de basis vormt van de verhoren van de onderzoekscommissie, terwijl de medewerkers zelf deel uitmaken van het integratiebeleid?

In kranten verschenen felle opiniestukken met als strekking dat een dergelijk één-tweetje tussen beleidsmakers en onderzoekers de kern is van het probleem: het integratievraagstuk wordt gedomineerd door een multiculturele kliek waarin iedereen elkaar de hand boven het hoofd houdt. Onderzoek staat in dienst van een politiek gewenst resultaat, de geselecteerde instituten krijgen op hun beurt subsidie van dezelfde overheid die ze via allerlei organen adviseren in het beleid over de multiculturele samenleving. Het Verwey-Jonker Instituut zou onder leiding van Boutelliers voorganger Jan-Willem Duyvendak zo’n spin in het web zijn. De bronnenstudie zou zijn doordesemd van zijn uitgesproken GroenLinks-gedachtegoed.

Het is nu aan Boutellier om deze kritiek te ontzenuwen. De reputatie van het instituut is in het geding. «Het geeft aan hoe gepolitiseerd het thema is geworden. Je kunt geen uitspraak meer doen, of je wordt in een van de kampen geplaatst. Achter van alles wordt een lading gezocht. Op zich verbaast ons dat niet, maar deze commotie hadden we nooit verwacht. Wat me echt heel boos maakt is dat er getwijfeld wordt aan onze integriteit. Zoiets kun je niet vrijblijvend roepen, dat vind ik een forse aantijging. Het brengt de onafhankelijke wetenschap, een van de pilaren waarop het vertrouwen in onze democratie steunt, ernstig in diskrediet. Bovendien vind ik dat een wetenschapper in principe wel degelijk politiek actief mag zijn.»

Inmiddels is ook dr. Rally Rijkschroeff, hoofd onderzoek van het instituut, aan de directeurstafel aangeschoven. Hij heeft de opdracht van de parlementaire commissie binnengehaald en is tevens wetenschappelijk eindverantwoordelijk voor de bronnenstudie. Hij formuleert omzichtig. «Door de aanval op ons is besloten ons rapport eerder te publiceren. We hebben gemerkt dat sindsdien de kritiek min of meer verstomd is. De inhoud geeft daar aanleiding toe, gelukkig. Bovendien blijkt uit alle feiten dat we nauwelijks rapporten in opdracht van de overheid over integratiebeleid hebben geschreven. Slechts vijftien van de honderden studies die het instituut heeft verricht, hebben betrekking op dit terrein.»

Rijkschroeff wil ondanks publicatie van het rapport liever niets zeggen. «Eerst moet de commissie tot een zelfstandig oordeel komen, eind december. Wij doen er niet toe, wij vinden niks, we zijn geen factor van belang. We moeten rolvast blijven». Boutellier, die bekend staat om zijn onbevangen kijk op het hachelijke thema, durft wel vrijuit te spreken. Volgens hem heeft de commotie eigenlijk te maken met twee onderwerpen die door de politiek systematisch zijn veronachtzaamd: de relatief hoge criminaliteit binnen delen van de allochtone gemeenschap en de radicalisering binnen de moslimwereld. In zijn vorige baan bij Justitie maakte Boutellier mee dat deze zaken moeilijk op de agenda van de politiek kwamen. «Het ging er gewoon niet in. Doordat het zo lang is weggedrukt, komt alles er nu zo hard uit. Vanuit deze achterdocht is ons vooronderzoek ontvangen. Maar er is geen enkele reden ons te betichten van dit ontkenningsmechanisme.»

Toch valt er in het rapport niets te lezen over deze twee punten. Evenmin als andere deel gebieden waarop de resultaten van doelstellingen gemeten hadden kunnen worden, zoals de mate van participatie aan algemene instellingen en het sociale verkeer buiten de eigen groep. Een indicator had ook de emancipatie van de vrouw kunnen zijn. En het aangaan van liefdesrelaties buiten de eigen groep of de hoeveelheid groepsoverlast voor de directe leefomgeving. «Deze terreinen vielen niet binnen onze opdracht», reageert Rijkschroeff.

Welke dat dan wel waren, daar wil hij duidelijk over zijn. «We kregen de opdracht om het integratiebeleid van de overheid te onderzoeken op de deelterreinen onderwijs, huisvesting, sport & recreatie en werk & inkomen. Wij hebben daarbij gekeken naar de geformuleerde doelstellingen aan de hand van nota’s en verhandelingen van de overheid. Effectiviteitstudies bleken beperkt te zijn gedaan om de eenvoudige reden dat dit nooit gebeurde. Dat maakte het voor ons relatief overzichtelijk. Alle door ons aangedragen andere studies hebben in dienst gestaan van deze opdracht.» De opmerkelijke hiaten bij het meten van integratiebeleid vielen volgens Rijkschroeff buiten deze opdracht. «Wij hebben, nogmaals, gedaan wat ons werd gevraagd. We konden ervan uit gaan dat die andere deelgebieden aan andere onderzoekers zouden worden uitbesteed.»

Formeel is de kritiek aan het adres van het instituut dan ook niet op zijn plaats. Het rapport laat een nauwgezet en genuanceerd resultaat zien van de geformuleerde opdracht. Het instituut had bovendien maar twee maanden de tijd. Daarom is het volgens Boutellier en Rijkschroeff zo «ontzettend flauw» om te zeggen dat het een zeer lucratieve opdracht was: «Alle onderzoekers hebben er keihard aan gewerkt. Het was een haastklus, maar het is een optimaal product geworden.»

Hardop vragen beiden zich af of het achteraf gezien beter was geweest om deze precaire opdracht niet aan te nemen. Waarop ze stellig concluderen: nee. «We hebben zowel de kennis als de wetenschappelijke ervaring in huis», zegt Rijkschroeff. «Daar staan we voor. Het idiote is dat bij de presentatie van onze aanpak, in april dit jaar, de commissie inclusief Ali Lazrak (hij stapte uit ongenoegen over vermeende belangenverstrengeling van het instituut uit de onderzoekscommissie — mf) groen licht gaf. Er was, en is, dus helemaal niks aan de hand.»

Volgens Boutellier heeft alles te maken met een drang vanuit de media om tegenwicht te bieden aan de politieke correctheid waarmee jarenlang tegen dit onderwerp is aangekeken. «Als je zo lang ongewenste zaken wegwimpelt, dan gaat het broeien en sorteer je in de discussie een averechts effect. In de criminaliteits nota van Justitie uit 1997 staat het hele vraagstuk goed beschreven.»

Waarop Rijkschroeff hem onderbreekt: «Maar dat viel buiten onze focus.»

Hans Boutellier: «Toen ik hier kwam vroeg ik meteen waarom dat niet is meegenomen.»

Rally Rijkschroeff: «We zijn volgend geweest.»

Boutellier: «Maar op één punt zijn jullie wel tegen de grens gaan zitten: over het onbehagen bij de autochtone bevolking. Daar spreekt toch onomwonden enige verbazing uit als het gaat om het geluid van de straat.»

Rijkschroeff: «Dat is hypothetisch gesteld. Het zou kunnen zijn dat het onbehagen eigenlijk een vorm van jaloezie is van groepen autochtone Nederlanders die zich voorbijgestreefd weten door succesvolle allochtonen.»

Op deze passage («scheve ogen vormen mogelijk de grondslag voor het grote ongenoegen over de multiculturele samenleving») reageerden de media andermaal verbolgen. Hieruit sprak duidelijk een mening, die terug te voeren zou zijn op eerdere uitspraken van Duyvendak. In dit verband schreef de Volkskrant dat die naar aanleiding van het door hem geschreven verkiezingsprogramma voor GroenLinks ooit zei «dat er richting autochtonen strenger opgetreden moet worden». Hij dacht daarbij bijvoorbeeld «aan gewenningscursussen voor de autochtone middenklasse».

«Ach, je ziet hoe elk woord in het licht van de overgevoeligheid een krankzinnige betekenis krijgt», zegt Boutellier. De gewraakte passage op pagina 182 in het rapport wordt er toch maar even bij gehaald. Ze lezen het nog eens hardop voor. Boutellier: «Zoals het door de media nu is geïnterpreteerd, is het niet bedoeld. Gelet op alle gevoeligheden, had het wellicht anders geformuleerd kunnen worden.»

Sommige media blijken zelf selectief. Want wie het rapport nauwkeurig leest, ziet op pagina 161 een ander geluid op dit punt geventileerd. Er staat onder meer dat «van beleids wege op de maatschappelijke onvrede over het integratieproces tot voor kort alleen bedekt gereageerd werd in termen van zorg voor inter etnische verhoudingen (…) en met maatregelen gericht op het tegengaan van discriminatie en negatieve beeldvorming. Geluiden van onvrede aan autochtone zijde zijn lang slechts gezien als een kwestie van onvoldoende maatschappelijke acceptatie, als een kwestie van tijd. De achterliggende gevoelens van bedreiging en veronachtzaming van (delen van) de autochtone bevolking zijn veel minder onderwerp van gesprek geweest in het parlement.»

Deze nuancering past kennelijk niet bij het beeld dat het om een subjectief bronnenrapport zou gaan. «Het publiek wil horen dat het integratiebeleid is mislukt, maar dat is gewoon niet helemaal waar», meent Rijkschroeff. «Deels is het gelukt, op het terrein van onderwijs en huisvesting, en deels niet, op het gebied van werk en inkomen. Het is daarom goed om door middel van onderzoek het geheugen op te frissen. Uit alles blijkt dat de overheid al veel langer bezig is om afscheid te nemen van de dwingende groepsmatige aanpak.»

Directeur Boutellier vult zijn collega aan: «Er wordt momenteel nadrukkelijk afstand genomen van de mythe van een geslaagde multiculturele gedachte. Ideologie is niet langer richtinggevend. Het zou goed zijn als we gezamenlijk in alle nuchterheid tot een nieuw vocabulaire kunnen komen. Dat zou ik een mooi resultaat vinden van dit onderzoek.»

Kritiek ten aanzien van het overheidsbeleid heeft het instituut ondanks de afstandelijke rol die het moet innemen wel degelijk. In het rapport staat: «Op grond van dit bronnenonderzoek en in het licht van de recente politieke discussie rijst de vraag in hoeverre in het verleden wel de juiste doelen zijn geformuleerd. Met de wijsheid van het heden kan dan worden geconstateerd dat het integratiebeleid een zekere eenzijdigheid heeft gekend omdat belangrijke dilemma’s rondom het multicultureel samenleven en met name de autochtone onvrede daarover in ’s lands vergaderzaal onvoldoende hebben doorgeklonken. In die zin kent de multiculturele samenleving onmiskenbaar grote problemen en is er nog een lange weg te gaan.» En: «De politiek heeft niet alleen gebrekkige historische zelfkennis, er is soms ook sprake van onvoldoende kennis van ontwikkelingen in de samenleving.»

Boutellier en Rijkschroeff zijn het erover eens dat de overheid het beleid nooit heeft geëvalueerd op basis van resultaten. Dat is inmiddels anders. In 2000, zo benadrukken zij, is het monitoren van de effectiviteit ingevoerd.