PHILIPP BLOM, HET VERDORVEN GENOOTSCHAP

Op bezoek bij de baron

Denis Diderot en baron Thiry d'Holbach zijn ‘de vergeten radicalen van de Verlichting’. Diderot vergeten? Dat is verbazingwekkend.

Philipp Blom, Het verdorven genootschap. De vergeten radicalen van de Verlichting. Vertaald door Pon Ruiter, € 24,90
Philipp Blom, A Wicked Company: Radical Freethinkers and Friendship in Pre-Revolutionary Paris, € 26,97

Was de Verlichting altijd een dankbaar studieobject voor vooruitstrevende geleerden die in hun eigen mentale voorgeschiedenis geïnteresseerd waren, sinds ‘11 september’ duikt het woord - als aanduiding van een beslissende periode in de westerse geestesgeschiedenis - steeds vaker op in teksten van rechtse, nationalistische en populistische politici en journalisten die de 'joods-christelijke traditie’, inclusief de Verlichting, als kern van de Europese identiteit zien, een identiteit die onverenigbaar zou zijn met die van 'de’ islamitische cultuur. Soms, zoals in Ayaan Hirsi Ali’s jaren geleden aangekondigde maar nooit verschenen Shortcut to Enlightenment, lijkt de Verlichting eerder een geloof waartoe men zich kan bekeren of een club waarvoor men zich kan inschrijven dan een specifiek Europese periode met een lange, specifiek Europese voorgeschiedenis.
Daarnaast zijn er de laatste tien jaar natuurlijk ook de nodige serieuze studies over deze periode verschenen, al hebben die nooit op de borreltafels van de populaire tv-programma’s gelegen. Een nieuwe aanwinst in deze categorie is een boek van Philipp Blom, een van oorsprong Duitse, nu vooral in het Engels publicerende historicus, romancier, journalist en vertaler, getiteld Het verdorven genootschap. De ondertitel maakt meteen duidelijk om welk genootschap het gaat: 'de vergeten radicalen van de Verlichting’, dat wil zeggen: Denis Diderot en Baron Thiry d'Holbach.
Dat is nogal verbazingwekkend. Diderot vergeten? Ja, in de negentiende eeuw misschien, maar toch niet in de twintigste? Als één Franse auteur zich het troetelkind van de onorthodoxe Europese literaire intelligentsia mag noemen, is het wel Diderot. Het aantal varianten op, verwijzingen naar en studies van De neef van Rameau is niet meer te tellen. Talloze malen is hij geroemd als tijdgenoot, als de eerste moderne intellectueel, een literaire denker die van alle markten thuis was, zich met alles bemoeide, maar ook zo onsystematisch, eclectisch en origineel te werk ging dat zijn oeuvre niet tot een of twee 'uitvindingen’, respectievelijk stellingen kan worden gereduceerd, zoals bij zoveel beroemdere vroegere en latere auteurs. Diderot was dan ook allereerst schrijver.
Van zijn belangrijkste werken bestaan recente en goede Nederlandse vertalingen. Wat vooral ontbreekt is een anthologie uit de met abbé Raynal geschreven kolossale studie over het kolonialisme, wel het belangrijkste politieke project uit de Verlichting, de Histoire philosophique et politique du commerce et des établissements des Européens dans les deux Indes; en natuurlijk een ruime selectie uit de Encyclopédie, waarvan mij in het Nederlands alleen een paar lemmata bekend zijn in een enkele bloemlezing.
Voor Holbach ligt dat anders. Hij leeft voort als naam in een rijtje. Zijn werk is onbekend en onverkrijgbaar, zelfs de Koninklijke Bibliotheek heeft niet één boek van hem in bezit. Ook over zijn leven is nauwelijks iets bekend, hij moet flink wat brieven hebben geschreven, maar het grootste deel daarvan is niet bewaard gebleven. Wel staat vast dat Holbach steenrijk was, dat hij aan de beroemde en vrijzinnige universiteit van Leiden heeft gestudeerd, zoals zoveel landgenoten die republikeinse lucht wilden ademen, en dat hij onder invloed van vooral Julien Offray de la Mettrie een aantal atheïstische maar helaas ook onleesbare boeken heeft gepubliceerd. Op gezag van Blom meld ik nog dat de enige leesbare passages in die boeken van de hand van Diderot zijn, want die ergerde zich groen en geel aan de zwaarwichtige en wijdlopige stijl van de baron.
'Tijdens zijn samenwerking met Holbach stak hij talloze uren in het redigeren en herschrijven van argumenten waar hij op zich wel achter stond, maar die hij zelf veel beter had kunnen formuleren als hij daar de tijd voor had gehad, en dat na Vincennes had aangedurfd.’ Die laatste zin verwijst naar een eerdere filosofische stoutmoedigheid van Diderot die hij met een fikse gevangenisstraf had moeten bekopen. Holbach mocht dan 'radicaal’ en 'compromisloos’ zijn, woorden waar Blom kwistig mee strooit, een schrijver was hij dus niet. Zou het niet kunnen zijn dat we hem vooral om die reden zijn vergeten? Curieus is dat Blom deze mogelijkheid niet eens overweegt, dat hij deze kennelijk door niets geremde spraakwaterval niet alleen 'een van de moedigste’ maar zelfs 'een van de helderste denkers uit de achttiende eeuw’ noemt.
Of de kwalificatie 'moedig’ met betrekking tot Holbach wél terecht is, kan op grond van Bloms recherche niet worden uitgemaakt. Holbachs adellijke status verschafte hem privileges, of hij ook protectie van machtiger instanties genoot is onduidelijk. Zeker is dat hij, anders dan de eeuwige sjacheraars Diderot en Rousseau, nooit heeft hoeven werken voor de kost. Van zijn oom erfde hij immers 'een groot fortuin’, waarmee hij zijn intellectuele vrienden van 'de beste wijnen en diners’ voorzag, wat in elk geval voor hem pleit. De man bewoonde 'een fraai huis uit de zeventiende eeuw’, vlak bij het Louvre, waar hij tweemaal per week als gastheer optrad van een intellectuele salon, die het middelpunt werd van een heterodox, verlicht gezelschap.
De bijeenkomsten in deze salon zijn, naast de belangrijkste data uit de biografie van Diderot, bepalend voor de structuur van het Bloms boek. Beide lijnen verweeft hij op gepaste momenten kundig met uitweidingen over andere auteurs en hun werk - Spinoza, Rousseau, Grimm, Hume, De la Mettrie - zodat er uiteindelijk een kleur- en contrastrijk mozaïek ontstaat van het intellectuele centrum van de Franse Verlichting.
De boeiendste verhaallijn is die welke de dramatische relatie van Diderot en Rousseau volgt. Blom maakt in verschillende etappen duidelijk dat die vriendschap niet alleen tot de gevolgenrijkste van de eeuw hoort, maar ook dat Rousseau’s filosofie ten nauwste, meer dan die van Diderot, samenhangt met zijn biografie. Nadat ze ieder op hun vijftiende het ouderlijk huis hadden verlaten, de een in Langres, de ander in Genève, hebben ze elkaar rond 1743 in Parijs leren kennen, beiden veelzijdig begaafd en op zoek naar werk en contacten. De vriendschap kwam onder spanning te staan toen Rousseau, extreem achterdochtig, masochistisch en vervuld van zelfhaat, zich steeds directer van de maatschappelijke idealen van Diderot cum suis ging distantiëren. Kunst en wetenschap zouden de mensheid geen vooruitgang hebben gebracht, maar juist decadent, pervers, egoïstisch en onwaarachtig hebben gemaakt.
Uiteindelijk verdedigt hij, in het spoor van Hobbes’ mensverachtende Leviathan, het idee van een maatschappelijk contract dat nodig zou zijn om de al te gemakkelijk in een moorddadige anarchie ontaardende vrijheid aan banden te leggen. 'De mens wordt vrij geboren en overal is hij geketend’ - met die schitterende paradox begint Du contrat social (1762), maar het vrijheidspathos slaat om in een verdediging van dictatuur, censuur en doodstraf: 'Wanneer de vorst hem [de burger] heeft gezegd: het staatsbelang vereist dat gij sterft, moet hij sterven.’ Niet verwonderlijk, zegt Blom, dat Rousseau tijdens de bloedige jaren van de Revolutie het idool werd van Robespierre, 'wiens favoriete politieke instrument de guillotine was’.
Aldus levert Blom een fraaie proeve van narratieve geschiedschrijving; in de structuur van het boek zowel als in de suggestieve, historisch niet altijd overtuigende passages verraadt hij zijn literaire herkomst. Weliswaar bevat zijn boek voor wie redelijk op de hoogte is van het Verlichtingsdenken minder nieuws dan de auteur via ondertitel en daarop zinspelende passages wil doen geloven, maar als toegankelijk overzicht heeft het zeker grote verdiensten.
Nog een paar punten van kritiek mogen desalniettemin niet onvermeld blijven. Onopvallend weggemoffeld in de 'zeer selectieve bibliografie’ achterin is het werk van Jonathan Israel, die Blom de afgelopen jaren in zijn ontdekking, respectievelijk opwaardering van de 'radicale Verlichting’ voorging. Blom zijn die boeken uiteraard niet ontgaan, maar ze gaven hem blijkbaar geen aanleiding als ontdekker van een 'vergeten’ stroming een toontje lager te zingen. Zowel Israel als Blom gaat er trouwens wat mij betreft te gemakkelijk vanuit dat radicalisme als zodanig een bewijs is van filosofische of politieke superioriteit. Dat is alleen al tegen de achtergrond van de relativerende scepsis van Montaigne en, anderhalve eeuw later, van Montesquieu, die beiden als bewonderde voorloper van Diderot en de zijnen bij Blom merkwaardig onderbelicht blijven, niet goed mogelijk.
Over Voltaire, de gematigde tegenhanger van de radicalen, schrijft Blom consequent op licht depreciërende toon, alsof diens deïsme en zijn begrip voor de morele functies van het christendom hem meteen als halfzachte politieke opportunist ontmaskeren; Jean Calas, door Voltaire te vuur en te zwaard verdedigd, wordt zelfs niet een keer genoemd. Dat Diderot soms verdacht veel van Voltaire weg had, dat ook hij 'de overtuiging bleef toegedaan dat zijn eigen scherpzinnige atheïsme niet voor iedereen geschikt was, maar zeker niet voor wankelmoedigen’, is ook Blom duidelijk, maar bij zijn radicale held ziet hij dat blijkbaar niet als suspecte toegeeflijkheid aan de orthodoxie.
Hinderlijk is dat Bloms beweringen nooit controleerbaar zijn. Het behoort tot zijn methode om weinig te citeren en nooit bronnen te noemen. Zo zou Voltaire het Testament de Jean Meslier, een opstandig atheïstisch maar slecht geschreven pamflet van een dorpskapelaan, niet alleen hebben herschreven en geredigeerd, hij zou ook, 'als je de tekst wat beter bekijkt,’ alle atheïstische verwijzingen hebben geschrapt, zodat er geen sprake meer is van 'aanvallen op het christelijke geloof, (…) oproepen tot revolutie, gewelddadig verzet tegen de aristocratie of utopische dromen over een rechtvaardige samenleving van gelijke, vrije en welingelichte burgers’. Kortom: 'Voltaire had de auteur in diens graf gecastreerd.’ De lezer moet maar geloven dat Blom de tekst 'wat beter’ heeft bekeken, een demonstratie daarvan blijft geheel achterwege. Ook lijkt Blom met twee maten te meten als het over rijkdom gaat. Wat bij Voltaire toch vooral leidt tot twijfel aan diens politieke integriteit, is bij de genereuze Holbach reden om het hedonisme van zijn salongezelschap te prijzen.
Ook op microniveau is er op het boek het nodige af te dingen. Een greep. Blom valt, net als Holbach, vaak in herhaling. Bovendien dikt hij alles graag een beetje aan, hij schrikt niet terug voor een driedubbelop formulering als 'de eerste basisprincipes’. Spinoza 'schijnt’ in Rijnsburg gewoond te hebben, internet had hem via twee klikken zekerheid kunnen verschaffen. Het Oude Testament dateert hij tweeduizend jaar voor Christus, in werkelijkheid zijn de onder die titel verzamelde teksten tussen de achtste en de derde eeuw geschreven. Blom is niet sterk in literaire genres: Voltaire’s onverwoestbare filosofische sprookje (conte philosophique) Candide noemt hij een roman, Diderots grillige dialoog Le rêve de d'Alembert een novelle. Bij de aardbeving in Lissabon, in Candide satirisch beschreven, zouden honderdduizend mensen de dood hebben gevonden, maar zelfs het door Voltaire geschatte aantal van dertigduizend bleek later tweemaal te hoog. Sophie Volland zou 'meer dan twintig jaar Diderots maîtresse en soulmate’ zijn geweest, een gegeven dat (nog los van dat anachronistische 'soulmate’) onder meer door Anneke Brassinga, die Brieven aan Sophie al in 1995 schitterend vertaalde, wordt betwijfeld, mogelijk ging het uitsluitend om een fictieve epistolaire liefde.
Desondanks aarzel ik niet Het verdorven genootschap een verdienstelijk en aanbevelenswaardig boek te noemen. Zijn roem dankt het, paradoxaal, vooral aan zijn tekortkomingen.

PHILIPP BLOM
HET VERDORVEN GENOOTSCHAP
De Bezige Bij, 444 blz., € 29,90