De meeuw in Amsterdam

Op consult bij dokter Tsjechov

Thomas Ostermeier komt uit Berlijn om hier zijn eerste Tsjechov te regisseren. Hij neemt er de tijd voor. En hij doet iets bijzonders met de spelers van Toneelgroep Amsterdam.

Toneelpubliek reist uit een drukte naar een stilte. Mensen die een toneelzaal betreden, komen vaak uit iets hectisch en moeten omschakelen, een knop omzetten. Het verleidelijke gebaar van de toneelmakers kan daarin cruciaal zijn: kom bij ons, u bent zeer welkom, vrees niets. Ben je eenmaal binnen, blijkt alles toch anders te zijn. Maar je moet dus eerst kalm naar binnen.

In De meeuw van Toneelgroep Amsterdam gaat dat zo. Bij het betreden van de zaal voelt de toeschouwer de koudklamme deken van een avondmist, feitelijk een artificiële toneeldamp. De speelvloer is een kale vlakte, bedekt met een donkere substantie, zand, turfmolm, ommuurd door een witte, transparante oneindigheid. Op het voortoneel ligt een grote plankhouten ­vlonder. Achter die vlonder staan tuinstoelen met mensen. Die kijken naar ons. Zoals wij naar hen. Ons kijken is gewoon. Van hen uit voelt het ongemakkelijker. Het is staren ­eigenlijk. Of het beloeren van een prooi. Dan staat er eentje op. Hij loopt naar de rand van de ­vlonder: Hans Kesting. Hij zal vanavond de artiest spelen die het gemaakt heeft, de schrijver. Hij beschrijft waar we zijn. Ooit is dat begonnen, in een ­repetitielokaal, iemand die zei: lees de regie­aanwijzingen voor, vertel waar we zijn. Kesting heeft er de bronzen stem van de homerische ­verteller en verleider voor. Hij spiegelt ons de brede laan voor die door een park loopt naar een meer. En daar – zegt hij en hij kijkt naar ons – en daar… is het meer. Want we zijn aan een meer. En daar is een toneeltje. Want er wordt straks in het toneelstuk een toneelstukje gespeeld. We zijn in afwachting van een wereldpremière. ­Tsjechovs De meeuw gaat ook over kijken, staren, loeren en beloeren. En over kunst, natuurlijk.

Er gebeurt simultaan nog iets anders: de maagdelijk witte oneindigheid om de donkere vloer heen wordt vanaf de achterkant aan­geraakt door een verfkwast op een enorme staak. Die kwast begint de wereld waar we zijn, de wereld die beschreven wordt, als het ware te vergroten tot een mythisch landschap, met bergkammen en wouden. We zijn daar weliswaar helemaal niet, maar dat doet er niet toe. De meer dan levensgrote aquarel van een berglandschap maakt de nietige mensen daar op die vlonder kleiner en tegelijk groter. Dat is wat Tsjechov ook almaar doet in zijn toneelstukken. Met een niets en niemand ontziende meedogenloosheid. Ze pietepeuteren en sleutelen in die scènes op het land aan hun kleine levens. Ze verwoesten elkaar en zichzelf. En ondertussen kletsen en koeioneren ze elkaar. Over hoe alles over tweehonderd of over tweehonderdduizend jaar zal zijn. Als zij al lang niet meer bestaan, totaal vergeten zijn, een vlek in de oneindigheid van de geschiedenis. De Duitse schrijver, dichter en eminent Tsjechov-vertaler Thomas Brasch zei daar ooit over: ‘Tsjechovs figuren maken hun conflicten en angsten groter dan ze daadwerkelijk zijn, ze dramatiseren en stileren zichzelf, ze zwepen zichzelf op tot de hoogte waarop ze belachelijk worden.’ Welkom in de spreekkamer van dokter Anton Tsjechov. Kijkt u even mee naar deze röntgenfoto? U ziet het, u bent volkomen overbodig geworden.

Konstantin, koosnaam Kostja, heeft een toneelstuk voor twee personen geschreven en dat gaat hij op dat kleine buitenpodium spelen met zijn vriendin, de dochter van de buren, Nina, op wie hij verliefd is. Ze zijn nogal nerveus, onder meer omdat de moeder van Kostja, de gevierde toneelspeelster Arkadina en haar vriend, de tamelijk bekende schrijver Trigorin, komen kijken. Onder het publiek zijn ook Sorin, hoofdbewoner van het landgoed aan het meer en broer van Arkadina; Dorn, de huisarts; Masja, de dochter van de landgoedbeheerder en ongelukkig verliefd op Kostja; en Medwedenko, onderwijzer en soort van verloofde en later de man van Masja. Kostja heeft een toneeltekst gemaakt die zijn vriendinnetje Nina zeer moeilijk vindt om te spelen. Logisch ook: er wordt gespot met alle wetten van het klassieke toneel. Dat van Kostja’s moeder dus. Zij zorgt er dan ook voor dat de wereldpremière van haar zoon een sof wordt. Trigorin, de gearriveerde schrijver, heeft alleen maar oog voor Nina. In die vierhoek – moeder, minnaar, zoon, vriendinnetje – speelt het drama van De meeuw zich af binnen een plot die leunt op vier pilaren: knellende familiebanden, afgronden tussen generaties, doodlopende liefdes en kunst die zichzelf overschreeuwt. Kostja zal dit drama niet overleven. De andere vier types (in het origineel lopen er een paar meer rond) zijn net als wij toekijkers, die afwisselend in en uit de handeling geslingerd worden.

De meeuw is een toneeltekst uit 1896. Het stuk werd datzelfde jaar ten doop gehouden in het Petersburgse theater van Vera Kommissarzjewskaja, een toneeldiva met een grote reputatie. De première werd een even grote ramp als die van Kostja’s stuk-in-het-stuk. De klap die Tsjechov probeerde uit te delen was waarschijnlijk te hard voor het bourgeoispubliek. Verder had de ster van de avond (die Nina speelde en daar gewoon te oud voor was) stemproblemen, enkele acteurs hadden een alcoholprobleem, het onbegrijpelijk nieuwe van de tekst gaf de genadeklap. Tsjechov zwoer nooit meer toneel te schrijven. Twee jaar later, in de herfst van 1898, vroeg de toneel­pionier Konstantin Stanislawski aan Tsjechov of hij het stuk in zijn Moskouse Kunst Theater een tweede leven mocht bezorgen (ook om zijn ensemble voor een faillissement te behoeden). Beide opties slaagden wonderwel: de tweede première in Moskou werd in december 1898 een succès fou en geldt tot op de dag van vandaag als een mijlpaal in de Europese toneelgeschiedenis. Tsjechov begon in de laatste fase van zijn leven speciaal voor dit Moskouse ensemble aan zijn beroemd geworden avondvullers te schrijven. Weliswaar gruwde hij van het sentimentele naturalisme in de ensceneringen van Stanislawski, maar het leverde wel de tot dan toe beste uitvoeringen van zijn stukken op, die op wereldtournees onder lof werden bedolven. De ster­actrice van het gezelschap, Olga Knipper, een jaar voor de vroege dood van de schrijver zijn vrouw geworden, is de rollen tot op hoge leeftijd blijven spelen.

De Duitse regisseur Thomas Ostermeier (1968), al sinds de eeuwwisseling intendant van de ­Berlijnse Schaubühne, is tot nu toe van ­Tsjechov afgebleven. Hij heeft zijn handen vol aan die andere mensentekenaar uit het eind van de negentiende eeuw, Ibsen. En hij bouwt gestaag aan een oeuvre met veel Shakespeare. Het werk met de spelers van Toneelgroep Amsterdam (nog niet zo lang geleden, aan Ibsens Spoken) is vermoedelijk zo goed bevallen dat hij met hen het avontuur richting De meeuw wel aanwilde. Hij vroeg en kreeg er de tijd voor, een goeie twee maanden. En met de kristalheldere vorm­geving van zijn vaste ontwerper, Jan Pappelbaum, ­creëerde hij een artistieke Freiraum voor de spelers en zichzelf om zich eens pittig te meten met de Tsjechov-stof. Ik ben voor de zomer twee keer gaan kijken en vooral gefascineerd geraakt door de wonderschone en grillige personen­regie.

Eerdergenoemde Brasch benadrukte al dat Tsjechov ‘meedogenloze ziektebeelden op het toneel zet, koude momentopnamen van menselijke ruïnes’.

In De meeuw zitten daar veel kunstenaars tussen, over wie vaak wordt gezegd dat ze hun eigen ziektebeeld uitwonen in hun botsing met de wereld en met elkaar. Dat loopt in het eerste bedrijf meteen hoog op. Kostja, die nog zoekt naar zijn kunstenaarschap, exposeert zich daarin vrij brutaal. Hij vindt (ik citeer de bewerking letterlijk) het theater van zijn moeder ‘stokconservatief en pseudo-avantgardistisch’, ze spelen daar ‘geen enkele emotie meer, alleen maar banale agressie’ en ‘altijd met die kutzendmicrofoons die alleen maar kapot gaan’. En: ‘Het ergste is: acteurs die spelen dat ze niet spelen.’ Eelco Smits bijt deze observaties ingehouden bitsig van zich af. Daarna komt hij op de proppen met zijn artistieke antwoord. Tsjechov moet aan de vroege symbolisten en lawaaierige futuristen hebben gedacht. Hier blijkt het ’n armzalige mélange van het Nieuw West Warme Winkeltoneel. Of in de termen van de Berlijnse toneel-scene van Ostermeier: de schreeuwerige anarchie van de Berlijnse Volksbühne-avant-garde, à la de nieuwe Bayreuth_-Ring-des-Nibelungen-_Wagner-Bürgerschreck Frank Castorf. Het is verfrissend oubollig en het wekt de begrijpelijke woede van het passé-toneel van Arkadina, die via Chris Nietveld als een furieuze helleveeg tekeergaat. Er is hier niet lang maar wel effectief nagedacht over equivalenten die het verhaal feestelijk en ironisch stofferen.

So far so good voor de generatiekloven de kunst. Op het terrein van de liefde wordt ook een partij sterke troeven opengetrokken. Het stuk bevat enkele wonderschone verleidingsscènes die elkaar spiegelen. In het tweede bedrijf palmen de jonge actrice Nina en de ervaren schrijver (en verleider) Trigorin als het ware elkaar in, door een cocon om elkaar heen te spinnen, als een tijdelijk universum waarin ze heel geïnteresseerd naar elkaar zitten te kijken. Hans Kesting en de jonge tga-aanwinst Hélène Devos doen in die scène precies dat, plus nét dat beetje méér dat hun ontmoeting maakt tot de zoete aanminnigheid van een overkokende pan melk. De spiegelscène hiervan zit in het derde bedrijf, waarin Arkadina haar (aan Nina ondertussen hopeloos verslingerde) minnaar Trigorin voor zich poogt te behouden, zonder al te rauw in het vlees van haar rivale te krassen. Wat Hans Kesting en Chris Nietveld daar doen is ware hogeschool van het toneelspelen – alles tonen zonder de dingen uit te melken. Arkadina laat Trigorin zien wat je als toeschouwer al bijna niet meer wil geloven: schrijvertje, zonder het licht en het spiegelglas van míjn ster, ben jij he-le-maal niks, hoogstens een baal talentloos hooi.

De omstanders van het drama in het centrum van De meeuw vormen ook een kwartet. Want de rollen van landgoedbeheerder ­Sjamrajev en zijn permanent ongelukkige vrouw Polina zijn hier geschrapt. Wat de rol van huisarts Dorn (Bart Slegers) en van Sorin (Hugo Koolschijn) van een deel van hun dramatische ankers berooft, iets waar beiden zich overigens goed doorheen slaan. Wreed en zonder enig ­medelijden is ­Tsjechov voor Masja en Medwedenko. Werkelijk om koud van te worden is hoe Janni Goslinga en Alwin Pulinckx deze twee verloren ­karakters vormgeven: pijnlijk van nauwkeurigheid, tot in ieder detail fijn geëtst. Precies zoals vlak voor het einde het melancholieke berg­landschap ­rigoureus wordt overgeschilderd, waarna een etspennetje in dat zwarte zwerk gewoon opnieuw begint. Als een venijnig fileermes. Dit onder tijdelijk vreemde regiehanden herboren toneelensemble speelt een grootse Tsjechov!


De meeuw door Toneelgroep Amsterdam, dit najaar in Amsterdam en overal elders, inlichtingen toneelgroepamsterdam.nl