Essay De wortels van de haastmaatschappij

Op de barricade voor de zestienurige werkdag

Waar komt ons schijnbaar alomtegenwoordige gevoel van drukte vandaan? De sleutel ligt opmerkelijk genoeg bij de rebellen van ’68. Zonder het ‘langharig werkschuw tuig’ was de moderne haastmaatschappij ondenkbaar geweest.

Het begon als een grap. Ik was net achttien en naar Leiden verhuisd om politicologie te studeren. Wat ik overdag op de universiteit leerde, bracht ik in de uren daarna in praktijk in het plaatselijke politieke informatiecentrum. Dat was een groot, gekraakt pand in de binnenstad waar het Leidse alternatieve wereldje zich verzamelde: linkse activisten, krakers, hulpverleners en milieuliefhebbers. Ik voelde me er thuis. Ik had eindelijk het gevoel iets met mijn idealen te kunnen doen, leerde van alles en ontmoette naast tal van nieuwe vrienden ook nog eens mijn grote liefde.

Het was dan ook met een dikke knipoog dat we soms van zelf­uitbuiting spraken. Ga maar na. In ons streven naar een betere wereld hadden we geheel vrijwillig de achturige werkdag overboord gegooid. ’s Avonds ­vergaderen? Geen probleem. Op onze vrije zaterdag zaten we vaak in de kroeg of bezochten een concert, maar we gingen net zo goed de hele dag demonstreren. Aan de voor die gekke reli’s heilige zondagsrust deden we al helemaal niet. En het beste: voor al die inspanning verlangden we geen cent. We wilden niet anders! Inderdaad: menige werk­gever zou ons graag ten voorbeeld stellen aan zijn medewerkers. Wat nou werkschuw tuig?

Hoewel er zeker een kern van waarheid in zat, nam ik het idee niet echt serieus. Tot ik enkele jaren terug in Berlijn de Linke Buchtage bezocht. Denk aan een minivariant van de gerenommeerde Frankfurter boekenbeurs, maar dan voor kleine, alternatieve uitgevers. Plaats van handeling was de Mehringhof, alweer zo'n voormalig kraakbolwerk en nog altijd een brandpunt van Berlijns politiek protest. Op de binnenplaats was een aantal stands opgebouwd. Daar, tussen het clublokaal van de communistische Turkse arbeidersvereniging (aan de muur een portret van Stalin) en de autonome boekhandel Schwarze Risse, vond ik een dun boekje. De titel maakte me nieuwsgierig: Kleine geile Firmen.

Het bleek precies over dat vroegere idee van links als kapitalistische voorhoede te gaan. Maar van een grap was geen sprake. Volgens de schrijver, ene Arndt Neumann, was het in de jaren zestig, zeventig en tachtig werkelijk zo gegaan. En hij wist die stelling behoorlijk overtuigend te onderbouwen. Samen met de rebellie van 1968 waren overal in de westerse wereld experimenten met zelfbeheer en autonomie ontstaan. De nieuwe generatie die zich meldde had geen zin om in de fabriek of op kantoor te werken voor een autoritaire baas, zoals hun vaders. De jongeren wilden vrijheid. Vanuit dat ideaal ontstond een subcultuur van biologische landbouwcollectieven, winkeltjes, fietsenmakers, drukkerijen, koeriers­diensten en niet te vergeten cafés en concertzalen. Dat gebeurde in Amerika, in Duitsland, maar net zo goed in Nederland met de kraakbeweging. De alternatieve economie draaide niet om winst. Het ging om andere zaken. Arbeid moest mensen de mogelijkheid geven hun eigen interesses en talenten te ontplooien. Hiërarchie was daarbij taboe. Het werk moest net als de rest van de maatschappij democratisch georganiseerd worden.

Dat was makkelijker gezegd dan gedaan, want de omliggende economie bleef kapitalistisch. En dus moest ook de biowinkel concurreren met de goedkopere groenteboer. Onder druk van de markt begonnen veel alternatieve bedrijfjes compromissen te sluiten. Nog één jaartje doorploeteren, daarna is er geld om onze mensen in de winkel te betalen - dat idee. Dit kon ertoe leiden dat sommige Duitse links-radicalen eind jaren zeventig vakbondsnormen gingen afwijzen. ‘Je moet bedenken onder welke omstandigheden de vakbondseisen worden gesteld, namelijk om arbeiders ervoor te beschermen dat ze geheel opgaan in hun vervreemde arbeid’, zo wordt een van hen geciteerd. 'Maar dat is precies wat wij niet nodig hebben, omdat wij plezier hebben in ons werk, het graag doen. Als ik hier twaalf uur zonder onderbreking heb gewerkt, ben ik niet zo kapot als wanneer ik in een bedrijf acht uren met pauze zou hebben gezwoegd.’ Lang niet iedereen was het daarmee eens. Critici spraken smalend over de 'strijd voor de alternatieve zestienurige werkdag’.

Gelukkig heeft dat idee het niet gehaald. Maar vooral op organisatorisch vlak vervulden de experimentele ondernemingen wel degelijk een pioniersrol. Samen met de uit Japan overgewaaide flexibele management- en productiemethoden vormde dit een belangrijke impuls voor de kapitalistische economie. De voorbeelden zijn legio. Jaren nadat alternatieve projecten daarmee waren begonnen, ontdekten commerciële bedrijven de voordelen van werken met projectgroepen. Ook de voor protestbewegingen kenmerkende informele, platte en vooral flexibele netwerkstructuur zou populair worden. Dat maakte ondernemingen stukken wendbaarder en slagvaardiger dan de oude, hiërarchische organisatiemodellen.

Neem de IT-sector. Toonaangevende bedrijven als Apple en Google laten zich voorstaan op hun egalitaire, informele, decentrale organisatiestructuur. Die is erop gericht creatieve individuen alle ruimte te geven. Dat is geen toeval. Hun opkomst, ja, zelfs het hele internet is ondenkbaar zonder de hippiecultuur van het San Francisco van de jaren zestig. In de daar florerende do it yourself-mentaliteit liggen de wortels van de talrijke startups die later Silicon Valley beroemd zouden maken. Ook de in 2011 overleden oprichter Steve Jobs was afkomstig uit deze hoek. Hij experimenteerde met lsd, woonde in een commune en flirtte met Indiase spiritualiteit en zenboeddhisme. Zijn vegetarische dieet voerde Jobs bij tijd en wijle zo strikt door dat hij naar verluidt eens oranje uitsloeg van de wortels. Als de mensen om hem heen klaagden over de geur van zijn immer ongewassen voeten stak hij ze ter verfrissing in de wc.

Het was vanuit die achtergrond dat Steve Jobs Apple oprichtte. En met succes: in de zomer van 2011 passeerde het bedrijf het olieconcern Exxon als duurste op de beurs genoteerde bedrijf ter wereld. 'De mensen die de 21ste eeuw uitvonden waren wiet rokende, op sandalen lopende hippies aan de Amerikaanse westkust, zoals Steve, omdat zij anders tegen zaken aankeken’, merkte rockster Bono eens op over Jobs. 'De hiërarchische structuren van de Amerikaanse oostkust, Engeland, Duitsland en Japan moedigen dit anders denken niet aan. De sixties brachten een anarchistische geesteshouding voort, die geweldig is voor het verbeelden van een wereld die nog niet bestaat.’

Het interessantste voor de mainstream economie was de wijze waarop de alternatieve bedrijfjes hun medewerkers wisten te motiveren. Met name kritische, hoogopgeleide mensen bleken bereid harder, beter en meer te werken als hun het gevoel werd gegeven dat zij enige autonomie hadden. De medewerkers van Jobs bij Apple lieten eens T-shirts maken met de tekst: '90 uur per week en met plezier!’ Meer vrijheid om zelf te bepalen hoe, waar en bovenal wanneer het werk uit te voeren, bleek niet onvermijdelijk tot chaos te leiden. Integendeel, dit maakte een onvermoede energie en creativiteit los.

Dat kon het bedrijfsleven in de jaren zeventig goed gebruiken. Het worstelde namelijk met een nieuw soort werknemer: de massa-intellectueel. In de jaren zestig had het aantal studenten - mannen én vrouwen - op universiteiten en hogescholen een hoge vlucht genomen. Doordat er veel meer hoogopgeleiden kwamen, veranderde echter ook hun maatschappelijke positie. De 'massa-intellectuelen’ behoorden anders dan hun hoogopgeleide voorvaderen niet langer tot een kleine, geprivilegieerde groep. Dat maakte het ook lastiger hen in te kapselen. Maar deze 'hoofdarbeiders’ lieten zich evenmin behandelen als hun lager opgeleide collega’s die nog met de handen werkten. Onder druk van de nieuwe, goed opgeleide generatie begonnen de oude hiërarchieën te kraken.

De massa-intellectuelen waren de voornaamste motor achter de gebeurtenissen in 1968. In dat roerige jaar gingen overal ter wereld, van Parijs tot Mexico-Stad, jonge mensen de straat op om hun ongenoegen te uiten over het in hun ogen verroeste systeem. Die massale protesten dwongen behalve regeringen ook het bedrijfsleven in beweging te komen. Dat deed het uiteindelijk ook. Maar niet door gehoor te geven aan alle eisen van de demonstranten, laat staan door zichzelf af te schaffen, zoals de radicaalste tegenstanders wensten. In plaats daarvan wist het kapitalisme zichzelf in die jaren fundamenteel te vernieuwen.

Op zoek naar nieuwe vormen en gedachten konden ambitieuze managers selectief winkelen bij de alternatieve beweging. De Italiaanse filosoof Paolo Virno, zelf een prominent organisator van stakingen en acties in die jaren, spreekt over 'het omkneden van de collectieve houdingen van de beweging (…) - de fabriek verlaten, geen interesse in een vaste baan, vertrouwdheid met communicatieve kennisvormen en netwerken - in een innovatief beeld van de beroepswereld’.

De grote, bureaucratische ondernemingen uit het keynesiaanse tijdperk bleken daartoe niet in staat. Zij gingen ten onder of werden onderworpen aan een langdurig proces van reorganisaties.

Het is de kracht van het neoliberalisme geweest dat het wél een antwoord had op de roep om vrijheid en flexibiliteit. Dat betekent niet dat deze ideologie het product is van de generatie van '68, zoals de Franse schrijver Michel Houellebecq in verschillende van zijn romans suggereert. De meeste jongeren die toen de straat op gingen, stond een heel andere maatschappij voor ogen. Maar het een is niet te begrijpen zonder het ander. Onder invloed van het neoliberalisme werden de 'bruikbare’ protestpunten ingekapseld en omgekneed: wel de vrijheid, niet de gelijkheid; wel de individuele verantwoordelijkheid, maar niet de economische democratie. Inderdaad: het neoliberalisme als een gestolen 1968.

Naast deze alternatieve geschiedenis van het ontstaan van het neoliberalisme is er natuurlijk de onder linkse denkers als Naomi Klein meer gangbare versie: die van het neoliberalisme als coup, beraamd door rechtse politici, economen en op winst beluste ondernemers. Deze regime change is zonder twijfel cruciaal geweest voor de tempoversnelling in de economie en het ontstaan van een haastmaatschappij. Maar pas als we beide verhaallijnen met elkaar combineren - de coup van bovenaf én de romantische strijd van onderop - kunnen we de tijdsomwenteling die gedurende de afgelopen drie decennia heeft plaatsgevonden op waarde schatten.

Uit de politieke, economische en maatschappelijke crises van de jaren zeventig blijkt een nieuw economisch model te zijn ontstaan. Het oude, naoorlogse keynesianisme met zijn grote overheid, sterke vakbonden en bedrijfsconglomeraten is opgevolgd door het neoliberalisme. Dat bracht niet alleen een proces van privatiseringen, deregulering en bezuinigingen op gang; het heeft ook de wijze waarop wij onze tijd ervaren ingrijpend veranderd.

In de economie uit zich dat op de eerste plaats in een proces van versnelling. Producten en diensten - van kleren en wegwerpbekertjes tot softwarepakketten - worden in hoger tempo geconsumeerd. Met andere woorden, de turn-over time is gereduceerd. Maar er wordt ook sneller geproduceerd. Nederlanders zijn niet alleen iets meer uren gaan werken, de arbeidsproductiviteit is gestegen, mede dankzij de technologische vooruitgang op het gebied van automatisering en communicatie. Veel tijdwinst is bovendien het resultaat van een intensivering van de reeds bestaande werkuren. Dat kan bijvoorbeeld door werknemers te laten multitasken. Ook zijn in de afgelopen decennia op grote schaal flexibele contracten geïntroduceerd en schakelden veel bedrijven over op de veel efficiëntere just-in-time-productie.

Maar er is meer. Misschien wel het grootste verschil met vroeger is de wijze waarop deze tijdbesparende maatregelen worden doorgevoerd en gehandhaafd. De enorme waarde die de vrijgevochten generatie van de jaren zestig en zeventig ging hechten aan autonomie en zelfsturing zorgde voor een geheel nieuw soort 'tijdsdiscipline’. Mensen gehoorzamen namelijk niet zomaar aan de klok. Aan onze huidige stiptheid is een lange geschiedenis voorafgegaan. Willen we onze moderne, problematische verhouding tot tijd begrijpen, dan is het nodig iets dieper in te gaan op die historie van de tijdsdiscipline.

Het begin daarvan ligt ergens in de Middeleeuwen, achter de hoge muren van de kloosters. De monniken die daar leefden waren buitengewoon geïnteresseerd in mogelijkheden om de tijd te meten. Dat was namelijk een voorwaarde voor hun collectieve, religieuze discipline. Voor diegenen die hun leven aan God wijdden, was er een vaste tijd van opstaan, van eten, van werken, van slapen - en bovenal van heel vaak bidden.

Maar de door de monniken beoefende stiptheid diende ook andere doeleinden. Kloosters behoorden in de Middeleeuwen tot de belangrijkste economische eenheden. Sommige bezaten naast uitgebreide landerijen zelfs primitieve fabrieken en mijnen. Het waren centra van bedrijvigheid, waar talloze mensen hun brood verdienden. Tijd kostte hier daadwerkelijk al geld. Strikte gehoorzaamheid aan de klok betaalde zich uit.

In de middeleeuwse kloosters zien we dan ook het prille begin van onze moderne tijdsdiscipline. Daartoe moest een nieuwe moraal ontstaan. Luiheid was taboe. Wie te laat kwam, kon onverbiddelijk op straf rekenen. Gebrekkige tijdsdiscipline was binnen de kloosters immers een obstakel op de weg naar Verlossing - en een serieuze kostenpost. In middeleeuwse verhalen wordt dan ook gerept van kwade demonen die monniken overhaalden te blijven lummelen in bed. En hoe luidde de tekst van het kinderliedje ook al weer?

Vader Jacob, vader Jacob,

Slaapt gij nog? Slaapt gij nog?

Alle klokken luiden! Alle klokken luiden!

Bim bam bom. Bim bam bom.

Gezien de problemen die de vrome monniken hadden met de nieuwe tijdsdiscipline valt te begrijpen dat het gewone volk er al helemaal niets van moest hebben. Het vlees was lui. Hoe verder de economie zich ontwikkelde, hoe problematischer dat werd. De industrieel kapitalisten die vele eeuwen na de middeleeuwse kloosters opkwamen, gruwden dan ook van deze mentaliteit. Gelukkig voor hen waren zij niet de enigen. In hun pogingen hun medewerkers arbeidsvlijt bij te brengen, vonden de fabrieksbazen een krachtige bondgenoot in de kerk.

'Tijdverspilling is de eerste en principieel zwaarste van alle zonden’, zo zou later de beroemde socioloog Max Weber (1864-1920) de door hem beschreven 'protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme’ samenvatten.

Met name de religieus puriteinen deden er alles aan het volk stiptheid bij te brengen. Zo ging ene dominee Clayton in een pamflet uit 1755 te keer tegen alle mogelijke 'schandelijke tijd- en geldverslindingen’. Van arbeiders die zomaar wat rondslenterden door de straten tot theekransjes en - ach en wee - uitslapen; het was alles zonde wat de klok sloeg. Claytons oplossing lag voor de hand: dwing de arbeiders vroeg uit de veren te komen. Tijdig opstaan, schreef de dominee, 'brengt een precieze regelmaat in hun gezinnen, een prachtige orde in hun huishouden’. Claytons al even moraliserende collega John Wesley, van wie werd gezegd dat hij tot zijn tachtigste levensjaar elke ochtend om vier uur opstond, voerde nog een andere motivatie aan om zijn voorbeeld te volgen. Door 'zo lang tussen de warme lakens te blijven liggen, wordt het vlees zogezegd geblancheerd, en wordt het zacht en slap’.

De zo ontstane vroeg-industriële tijdsdiscipline werd begin vorige eeuw verder verfijnd. Een cruciaal jaar was 1913. Toen zette ene Henry Ford, voorheen horlogemaker van beroep, zijn eerste lopende band op. Een jaar later stelde hij voor de arbeiders aan die lopende band de achturige werkdag in. Het was een historische vooruitgang. In ruil daarvoor verlangde Ford wel wat terug: strikte discipline. Stipt aanwezig zijn en ijverig doorwerken voldeden daarbij niet langer. Om de productiviteit verder op te stuwen, was Ford zelfs bereid zich te bemoeien met het leven van zijn arbeiders buiten de fabriekspoorten. Wie thuis dronk of slordig was, zou op het werk immers ook minder goed functioneren, zo was de gedachte. Dus stuurde hij in 1916 sociaal werkers langs de huizen van 'zijn’ arbeiders. Die moesten controleren hoe het familieleven eruit zag, of er niet te veel gedronken werd en of Fords werknemers wel netjes hun tanden poetsten en hun handen wasten.

Alles was erop gericht om zo veel mogelijk arbeid te onttrekken aan de door Ford zo ruimhartig vergoede werkuren. Om dat te bereiken kon Ford gebruikmaken van een nieuwe methode van leidinggeven. Het scientific management won in die jaren snel aan populariteit in Amerika. De grote man hierachter was Frederick Winslow Taylor, waardoor ook wel gesproken wordt van 'taylorisme’. In 1911 zette hij de door hem voorgestane aanpak op bondige wijze uiteen in zijn klassieker The Principles of Scientific Management.

Het taylorisme kwam er kort gezegd op neer dat gespecialiseerde onderzoekers het arbeidsproces, of het nou om machinebouw of het huishouden ging, in talloze onderdelen ontleedden. Van ieder stapje werd vervolgens zowel een bewegings- als een tijdstudie gemaakt. Het uiteindelijke doel was alle overbodige handelingen te schrappen, en zo het arbeidsproces te versnellen. Een van de voorbeelden die Taylor opvoerde, was dat van Schmidt, een van oorsprong Nederlandse sjouwer die Taylor opmerkelijk genoeg neerzette als een domme kracht met Duits accent ('Vell, I don’t know vat you mean’). Naast deze Schmidt stond de hele dag een instructeur met een horloge, die hem vertelde wat te doen. Het is alsof die tegen een hond praat: 'Pak nu een stuk ruw ijzer en loop. Zit en rust. Loop - en nu rusten.’

Deze verstikkende, van bovenaf opgelegde tijdsdiscipline werd in de jaren zestig begrijpelijkerwijs onhoudbaar. Mede dankzij de alternatieve beweging is een geheel nieuw soort tijdsdiscipline ontstaan. Doordat mensen meer eigen verantwoordelijkheid en vrijheid wordt gegeven bij het uitvoeren van hun werkzaamheden ervaren wij tijdsdiscipline niet langer als een beknellend korset dat ons van buitenaf wordt opgelegd. Integendeel, we lijken zelf te bepalen hoe we onze tijd indelen en in welk tempo we werken. Het gevolg is dat de tijdsdiscipline niet langer hoeft te worden afgedwongen door een opzichter of een prikklok. Een belangrijk deel van de werkende bevolking heeft helemaal geen opzichter meer nodig die aanspoort om sneller te werken. En die prikklok hebben we misschien wel ingeslikt, want de nieuwe tijdsdiscipline komt van binnenuit.

Hoe belangrijk deze verinnerlijkte tijdsdiscipline tegenwoordig is voor het nieuwe kapitalisme blijkt wel uit de wijze waarop de samenleving omgaat met de minderheid van de Nederlanders die hier níet in mee kan of wil gaan. In het publieke debat wordt deze groep ook wel omschreven als de 'onderklasse’. Met die enigszins denigrerende en vooral vage term worden de meest uiteenlopende vormen van maatschappelijk onwenselijk gedrag aangeduid. Van langdurige werkloosheid tot obesitas, van kinderverwaarlozing tot slecht Nederlands spreken, van uitkeringsfraude tot de hond in het portiek laten poepen.

Het interessante is dat een belangrijk deel van wat als de 'onderklasse­mentaliteit’ wordt bekritiseerd met tijd te maken heeft. 'Ze’ brengen de dag nietsnuttend door voor de televisie, heet het. De leden van de onderklasse komen zelden op tijd en houden zich niet aan afspraken. Hun kennis en vaardigheden zijn verouderd. En - niet onbelangrijk - de kinderen gaan steevast te laat naar bed. Sommige sociologen menen dat de kern van het probleem is dat deze mensen de aansluiting met de moderniteit hebben verloren. Ze staan aan de 'verkeerde’ kant van de sociale tijdkloof. 'Allochronen’ zou je ze kunnen noemen.

Voor deze mensen, die niet de vereiste tijdsdiscipline tentoonspreiden, is er de opvolger van de fordistische welvaartsstaat, ook wel eens workfare state genoemd. Die activerende overheid heeft de rol van de dominees en de fabriekseigenaren overgenomen. Wie te laat komt voor een sollicitatiegesprek wordt gekort op zijn uitkering. Ouders wier kinderen spijbelen, dreigen hun kinderbijslag te verliezen. Speciale interventieteams nemen in steden als Rotterdam sinds een aantal jaren een kijkje 'achter de voordeur’ bij probleemgezinnen, net als in de goeie ouwe tijd van Ford. Met als grote verschil dat wie tegenwoordig werk heeft, juist zo min mogelijk wordt lastiggevallen.

Voor de volledigheid moet hierbij opgemerkt worden dat er ook nog zoiets is als een vagevuur, waar een groot deel van de Nederlandse werknemers in verkeert. Zij behoren niet tot de zogenoemde 'onderklasse’. Ze hebben werk, komen op tijd, houden zich aan afspraken. Toch worden deze mensen vaak als ouderwets gezien. Niet in de laatste plaats omdat ze grote gelijkenissen vertonen met de arbeiders in het vroegere, fordistische kapitalisme. Ze hechten bijvoorbeeld aan vaste ritmes. En aan een vaste baan. Het zijn, kortom, mensen die in de nieuwe economie al snel als te onflexibel worden weggezet.

En aan de 'goede’ kant van de tijdkloof? Daar staan de werknemers en zelfstandigen die wél de tijdsdiscipline volledig hebben geïnternaliseerd. Van hen zijn er steeds meer. Vaak gaat het om hoogopgeleide professionals die posities in het middenkader of management vervullen. Zij krijgen steeds meer ruimte om zelf te beslissen hoe, waar en wanneer zij hun taken uitvoeren. Daarmee zijn ze ook zelf verantwoordelijk geworden voor hun arbeidstijden en werktempo. Het verst gaan daarin sommige IT-­concerns. Bekend is het voorbeeld van Google. Het bedrijf achter de grootste zoekmachine ter wereld moedigt zijn werknemers aan één doordeweekse dag vrijelijk de eigen interesses na te jagen. Aan de creativiteit die dat losmaakt zijn onder meer nieuwe toepassingen als Gmail en Google News te danken. De klok en de kalender hebben bij veel van deze bedrijven afgedaan als controle-instrument. In plaats daarvan wordt de arbeidsproductiviteit afgemeten aan het al dan niet behalen van de 'targets’.

De rebellen van 1968 kunnen tevreden zijn: de moderne economie laat het individu meer ruimte. Of niet? Want de droom blijkt ook een keerzijde te hebben. Na de aanvankelijke euforie over het nieuwe werken komen de laatste jaren steeds meer serieuze nadelen aan het licht. Het blijkt dat samen met de eigen verantwoordelijkheid ook het risico groeit van fysieke en vooral emotionele zelfuitbuiting.

Een van de mensen die hier veel onderzoek naar verrichten, is de Duitse socioloog Nick Kratzer. Samen met collega’s speurt hij naar verklaringen voor aanzwellende problemen als stress en burn-out. Problemen waar vooral hoger opgeleide werknemers steeds vaker mee kampen. Hij legde in een gesprek hierover de schuld bij de moderne targetcultuur. 'Ondernemingen stellen steeds vaker lukraak doelen’, vertelde Kratzer me. 'Daarbij gaat het er niet om of die met de beschikbare mensen en middelen haalbaar zijn. Bedrijven willen gewoon meer, goedkoper en beter presteren dan de concurrentie.’

Het gevaar is dat organisaties voortdurend van bovenaf nieuwe, onrealistische doelen stellen. Vervolgens wordt het personeel er verantwoordelijk voor gemaakt die tijdig te bereiken. En als het misgaat, is de burn-out ook nog eens het probleem van de werknemer. Zo gaat de vers verworven vrijheid hand in hand met nieuwe dwang. Mógen we in de flexibele economie zelf over onze werktijden beschikken, of móeten we? Als we daadwerkelijk onze eigen baas zijn, zoals het tegenwoordig zo mooi heet, betekent dat dan dat we vrij zijn? Of dat we onszelf uitbuiten?

Dit is een voorpublicatie uit Neem de tijd: Overleven in de to go-maatschappij van Groene-redacteur Koen Haegens, dat op 15 maart verschijnt bij Ambo, 212 blz., € 17,95