De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Op de bodem van de grot

Walter van der Kooi ziet veel meer dan hij in zijn wekelijkse kroniek kan bespreken. Deze week: A Fool’s Paradise, een queeste van filmmaakster Saskia Vredeveld door Zuid-Afrika.

De filmmaker reist van Haarlem via Middelburg, Utrecht en Amersfoort naar Rotterdam. Ze onderzoekt vooral de sociale positie van etnische groepen en hun onderlinge verhouding. Het beeld schokt haar. Zoveel armoede, criminaliteit, rechteloosheid, verslaving, geweld, racisme, angst en haat. Wist u dat het zó erg was? Haar reis is bijna 2000 kilometer lang en die plaatsen zullen binnenkort anders gaan heten want die koloniale namen, gegeven tijdens de trektochten van de Afrikaner Boeren, worden vervangen door namen in eigen taal of talen. Nu pas. De reiziger heet Saskia Vredeveld en ze is ‘à la recherche du temps perdu’. Daarmee is haar film, A Fool’s Paradise, meer dan een (uiteraard sterk onvolledige) antropologisch-sociologische studie naar het Zuid-Afrikaanse platteland: het betreft ook een heimwee- en identiteitsproject. Ze is namelijk uit Nederlandse ouders geboren bij Kaapstad en op haar zeventiende gedwongen naar Holland gekomen vanwege remigratie van het gezin.

De bijna algemeen menselijke, voor de één lichte, voor de ander zware tragiek dat ‘vroeger’ niet meer bestaat en dat het ook, soms zelfs juist, niet meer terug te vinden is op de plaats waar we zijn opgegroeid (lees bij voorbeeld Orwells roman Coming Up for Air) wordt hier versterkt door de gigantische overgang van Apartheid naar post-Apartheid. En door het feit dat een als heerlijk ervaren jeugd zwaar besmet bleek. De schok van de overgang in 1976 van Kaapstad naar Amsterdam (niet het ‘modderige dorpje’ vlakbij Swaziland maar onze stad) was uiteraard al groot, maar hij werd versterkt doordat ze niet welkom bleek. In haar woorden: ‘Ik was het Zuid-Afrikaanse meisje, maar met de verkeerde huidskleur.’ En met verkeerd verleden en dito opvattingen. Althans, voor anti-Apartheid-kringen, die veel breder waren dan louter nekuitstekende activisten als Bosgra en Braam. En ja, ik kan me heel goed voorstellen hoe dat is gegaan. Wij proefden ieders nieren, van Duitser tot Spanjaard, van oud-Indisch-gast tot Afrikaner en wisten en weten het moreel gelijk aan onze kant. Wat altijd een fijn gevoel is en niet meer kost dan je aan contributies of donaties geeft. Saskia begon haar herkomst te verbloemen, te zwijgen. Van Mandela had ze vóór haar migratie nooit gehoord.

Vredeveld is eerlijk over hoe ze de werkelijkheid van Apartheid ervoer, die nu eenmaal dé werkelijkheid was die een kind aantrof, en die daarmee vanzelfsprekend was – tenzij je natuurlijk ouders hebt die daar kritisch met je over praten. Háár werkelijkheid was paradijselijk. Ze is nog eerlijker als ze zegt dat ze, toen ze jaren na vertrek het land voor vakantie bezocht en zwarte kinderen in ‘haar’ schooluniform zag lopen, geschokt was: ‘Het hoorde gewoon niet.’ En dat terwijl ze hier allang door onze antiracistische wasstraat was gegaan. En ze in haar tienerjaren bepaald niet tot de harde witte kern behoorde. In hun RK-kerk, die open stond voor ‘mensen van kleur’, leerde ze Christien kennen, ‘een bruin meisje’ van haar leeftijd, huishoudster bij een wit gezin. Het werd vriendschap en ze zocht haar eens per week in het huis van Christiens werkgevers op, ‘ook al mocht dat niet’. Toen Saskia’s boot naar Nederland vertrok zwaaiden alle witte highschool-vriendinnen haar uit. Christien niet (als die al vrij had kunnen krijgen), maar die twee bleven wel een tijdje schrijven. En hoe: ‘Saskia, mijn skat, ik mis je baie; ek hoop dat jij veel leert’. Maar Saskia had er na een tijdje geen zin meer in. Misschien ook omdat om geld werd gevraagd. Al horen we in een briefcitaat alleen een verzoek om ‘iets lekkers’, op de dag dat Christiens baby één is geworden. Vredeveld maakt haar schuldgevoel over dit ‘verraad’ tot een van haar hoofdlijnen. Vergeefs probeert ze Christien op te sporen. In de epiloog spreekt ze haar toe: ‘Spijt dat ik nooit meer schreef. Weet niet waarom. Misschien durfde ik niet en wist ik niet hoe met je om te gaan.’ Dat laatste is niet zo maar een ding: Apartheid verdoemde alle intermenselijke relaties. Haar tocht is er ook een op zoek naar harmonie, verbinding tussen mensen ongeacht huidskleur, afkomst, sociale positie – naar Mandela’s droom. Die is maar bar weinig te vinden. Is dat een erfenis van het systeem, net als eigen onvermogen tot een blijvende relatie met Christien?

Het verdriet daarover, en de zorg over land en mensen, klinken door in woorden én letterlijke en figuurlijke toon van haar zelfgesproken, frequente commentaar. Soms roerend, soms te uitgebreid en nadrukkelijk. Niet alleen omdat de journalistieke reisfragmenten en interviews voor zichzelf spreken, ook omdat het accent daardoor iets te sterk komt te liggen op haar eigen dromen, verlangens en vooral schuld en spijt. Die ik respecteer en die haar motor zijn; haar film is volstrekt integer. Maar soms denk ik toch ook: ‘Kom op Saskia, een pubermeisje heeft geen Apartheid nodig om een correspondentie te beëindigen.’ Ontelbare correspondenties tussen vrienden en geliefden bloeden langzaam of plots dood. Door te grote afstand, door het al dan niet moeizaam opbouwen van een nieuw leven.

In eigen ogen gaat Vredeveld zelfs in deze film nog in de fout. Ze is op bezoek bij een bejaarde witte vrouw, Drinie Blignaut. Die heeft al vijftien jaar Sarah (zonder achternaam) als huishoudster – ‘toch, Sarah’tje?’ Dan vertelt mevrouw dat Sarahs zoon arm en been is kwijtgeraakt toen het benzinestation waar hij werkte werd overvallen. Sarahs man zoop en sloeg en heeft haar verlaten. En Sarah voedt ook nog de twee dochtertjes van haar zus op, wier man is overleden. Sarah werkt door, zonder een woord, terwijl dit wordt verteld. Vredeveld: ‘Ik vergat Sarah te vragen naar haar verhaal; hoe voelt zij zich als er zo over haar gepraat wordt.’ De vraag is of Sarah had willen praten, maar ja, de kritiek heeft een grond. Die de maakster zelf laat zien en horen waarna ze het negatieve oordeel over zichzelf uitspreekt.

Met Drinie gaat ze naar de Nederlands Gereformeerde Kerk, die volgens dominee Rensburg voor iedereen openstaat. Maar de tradities verschillen, zegt hij (en daarom zit dus niemand met de kleur van Sarah in de kerk). Apartheid was een van de fouten van de NGK, wat ze betreuren en proberen recht te zetten. ‘Dat ontkennen de Afrikanen ook niet. We hebben sorry gezegd en door er altijd op te blijven hameren los je de problemen niet op. Onze kerk en school zijn nu openbaar.’

Hoezeer Vredeveld zich ook bewust is van de complexiteit van het land, ze wordt er toch door overvallen als ze, na de inleiding over haar autobiografie, haar queeste begint met een gesprek met zwarte studenten van de Universiteit van Kaapstad. De crew heeft zich nauwelijks geïnstalleerd of studente Simthandile Azania Tghali opent de aanval: ‘Ik zit op de bodem van de grot; die witte mannen daar, dat is de top van de hiërarchie; jij zit op hetzelfde niveau; jij praat vanuit een geprivilegieerde positie en dat is geïnternaliseerd racisme.’ Ze spuwt haar woorden uit. De vraag die Vredeveld zichzelf kort daarvoor stelde, ‘hoe kan ik het goed maken?’, wordt meteen beantwoord: ‘Niet’.

Een reis vol pijnlijkheden. Met vijandschap en erger tussen de zwarte lower middle class in hun nette buurtje en de armen die hun hutjes daar tegenaan hebben gebouwd, elektra en nog veel meer stelen, brandstichten en geweld gebruiken. Met een burgerwacht in Rotterdam, die trots vertelt hoe zij criminelen in eigen gemeenschap te grazen nemen (gruwelijk) voor ze eventueel aan de politie over te dragen. Met middenklasse-witten op boerderijen die samen honden africhten en schiettrainingen doen. Met de witte onderklasse die werk noch inkomen kan vinden. Ondanks dat alles vraagt Vredeveld zich af of ze toch niet hier haar thuis moet vinden – het thuis dat ze sinds haar jeugd zo mist. Want iedereen heeft daar recht op. Waar je jezelf kunt zijn, zonder muren tussen mensen, zonder vooroordelen. Het heeft iets ontroerends maar ook iets bijna ergerlijk naïefs. Dan legt ze haar vraag, terugkeren of niet, voor aan een soort Afrikaanse priesteres. Die brandt kaarsen, barst uit in gebeden tot voorouders en de heer. En zegt dat Saskia het aan god en haar overleden ouders moet vragen, want die hebben haar niet voor niets meegenomen. Tja. Ik krijg toch het gevoel dat deze sessie, en de prominente plaats ervan aan het einde van de film, een poging tot Afrikaans-zijn is van de maakster. Nergens relativering. En dat het evenwicht tussen persoonlijke pijn en die van een complete samenleving soms te veel doorslaat naar dat eerste. Maar toch dapper en inzicht gevend.


Saskia Vredeveld, A Fool’s Paradise, KRO-NCRV 2Doc, donderdag 19 maart, NPO 2, 22.55 uur