Op de drempel

Anders dan Rembrandt had de kunstenaar van het ivoorreliëf in zijn tijd, rond 1200, nog geen begrip van perspectief. Toch voel je een zeker besef van ruimte.

Medium rp p ob 113 00
Rembrandt, De vlucht naar Egypte: Het oversteken van een beek, 1654. Ets, 93 x 144 mm © Rijksmuseum Amsterdam
Iets verderop komt Jozefs linkervoet, de tenen eerst, naar beneden op de drempel van Egypte

Een laatste keer kom ik weer terug bij dat kleine ivoren reliëf uit de Middeleeuwen waar ik het vorige week ook over had. De voorstelling is de Vlucht naar Egypte. Dat zijn dus, op een ezel, de moeder Maria, met de pasgeboren Jezus in haar armen (want zo beschermend hou je een baby vast) en de vader Jozef die voorop loopt. Zo is de scène. Ze zijn onderweg van Judea naar Egypte, als vluchtelingen. In het evangelie van Mattheüs, waar dit verhaal verteld wordt, staat verder niets over de omstandigheden van de reis. Meer informatie wordt er niet gegeven. Ze zijn onderweg. Maar voor een uitbeelding is meer nodig. Er moet wat te zien zijn. Dat soort dingen zijn er in de loop der eeuwen bij verzonnen door godgeleerden en bijbelexegeten. Predikers moesten het verhaal spannend vertellen en moesten het daarom aankleden met pakkende details – over het landschap bijvoorbeeld of dat Maria op een ezel zat. Dat was aannemelijk, want ze was zojuist bevallen. Natuurlijk hebben ook kunstenaars, die het verhaal in beeld moesten weergeven, er dingen bij bedacht. Dat waren dan dingen die pasten bij hoe zij, in hun stijl, de uitbeelding van het verhaal voor zich zagen.

In zijn ets van 1654 verkoos Rembrandt de gebeurtenis karig te verbeelden: moeder en kind op de ezel in ogenschijnlijk onherbergzaam terrein. Maria is in dikke kleren gehuld. Daarin houdt ze Jezus, zijn hoofdje nauwelijks zichtbaar, tegen zich aan geklemd. Haar gelaatsuitdrukking is vermoeid en sip. De weg gaat door water. Voorop gaat Jozef. Hij houdt de ezel stevig bij zijn halster terwijl hij met zijn stok behoedzaam in het water voelt hoe diep het is. Natuurlijk, bij Rembrandt, is het donker. Op Maria valt een vaal licht, van de maan door een open plek in de wolken. Volgens de overlevering was Jezus eind december geboren. Nu was het begin januari en in de atmosferische verbeelding van Rembrandt was het vroeg donker, en koud. De ets zo zwart en grijs krassen, met hoofdzakelijk droge naald, om daarmee die barre atmosfeer op te roepen, was nu juist wat hij graag deed en beter kon dan wie dan ook. De gekraste lijnen zijn wendbaar door elkaar geweven, tussen donker en donkergrijs. Het handschrift in de ets kolkt met ruimtelijke beweging.

Small img 5218
Het middenstuk van een kam waarvan de tanden zijn afgebroken, ivoor, gemaakt ca 1200 in Franken, wellicht Bamberg. 8,5 x 7,5 cm © Museo Nazionale del Bargello, Florence

In zijn tijd, rondom het jaar 1200, was de kunstenaar van dat plaatje ivoor nog niet zo ver. Hij had nog geen begrip van het perspectief. Toch zie en voel je, in de voorzichtigheid van de formulering, dat hij een zeker besef van ruimte had. Ik stel me hem voor als hij op dat bleek glanzende, ivoren oppervlak aan het krassen en schuren en slijpen is. Hij weet welke figuren in de voorstelling moeten gaan voorkomen en hij kan vormen afkorten zodat het beeld niet verward raakt. Terwijl hij zo werkt, langzaam en nauwkeurig (omdat ivoor ook kostbaar was), begint hij te zien wat hij maakt.

Kijken we nog eens naar die ontroerende passage, midden in het tafereel, waar de kop van de ezel de slanke zuil passeert – die verder naar boven als ze buigt ook een boom blijkt te zijn. Ook nog voor die zuil/boom zien we de statige, zelfs stijve gestalte van Jozef naar links schrijden en dus voortbewegen in de richting van Egypte. Dat ze daar aankomen en dat dan honderden afgodsbeelden hals over kop wegvluchten omdat Jezus eraan komt – dat was de gewone versie van het verhaal (met toevoegingen) die de ivoorkunstenaar volgde. Zo was zijn cultuur.

We zien de schouder van Jozef nog voor de boom voorbij komen, maar het zijn de ongelijke en asymmetrische voetstappen waaraan wij merken dat die figuur echt lijkt te bewegen. Zijn rechtervoet gaat omhoog. Die zien we dan vooral ook via de hiel. Die beweging gaat omhoog. Iets verderop komt de linkervoet, de tenen eerst, naar beneden op de drempel van Egypte. Ik denk dat de kunstenaar begonnen is met een schema van de voorstelling waarin de figuren opgesteld stonden. Jozef in een soort nis zoals de profeten naast elkaar staan in de luisterrijke portalen van middeleeuwse kathedralen. Maar deze kunstenaar keek goed terwijl hij doende was met de fragiele gelaagdheid van het reliëf. Hij zag dat door de voetstappen van Jozef en niet te vergeten het stappen van de ezel er momenten in zijn tafereel ontstonden die een beweeglijker ruimte suggereerden.