Essay: De mythe van Nederland

Op de Gazelle ten onder

De mythe van Nederland is de mythe van de zelfredzaamheid, met een biertje toe. In het buitenland kijkt men daar vreemd tegenaan. Daar vecht men, om te winnen. Nederlanders vechten niet. Ze zouden eens verliezen.

Nederland kent een aantal zaken die de rest van de wereld interessant vindt. De Nederlandse vrouw bijvoorbeeld. Zij heeft een gaaf gebit, een opgeruimd humeur, is in bezit van haar eigen fiets, zorgt voor zichzelf en onderhoudt een leuke vriendenkring. Als ze iets wil, zal ze niet laten dat hardop te zeggen. Ze heeft natuurlijk, als alle vrouwen in de wereld, dromen. Maar die van de Nederlandse vrouw zijn nooit onhaalbaar en dat is prettig samenleven.

De buitenlander kan alleen maar kijken naar deze verrukkelijke wezens die frisgewassen binnenkomen en niks van de neerslachtigheid uitstralen die zoveel vrouwen kenmerkt die in de licht neerwaartse spiraal van eeuwige dienstbaarheid aan de man opereren. Wie te lang kijkt naar deze op het eerste gezicht doodnormale vrouwen zal allengs beginnen te hallucineren. Ze zenden onafhankelijkheid uit.

Toch waren deze vrouwen ooit het ondergeschoven kind, behoorden ze tot een groep die zich via een langzame, taaie strijd uiteindelijk de rechten heeft verworven die deze groep nu heeft. Het enige waar de Nederlandse vrouw nu voor moet oppassen is dat ze niet te verwend wordt. Dit kan makkelijk gebeuren zodra ze vergeet dat haar doel altijd zo scherp geformuleerd is geweest juist omdat er een wereld te winnen was. De verworven zelfredzaamheid kan makkelijk voor zelfgenoegzaamheid worden aangezien.

Dat geldt ook voor de rest van Nederland. Zelfredzaamheid is wat Nederlandse vrouwen en mannen gemeen hebben. De Nederlanders lijken daarin net de smurfen: ze hebben zelf alles in huis en kunnen alles zelf. In Nederland doet iedereen gewoon en we zijn er trots op. Hoe zou het toch komen dat captains of industry, ministers, artsen en al die andere gewone mensen zich zo op de borst slaan dat ze af en toe zelf in de tuin onkruid hebben gewied, een muurtje hebben doorgebroken en ga zo maar door? Egalitair doen (en misschien stiekem niet zijn) is een voorwaarde om in Nederland te kunnen existeren. Een milde, bijkans uitgeholde vorm van pacificatie is het. We plukken daar de vruchten van in de vorm van maatschappelijke rust.

Als hobby’s de bovenbouw zijn van Nederland, wat is dan de onderbouw?

Iets wat Nederland heeft en andere landen niet, zijn de lange, dunne sloten die weer verbonden zijn met kanaaltjes die weer uitkomen op meertjes die weer uitkomen op Elfstedentrajecten. Elk kind in de wereld moet leren op twee benen te staan, maar een Nederlands kind krijgt dan ook meteen de schaatsen ondergebonden. Je afzetten tegen het ijs om ermee in harmonie te blijven, is een van de manieren waarmee je een plek in de samenleving wint. Dat je af en toe op je neus valt, de bocht te ruim neemt, door het ijs zakt, het hoort er allemaal bij in de lange weg naar zelfredzaamheid op het ijs. De onderbouw is ijs. De manier waarop je je erop redt, maakt de Nederlander.

Een ander ding dat Nederland interessant maakt, is Schip hol. Het is een van de meest verbazingwekkende plekken in Nederland. Je vindt er alles waar Nederland voor staat. Het verdient vanwege zijn pulserende kracht dezelfde status aparte die de Antillen ook hebben. Schiphol is een hoogvlieger. Zijn arrogantie is on-Nederlands en dat kan ook bijna niet anders, want het vliegtuig, dat ding dat steeds hoger wil, was geen Nederlandse uitvinding. Toch heeft Schiphol met het schaatsen gemeen dat zijn oorsprong prozaïsch is: het zet zich af ten opzichte van zijn omgeving en komt daarmee vooruit. De dynamiek van Nederland wordt bepaald door zijn vermogen geografische platheid als platform te gebruiken voor niet-aflatende beweging. Waarom lukt het niet dit beeld aan het buitenland te communiceren?

Zo makkelijk als het is om naar binnen toe de positieve waarden aan te stippen, ze op te noemen en ze ook wat belachelijk te maken, zo moeilijk is het om je eigen identiteit als Nederland te bewaren in het buitenland. Waar het om gaat is: welke indruk willen we achterlaten bij de ander. Omdat elk antwoord op de vraag via de weg van het realisme loopt, moeten we ons afvragen: welke indruk laten we daadwerkelijk achter op de ander? Het beeld dat we willen achterlaten is dat we een volk zijn dat ergens voor gestreden heeft, dat ook zijn portie ellende heeft gehad, maar uiteindelijk er toch bovenop is gekomen. Op deze manier kom je over als een baken van licht in een zee van duisternis, een land waar andere landen een voorbeeld aan kunnen nemen. De andere kant van de medaille is dat je overkomt als een land dat zich zo bewust is van zijn voorlijke positie dat het afschrikt.

Nederland lijkt te zeggen: we hebben niks nodig, we doen het zelf wel, we pakken het wel aan, wij lossen dit probleem wel voor u op. Nee, dank u, ik red mezelf wel. Als er iets naar voren komt in het zelfbeeld, dan is het die zelfredzaamheid. Of het nu over de Nederlandse vrouw, schaatsen of Schiphol gaat, de constante is de drang om op twee benen te staan.

Waar komt die drang precies vandaan? Een van de oor zaken lijkt te liggen in Nederlands lastige relatie met dat buitenland. Nederland is teleurgesteld in de wereld. Dat komt, kort gezegd, door de geschiedenis. Toen dit land hulp het hardst nodig had, werd het in de steek gelaten, niet begrepen, opstandig genoemd en nog wat van die zaken waarmee je je tussen 1500 en 1600 niet populair maakte. Elke poging van zijn kant om de soevereiniteit in handen van een hogere heer te leggen, werd de grond in geboord.

Op zichzelf teruggeworpen ging de Republiek aan de slag om de anderen wat te laten zien. Ze wilde de beste zijn. Niet alleen naar binnen toe, maar de allerbeste in de hele wereld. Ze wilde slimmer, listiger, vooruitstrevender zijn dan de anderen. Nederland werd avant-gardist avant la lettre: elke pas die het zette op het geschiedenispad was goud waard.

Voor deze bloody mindedness heeft Nederland veel waardering gekregen uit het buitenland, maar Nederland zelf heeft er nooit veel mee gedaan. In de twintigste eeuw heeft het ingezien dat klein zijn een kracht is en dat daar niet al te veel woorden aan vuil gemaakt hoeven te worden. Liever bescheiden: dat siert de mens. Maar wat een mens siert, siert een land vaak niet. Zijn competitiedrift is in de Nederlandse hervormde kerk helaas nooit hardop geprezen, uit angst voor de toorn Gods.

Toch is er trots en die gaat altijd vergezeld van een biertje.

Net als andere landen heeft dit land zijn godsdiensttwisten, radicalisme, etnische zuiveringen, economische crises en natuurrampen gehad. Het is door keer op keer de mouwen op te stropen erin geslaagd er bovenop te komen. En wanneer die mouwen weer zijn afgestroopt en om het succes mild te vieren een biertje uit de koelkast wordt getrokken, kijkt men om zich heen en ziet dat de rest van de wereld nog steeds doorsukkelt. Dit biertje is cruciaal, want het is de gesublimeerde vorm van een koningskroon voor de gewone Nederlander. Door een biertje aan te bieden, sluit hij de dag af en kroont hij zichzelf. Het biertje staat voor ontspanning, maar is eigenlijk een overwinningssymbool. Waarom ligt de wereld zo overhoop met zichzelf terwijl je ook na gedane zaken in de achtertuin een biertje kunt drinken?

Met het biertje komt ook tevredenheid.

We zouden het liefste zien dat de wereld wat meer weg had van Nederland. Wie zo denkt, gelooft dat zijn land af is.

We begrijpen eigenlijk niet waarom de rest van de wereld niet is geworden zoals Nederland. Waarom organiseren al die landen — Afrikaanse landen, landen in het Midden-Oosten en België — hun samenleving niet zoals wij hebben gedaan? Het buitenland heeft ook recht op een gouden eeuw. Waarom zijn andere landen niet mooi bijeengeharkt, waarom ontbreekt er in Italiaanse overheidsgebouwen een koffieapparaat, waarom moeten Latijns-Amerikaanse landen ook als het om geldzaken gaat door emoties worden overmand?

Het is dat er bier is, anders was de keel droog geworden van al die waarommen. En ’s avonds dromen we van een machtig rijk dat iets weg heeft van Amerika (exclusief de indianen) en de Sovjet-Unie (inclusief de dichters) en dat in het verlichte eigenbelang van de ander in een diplomatenklasje de les leest.

Ho, zegt het buitenland, word wakker! Als er iets niet kan in de mêlee van landen — landen die buiten op ons wachten, die we elke dag weer doorkruisen, met wie we in contact treden omdat ons eigen land te klein is om er al te lang in te verdwijnen — dan is het hun je eigen wil proberen op te leggen. Toch is er die drang die de Nederlander tot de Nederlander maakt die hij is: de drang om mensen op hun eigen verantwoordelijkheid te wijzen. Omdat het niet hoort, houden we onze mond, maar we zouden het willen zeggen.

Hier begint het te schuren. Want staat het ontkennen van die realiteit niet gelijk aan zelfmoord? Loop je niet de kans om als natie helemaal geen sporen achter te laten? Verdwijnt Nederland niet zodra het zijn goede bedoelingen maskeert?

Die zelfredzaamheid mag niet worden uitgewist. Die zelfredzaamheid heeft geboorte gegeven aan een generatie van leuke vrouwen, aan Marco van Basten, Joop van den Ende, Smit Tak. Wat gebeurt er echter als die drang toch naar buiten komt? Een voorbeeld: een van de grappige ontwikkelingen van dit moment is het Nederlandse verzoek aan alloch tonen om meer zelfredzaamheid. Allochtonen moeten diezelfde drang voelen die Nederlanders al van oudsher in zich dragen. Meer en meer beginnen allochtonen het buitenland van Nederland te worden. Verkeerde de Nederlander tijden lang in de luwte, met de koloniën veilig op afstand (die in kleine porties werd verteld dat zelfredzaamheid in het algemeen belang was), nu wordt men direct geconfronteerd met wie men is en welke indruk men wil achterlaten. De allochtoon antwoordt namelijk terug. Hij kaatst de bal, soms in heel goed Nederlands. De reactie is er een van expansiedrift: waarom zijn jullie niet zoals wij? Een legitieme vraag. Waarom zijn we niet allemaal Nederlanders?

Dat wordt vaak uitgelegd als het opgeheven vingertje. Vreemdelingen in eigen land slikken dit zolang ze op een dag ook het vingertje mogen heffen. Maar in het buitenland word je hierom genegeerd. Nederland is te trots om zich in de rol van bemiddelaar te laten drukken én te weinig machtig daarvoor. De rationele instelling van Nederland maakt het moeilijk zich op verbeeldingsrijke wijze in te leven in de eeuwenlange, slepende problemen van anderen. Bovendien kun je niet het medicijn dat je zelf gebruikt om er bovenop te komen aan iemand adviseren die een andere ziekte heeft.

Een van de manieren van Nederland om problemen aan te pakken is het opstellen van een rapport. Wat als we dat rapport-denken zouden toepassen op Algerije? De schuldvraag lijkt duidelijk. De islamisten zijn de terroristen. De staat beschermt de burger. Oplossing: de staat moet niet alleen via militaire maar op alle mogelijke manieren het kwaad met wortel en tak zien uit te roeien. Een van de manieren waarop men dat kan doen is het onderwijs aan te pakken. Een andere manier is een begin maken met een echte civil society. Er moet een rapport gemaakt worden, door buitenstaanders die harde oordelen mogen vellen, dit alles om de zelfredzaamheid te verstevigen. Op basis van dit rapport gaat men aan het werk via rationele en verlichte weg. Niemand in Algerije die ook maar een seconde in het rapport zal geloven. Zaken van leven en dood horen niet in rapporten. Waar bemoeit het buitenland zich mee?

Een ander idee is om de VN te laten interveniëren. Dit zou Algerije nooit toestaan, men is al een keer een departement geweest. De voorstellen van Nederland komen uit een goed hart, maar zullen allemaal koud op Algerijnse daken vallen. Een rapport lijkt in de ogen van de Algerijnen een welhaast perverse actie. Daarnaast zal de staat zelf zeggen: een rapport zal vernietigend uitpakken voor ons en we zullen daarmee alle krediet verspelen. Nee, dank u.

Wie rapporten opstelt, denkt dat goed en kwaad relatief zijn, onderzoekbaar, in een schema in te passen. De rest van de wereld heeft moeite met die gezonde vorm van kijken naar de wereld. De rest van de wereld denkt polair. De duivel en God houden elkaar in een wurgend evenwicht. Het is naar om te zeggen, maar juist die wurggreep zorgt voor harmonie.

Bipolariteit is helemaal terug van weg geweest. Iedereen is in de globale wereld een tegenstander geworden. De wereld is zwart of wit. Dat is niet alleen makkelijk, het werkt ook. Je kunt die bipolariteit op twee manieren opvatten: als een versimpeling van de complexe wereld of als een soort van kleine arena waarbinnen van alles en nog wat uitgevochten kan worden. De bipolariteit biedt dynamiek en bewegingsruimte. Via de weg van de bipolariteit weet je tien keer sneller waar je aan toe bent dan via de weg van het rapport. De sport wordt dan ook steeds meer een leidraad voor ons handelen. Een elftal gaat het veld in met een shock and awe-tactiek, de strategie is erop gericht de tegenstander te demoraliseren. Het gaat erom de kleine voorsprong te consolideren. Beter geniepig gewonnen dan fantastisch gespeeld en toch verloren. Men moet elkaar blindelings kunnen vinden in het veld.

Het zelfbeeld van de Nederlander komt in de bipolaire wereld een beetje in de clinch. Omdat Nederlanders zo hechten aan zelfredzaamheid vinden ze competitie eigenlijk vies. Competitie is voor Amerikanen en hun provincies. Via samenwerking is veel meer te bereiken.

Tegenstanders, iemand om ons tegen af te zetten: dat is toch ouderwets? Het wordt niet echt als voorlijk gezien om je steeds maar weer af te zetten tegen een ander. Tegenstanders hebben ziet men als een vorm van afhankelijkheid. Het saboteert de zelfredzaamheid. Tegenhangers hebben wel weer andere voordelen: zo stimuleren ze om het beste uit jezelf te halen, in een bipolaire wereld vallen excellerende personen sneller op, in een bipolaire wereld hebben mensen met grote ideeën meer kans dat er naar ze wordt geluisterd. Het aardige van een bipolaire wereld is dat ze zich er veel meer van bewust is dat ze afhankelijk is van een ander, dat de weg naar de synthese uiteindelijk gaat via herkenning, samenwerking en wederzijdse afhankelijkheid. Wie toch al zelfredzaam is, heeft in die bipolaire wereld weinig te zoeken.

Maar tegen wie moeten we ons dan gaan afzetten? Het grappige is dat de laatste keer dat Nederland zich massaal afzette, dat leidde tot de Republiek, tot de natie waar men eeuwenlang baat bij heeft gehad.

Er moet dus gezocht worden naar een nieuwe vijand. Ik noem er een paar.

België. Is dichtbij, ligt met zichzelf overhoop en het merendeel van de inwoners zou het niet erg vinden als er Nederlandse fikkies werden gestookt. We waren België al voorbij gestreefd? Dat dachten we. België is met een inhaalslag bezig juist omdat het zich altijd tegen Nederland heeft moeten afzetten. België zal snel voorop gaan lopen. In de literatuur en mode is dat al gebeurd. De stille oorlog is door België gewonnen. België zal beter gekleed en welbespraakter op het slagveld verschijnen.

Laten we dan de oorlog verklaren aan Duitsland. Als een soort van Wiedergutmachung. Een echte. Duitsland heeft daar weinig tegen in te brengen. Toch is ook dat ridicuul. Sinds Berlijn de Dance Parade heeft, is Duitsland te hip geworden om tegen te vechten. Je kunt je moeilijk afzetten tegen iets wat de eigen jeugd leuk vindt. Die Dance Parade bindt Europa op veel meer manieren dan enig reclame bureau zou kunnen. De reclamecampagne «Europa, best belangrijk» had eigenlijk moeten zijn: «Europa, dit weekend lekker dansen».

Spijtig genoeg kan men het zonder gezonde competitie in het buitenland wel schudden. Want bikkelen, elke keer weer met een mythe in de weer zijn om die eronder te krijgen, dat is voor 99 procent van alle landen toch de jeu van het spel. België bijvoorbeeld heeft altijd met de mythe van Nederland geworsteld en zie daar: over een paar maanden wint Hugo Claus de Nobelprijs. Hij zal zeker in zijn Nobelprijs toespraak een verwijzing maken naar Nederland dat zich altijd uitstekend heeft gered.

Maar wie goed kijkt, ziet wel dat er binnen Nederland een kleine oorlog aan de gang is. Het is een heel subtiele oorlog die heel lang duurt, die het voordeel heeft dat er geen doden vallen. Het is een oorlog tussen idealisten en realisten, tussen witten en niet-witten. Ik zou het zelfs een softe burgeroorlog kunnen noemen zoals die alleen in Nederland uitgevochten kan worden: met een biertje erbij.

Onze mythe is de mythe van de zelfredzaamheid. De mythe van het buitenland is dat te allen tijde voorkomen moet worden dat het andere land er met de pluimen vandoor gaat. Als Nederland een voetbalwedstrijd verliest, is de onderliggende toon: wij waren toch het team dat zijn zaakjes het best op orde heeft, goede organisatie, goede spelers die allemaal voor zichzelf kunnen zorgen. Hoe komt het dan toch dat we niet hebben gewonnen? Dat komt doordat de wereld er een is van competitie waarin soms de zwakkere wint van de zelfredzame omdat de zwakkere veel liever wil winnen. Wie niet wil winnen, moet thuisblijven.

Boksen loont de moeite, veel meer dan als een verheven Salomon boven de partijen proberen te staan. Op dezelfde manier gaat men om met allochtonen: de roep om zelfredzaamheid is belangrijker dan de uitnodiging tot competitie. Men zegt niet: durf maar beter te zijn dan wij, laat maar zien wat je kunt, probeer ons maar te verslaan. Men zegt: probeer te zijn als wij, zorg ervoor dat je stoep netjes blijft. Verregaande zelfredzaamheid leidt tot verregaande wereldvreemdheid. Wie de tegenstander echt uitdaagt, zou wel eens kunnen verliezen en de Nederlander kijkt daar in eigen land wel voor uit.

Nederland heeft nooit zonder het buitenland gekund en heeft zich nooit illusies gemaakt over zijn grootte. Maar iets van zijn grandeur als het gaat om excelleren, om bijdragen te leveren aan de wereld, heeft een tijdje terug — ik weet niet precies waar — het onderspit gedolven tegen de trots op de zelfredzaamheid.

Dit zou negatief kunnen zijn, ware het niet dat er uit die stille burgeroorlog een nieuwe, verfrissende orde naar voren kan komen. Zelfredzaamheid die erin bestaat dat iedereen recht heeft op een hobby is maar de helft van het verhaal. Een zelfredzame samenleving moet wel blijven presteren, moet de drang blijven voelen er boven uit te steken.

Tot die tijd kunnen we na gedane zaken lekker in de tuin zitten om een biertje te drinken terwijl we een Nederlandse vrouw op een Gazelle-fiets richting huis en haard zien trappen. Als zij moet kiezen tussen óf een man met een lichte handicap, die haar overdondert met liefdesaubades, die voor haar vecht en zich niet laat afschrikken door belemmeringen, óf de ideale schoonzoon van twee deuren verderop inclusief hobby en stereotoren, dan is zij een dief van haar eigen portemonnee als ze voor die laatste kiest.