André van der Louw, 9 augustus 1933

Op de huid van de tijd

Toen André van der Louw in 1974 burgemeester werd van Rotterdam was een van zijn eerste beleidsvoornemens dat op 1 mei voortaan de rode vlag zou wapperen op het stadhuis aan de Coolsingel.

De laatste keer dat dit was voorgekomen, was in de stormachtige dagen van november 1918, toen Rotterdam onder leiding van de oud-liberale burgemeester mr. A.R. Zimmerman als enige stad in het land onder de indruk was van de oproep tot revolutie van socialistenleider P.J. Troelstra («Grijpt de macht, die u in de schoot geworpen wordt en doet wat gij moet en kunt doen») en in naam van een «ordelijke overgang naar socialistisch bestuur» de rode vlag uithing.

Kortom, het ging hier om een gebaar van enige historische betekenis. Van der Louw, die beschikte over een college van louter PvdA-wethouders (een «programcollege» heette dat) zag zich even later gedwongen de rode vlag te vervangen door de Nederlandse driekleur, want er was toch nog kritiek bij de vleet. De toon was niettemin gezet. Onder zijn bestuur genoten de Rotterdamse gemeenteambtenaren op 1 mei een vrije dag, een maatregel die inmiddels niet meer geldt.

Maar was het Rotterdam van André van der Louw werkelijk zo socialistisch? En als dat zo was, waarom is de stad dan veranderd in het epicentrum van het «fortuynisme», de enige plek in het land waar de collectieve roestoestand die in mei 2002 vat kreeg op Nederland in een hardnekkig residu is blijven liggen? Is er wel zo’n discrepantie tussen het rood van Van der Louw toen en het «shocking pink» van Leefbaar Rotterdam nu?

André van der Louw was iemand met voorliefde voor symbolen en clubgeest, zoals hij uitlegde in zijn memoires Op de huid van de tijd. Om die reden was deze zoon van een melkboer in Den Haag als jongeman toegetreden tot de gelederen van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC), de socialistische jongerenbrigade. Die beschikte over uniformen en clubliederen en liep 1 mei-optochten. Van der Louw wist met het gemak dat zijn gehele loopbaan zou tekenen de AJC al snel naar zijn hand te zetten. Onder zijn leiding verruilde de AJC tijdens de AJC-dagen op de Paasheuvel in Vierhouten volksdans en sinaasappelsap voor rode wijn, Franse chansons en jazzmuziek. «Deze man mag niet langer geacht worden een leidende functie te bekleden», protesteerde AJC-bestuurslid Tim Koopmans. Maar Van der Louw won het pleit en de AJC hield al snel op te bestaan.

Volgde de journalistiek. Van der Louw werkte bij de Vara-gids, richtte het jongerenblad Twen op en was redacteur van legendarische jaren-zestigtitels als Hitweek en Aloha, waarin de Nederlandse jeugd op revolutionaire wijze werd bijgepraat over uiteenlopende fenomenen als lsd-trips, de verhoudingen te Soestdijk en de nieuwste elpee van Bob Dylan. «Om een revolutie te doen slagen moet je eerst de mensen revolutionair maken», was Van der Louws parool. In die tijd ondertekende hij nog een artikel met als boodschap dat burgemeester Van Hall van Amsterdam onverwijld moest «oprotten». Met Nieuw Links, de jonge-rebellenclub van de PvdA, publiceerde hij het manifest Tien over rood. Het was zijn lancering in de partijpolitiek.

In 1969 kon Van der Louw op een rumoerig PvdA-congres zijn eerste grote overwinning vieren als aanvoerder van Nieuw Links. Het PvdA-bestuur ging uit vrees voor het powerplay van de jonge garde akkoord met de door Nieuw Links geëiste onvoorwaardelijke erkenning van de DDR en omarmde tevens het punt dat fascistisch Portugal wegens de koloniale oorlogen in Afrika uit de Navo diende te worden gezet. Van der Louw deed na die overwinning zijn fameuze «berendans». De nog jeugdige maar besnorde en gezette politicus, in zijn rode coltrui op het eerste gezicht meer een door Dick Holthaus aangeklede zeerover dan een brenger van het revolutionaire woord, reageerde alsof Ajax gescoord had, schreef Henk Hofland.

Een jaar later werd Van der Louw voorzitter van de PvdA. Nieuw Links werd meteen opgeheven. Conservatief Nederland sidderde: een ultieme radicaal, uiterlijk een als twee druppels water gelijkende reïncarnatie van Josif Stalin, was hard op weg de PvdA van binnenuit te veroveren.

Vijf jaar later werd Van der Louw op 41-jarige leeftijd burgemeester van «rood Rotterdam». Vanzelfsprekend ging die benoeming met de nodige controverses gepaard. De Rotterdamse CDA-voorzitter H.J. Viersen sprak van een «volstrekt onacceptabele benoeming» en voorspelde dat confessionelen in Rotterdam onder Van der Louw «uit bestuurscolleges zouden worden geweerd als ratten met vlektyfus».

Het stadhuis aan de Coolsingel staat er majestueus als altijd bij. Nog steeds poseren Rotterdamse bruidsparen er trots op de trappen. Binnen heerst nog altijd die sfeer van monumentale bureaucratie in verlaten gangen, alsof je een roman van Bordewijk binnenloopt. Van der Louw was hier zeven jaren heer en meester. Het was zijn persoonlijke hoogseizoen. Eigenlijk had hij in 1981 helemaal niet uit Rotterdam willen vertrekken. Maar de druk vanuit de PvdA om als minister van CRM toe te treden tot het kabinet-Van Agt/Den Uyl was te groot. Tijdens zijn vakantie in Italië, aan de zijde van zijn PvdA-buddy Jan Nagel, werd de Rotterdamse burgemeester voortdurend gebeld door bigshots van de PvdA, onder wie Den Uyl zelf, met het dringende appèl naar Den Haag te komen. Van der Louw gold toentertijd als «kroonprins». «Van der Louw moest met twintig paarden Rotterdam uit worden getrokken», stelde Bram Peper later. De rest van het verhaal is bekend: het eerste kabinet-Van Agt (dat eigenlijk het tweede kabinet-Den Uyl had moeten zijn) kwam na een jaar ten val en inmiddels was te Rotterdam een nieuwe PvdA-burgemeester aangetreden: Bram Peper. Van der Louw begon een nieuw leven als voetbal- en omroepbestuurder. Als hij sprak over zijn tijd in Rotterdam gebeurde dat steevast met een steelguitar in de stembanden.

Het Rotterdam van Van der Louw verschilt veel, maar ook weer niet zo veel met het huidige Rotterdam. Etnische spanningen kende de stad ook toen al. In 1972, nog onder Van der Louws voorganger Wim Thomassen, leidt havenwerker Jan Spruit rond het Afrikaanderplein een kleine Kristallnacht tegen pensions van Turkse gastarbeiders. In de periode-Van der Louw bestaat er vooral grote onvrede over de Surinaamse rijksgenoten op en rond de Kruiskade. Dan al gaan in de gemeenteraad stemmen op over «spreidingsbeleid». De uiterste norm van «rijksgenoten en gastarbeiders» per buurt wordt in die periode geschat op vijf procent. Van der Louw staat in principe «niet onwelwillend» tegenover die plannen, maar wijst er wel op dat «als alle Surinaamse vrouwen en meisjes die werken in de Nederlandse ziekenhuizen zouden vertrekken, het hele gezondheidszorgstelsel in één klap in elkaar zou storten».

De grootste hobbel in zijn bestaan als burgervader is de havenstaking van 1979. FNV-voorzitter Wim Kok dreigt dat jaar met een «hete herfst». In werkelijkheid is het najaar van 1979 bar koud. Op het Afrikaanderplein op Zuid – voor de gelegenheid omgedoopt tot «het rode plein» – komen dagelijks duizenden kleumende havenwerkers bij elkaar. Het gaat om de losse werkmannen, de sjouwers en de sjorders, zeg maar het voetvolk van de haven dat ten onder dreigt te gaan in het geweld van de almaar toenemende automatisering van het containervervoer. Ze staken voor een loonsverhoging van 30 gulden per week en een 35-urige werkweek. Een jonge, marxistisch-leninistische student-arbeider genaamd Paul Rosenmöller is een van de charismatische leiders van het stakingscomité.

Van der Louw, zelf zoon van een militante vakbondsman, beleeft zijn grootste crisis als burgervader van Rotterdam. De CPN vraagt hem te bemiddelen tussen de stakers en de havenbaronnen, maar dat weigert hij. Als burgemeester is hij tenslotte verantwoordelijk voor de politie, die klaarstaat om de «dweilploegen» – waarmee de stakers de werkwilligen uit de loodsen houden – van de kades te vegen. Uiteindelijk wordt de staking afgekocht met een extra toeslag en een verbeterde CAO. De laatste stakers worden op stadion Maashaven door de Mobiele Eenheid met de lange lat van de metrotrappen gejaagd.

Het was geen fijn gezicht, die grote bonkige havenmannen met bebloede schedels voortgedreven te zien worden als wilde dieren. Niettemin rekende Van der Louw het tot zijn grootste verdiensten dat hij toen «erger heeft voorkomen» en dat de staking na vier weken «uitging als een nachtkaars». Het was zijn definitieve entree in de wereld van de Realpolitik.

Het Rotterdamse burgemeestersambt heeft vanouds een katalyserende invloed op de vorming van een superego. Alle anekdotes die tijdens de «bonnetjesaffaire» werden verteld over Peper circuleerden in ongewijzigde vorm ook over zijn voorganger Van der Louw. Misschien ligt het aan de besmettelijke omgang met de feodale havenbaronnen, misschien aan het feit dat Rotterdam tot voor kort het grootste sociaal-democratische bastion in de Lage Landen was, in ieder geval was het burgemeesterschap van Rotterdam een aparte royaltycategorie binnen de Rode Familie. De druk die de zorg voor het openhouden van ’s lands economische levensader – de haven – met zich meebrengt, zorgde bijna wetmatig voor een roestoestand die zelfs bij de meest grijze sociaal-democraat allerlei autocratische instincten wakkerriep. Daarbij zijn de democratische verhoudingen in de politieke constellatie van Rotterdam traditioneel gebrekkig uitgewerkt, met veel meer ruimte voor factoren als charismatisch leiderschap dan in welke andere gemeente ook. Het Rotterdamse burgemeesterschap was de ultieme power trip die men binnen de PvdA kon krijgen. Het was daarmee tevens de zwaarste persoonlijkheidstest.

Bram Peper ging aan die druk ten onder. Eenmaal uitverkoren tot opvolger van Van der Louw nam de introverte wetenschapper Peper langzaam maar zeker de vorstelijke schutkleuren aan die in zijn nieuwe omgeving gebruikelijk waren. Tijdens de affaire die hem de das om deed, riep Peper te zijner verdediging aan dat «de cultuur» die in zijn dagen gebruikelijk was in het Rotterdamse stadhuis hem in de penarie had gebracht. Het Rotterdamse burgemeesterschap bracht bijna verplicht megalomane trekjes met zich mee, die zich niet alleen manifesteerden in een meester-knecht-verhouding op de gemeentelijke werkvloer, maar ook zichtbaar werden in vrijmoedig declaratiegedrag in naam van een mentaliteit die zich nog het best laat omschrijven als «de stad, dat ben ik».

Van der Louw ging geen minuut onder die problematiek gebukt. Daar bleek die zeven jaren in elk geval niets van. De stad was van hem en de stad liet het zo. Misschien een kwestie van chemie. Van der Louw was met zijn natuurlijke jovialiteit en het gemak waarmee hij mensen kon bespelen van aanzienlijk ander hout gesneden dan Peper. Peper zag je zondags ook niet in de Kuip. Die lag dan als een socialistische Marcus Antonius in Wassenaar in de armen van zijn liberale Cleopatra Neelie Kroes. Feyenoorder Van der Louw was elke thuiswedstrijd in de Kuip aanwezig. Een even vertrouwde verschijning in het stadion als Gerard Cox. Dat hielp.

In zijn politieke ideeën sinds zijn tijd in Rotterdam evolueerde Van der Louw aanzienlijk. Goed, in 1975 lanceerde hij tot grote nationale consternatie het idee dat de PvdA het CDA maar moest vergeten als coalitiepartner en samenwerking moest zoeken bij klein links, inclusief de CPN. «Van der Louws Volksfront» heette dat toen. Gaandeweg nam de politicus Van der Louw echter een andere gedaante aan. Had hij als redacteur van Hitweek/Aloha nog gepleit voor «het recht op luiheid», begin jaren tachtig gold hij als de grote profeet van het «nieuwe realisme» binnen de PvdA. Als minister van CRM kwam hij als eerste met het idee van sociale dienstplicht voor jongeren. «Ik heb vroeger ook melk rondgebracht, dat heeft uitstekend gewerkt voor mijn opvatting in de maatschappij.» Bij wijze van represaille ploegden boze jongeren van het JAC de tuin van Van der Louws woning aan de Kralingseweg om. Vrij Nederland sprak van «Gesundes Volksempfinden». In die zin kan Van der Louws nieuwe realisme worden aangemerkt als een prelude op het fortuynisme.

Na zijn ministerschap van negen maanden probeerde Van der Louw weer voet aan de grond te krijgen in Rotterdam, en wel als voorzitter van het Openbaar Lichaam Rijnmond, een nieuw bestuursorgaan tussen gemeente en provincie in. Van der Louw was diep teleurgesteld toen het O.L. Rijnmond twee jaar later door toedoen van zijn voormalige strijdmakker Peper voortijdig werd afgedankt. Hij voelde zich verraden. Met de vriendschap met Peper kwam het niet meer goed, zoals hij zich verlaten voelde door wel meer PvdA-vrienden. Sindsdien fungeerde Van der Louw als een lone wolf binnen de partij.

Het is dan ook niet vreemd dat Van der Louw in de aanloop naar de raadsverkiezingen van maart 2002 opeens werd genoemd als lijsttrekker van de nieuwe partij Leefbaar Rotterdam. Het Leefbaar-concept was uitgedacht door boezemvriend Jan Nagel. Maar Van der Louw liet verstek gaan. Op de vergadering waarin de Rotterdamse Leefbaren Pim Fortuyn uitverkozen tot hun lijsttrekker zat Van der Louw wel vooraan en klapte hij enthousiast mee. Wellicht niet zozeer uit sympathie voor Fortuyn, eerder uit rancune tegen «Brutus» Peper, die uiteindelijk als favoriete kop van Jut fungeerde in de boutades van Fortuyn tegen het «paarse establishment».

Inmiddels zijn de Rotterdamse Leefbaren bijna vier jaar aan de macht in Rotterdam. In maart 2006 zijn er weer gemeenteraadsverkiezingen. De nieuwe sterke man heet Marco Pastors, oud-medewerker van Fortuyn toen deze verantwoordelijk was voor de distributie van OV-jaarkaarten aan het studentenvolk. Pastors trad in november af als wethouder Fysieke Voorzieningen omdat hij het niet kon laten het voortdurend over het islamitische gevaar te hebben. In een parochieblaadje van de Rotterdamse kerk verkondigde de wethouder dat «moslims hun religie vaak gebruiken als reden voor hun gedrag». Dat schoot het CDA, coalitiepartner van de Leefbaren, in het verkeerde keelgat.

Pastors’ ster schijnt na zijn aftreden stralender dan ooit. In Voetbal International – het waarschijnlijk meest gelezen blad in de doelgroep – prijst hoofdredacteur Johan Derksen hem als «een geniale man». In de polls schieten de Leefbaren na maanden van gesukkel opeens weer als een raket omhoog. Niet in de laatste plaats is dat te danken aan de bagger waarmee inlichtingendienst AIVD de partij bestookte via het tv-programma van Peter R. de Vries, die op zijn beurt weer wordt gesouffleerd door Bram Peper. Rotterdammers hebben een grote voorliefde voor de underdog.

De nooit meer te beantwoorden vraag blijft: wat was er met Rotterdam gebeurd als André van der Louw in 2002 daadwerkelijk lijsttrekker van de Leefbaren was geworden? Had hij dan net als in 1979 «erger kunnen voorkomen?»=André van der Louw, 20 oktober 2005.