Sarkozy en mei ‘68

Op de klinkers het asfalt

Een jaar geleden kondigde Nicolas Sarkozy aan de erfenis van ’68 te willen liquideren. Als om hem uit te dagen herdenken de soixante-huitards deze maand met een overweldigende stroom boeken hun revolte. Rebels zijn de voormalige studentenleiders echter niet meer. Schoot Sarkozy op een lijk?

Medium marijn kruk
3 mei 1968, Parijs. Daniel Cohn-Bendit © Jacques Haillot/Apis/Sygma/Corbis

In Frankrijk leeft Mei 1968 in ieder geval in de verbeelding van zijn president. Een jaar geleden, op een beslissend moment in de verkiezingscampagne, hield Nicolas Sarkozy een berucht geworden rede. Twintig minuten achtereen voer hij uit tegen ‘de erfenis van ’68’. De erfgenamen predikten een moraal waarin alles was toegestaan, respect niet meer telde en alles draaide om onbelemmerd genieten. Daarmee achtte hij ’68 verantwoordelijk voor de crisis in het onderwijs, voor de gezagscrisis van de staat, ja, zelfs voor de cultuur van gouden handdrukken en andere uitwassen van het kapitalisme. Hoog tijd dus om de erfenis, in de woorden van Sarkozy, te ‘liquideren’.

Precies een jaar later herdenkt Frankrijk de veertigste verjaardag van Mei ’68. Niet dat de studentenleiders van weleer van staatswege worden gedecoreerd. Het herdenken gebeurt vooral in documentaires op televisie, in krantenbijlagen, op symposia en in een eindeloze stroom boeken. Zo’n tachtig verschenen er. In de etalage van boekhandel Gallimard aan de Boulevard Raspail prijkt de foto die het symbool werd van de studentenrevolte: Daniel Cohn-Bendit die met zijn staalblauwe ogen een zwart gehelmde agent staat aan te grijnzen. Onweerstaanbaar is die lach nog steeds.

Studenten roerden zich in 1968 van Berlijn tot Japan. Toch was de Franse situatie in veel opzichten uniek. Door het relatieve happy end bijvoorbeeld. Er waren geen doden te betreuren. Een deel van de rebellerende studenten zocht zijn heil bij maoïstische bewegingen, maar Frankrijk zou, anders dan Duitsland, Italië of Japan, geen ‘loden jaren’ kennen. Tot terroristische acties kwam het niet.

Uniek was ook het samenvallen van de studentenopstand met een massale arbeidersbeweging. Niet alleen universiteiten, ook fabrieken door het hele land werden bezet, met als epicentrum de Renaultfabriek in Boulogne-Billancourt, waar Sartre de arbeiders vanaf een oliedrum tot een revolutie trachtte aan te sporen. Het resulteerde in de volgens metingen grootste staking uit de geschiedenis. Negen miljoen mensen (tweederde van de beroepsbevolking) legden het werk neer.

Anders dan in andere landen wankelde ook de macht in Frankrijk vervaarlijk. President De Gaulle, met tegenzin teruggekeerd van een staatsbezoek in Roemenië, maakte een besluiteloze indruk. Op het hoogtepunt van de protesten vloog hij per helikopter naar Baden-Baden (Duitsland), zijn ministers in vertwijfeling achterlatend.

Het ‘mei-moment’ ging snel voorbij. Op 30 mei marcheerden een miljoen mensen over de Champs Elysées om De Gaulle te steunen; tijdens de inderhaast uitgeschreven parlementsverkiezingen wonnen de gaullisten met overweldigende meerderheid. ‘Onder de klinkers het strand’ luidde een van de leuzen van de studentenopstand. Nu bedekten grote machines die voor altijd onder een dikke laag asfalt.

‘Niets was veranderd en alles was veranderd’, schrijft Cohn-Bendit in zijn vorige maand gepubliceerde boek Forget 68. Wat veranderde er precies? Wat was de betekenis van ’68? Naar goed gebruik wordt over die vragen in Frankrijk hevig getwist. De interpretaties stapelen zich inmiddels zo hoog op dat ze zijn als het spreekwoordelijke asfalt op de Boulevard Saint-Michel: ze hebben de eigenlijke gebeurtenis goeddeels aan het zicht onttrokken.

De twist over de aard van ’68 zette in op het moment dat het traangas was opgetrokken uit de straten van Quartier Latin. Tegenover het klassieke La révolution introuvable (1968) van Raymond Aron (die de opstand aanvankelijk als een ‘psychodrama’ had afgeserveerd), plaatsten Edgar Morin, Claude Lefort en Cornelius Castoriadis het minstens even klassieke La brèche (1968).

Bij deze auteurs overheerste het idee dat er iets groots en fundamenteel nieuws gebeurd was. De revolutie had dan misschien niet plaatsgevonden, maar de vloer was uit het gebouw gevallen. Er was een bres geslagen in het dichtgetikte, paternalistische en hiërarchische Frankrijk waar gaullisten en communisten sinds 1945 de dienst uitmaakten. Er werd afgerekend met een wereld waarin Cohn-Bendit zich noodgedwongen liet kaalscheren opdat zijn leraar hem niet langer aan zijn haren door de klas zou sleuren. ‘Wat het vervolg ook zal zijn’, schreef Castoriadis, ‘Mei heeft een nieuwe fase in de geschiedenis ingeluid.’ En Morin vulde aan: ‘De ideologie van de revolutionaire sektes en de vooroordelen van de arbeidersjongeren maskeren het gezicht van de sfinx die door de mist komt aanrollen.’

In een nawoord, geschreven in 1978, onderstreepte Morin waar het volgens hem tien jaar eerder om te doen was geweest: libertinisme en broederschap, verzet tegen autoriteit en hiërarchie. Probleem was echter dat Morin daarmee inmiddels een minderheidsstandpunt vertegenwoordigde. Een onwaarschijnlijke coalitie van verbitterde marxistische, conservatief-liberale en extreem-rechtse intellectuelen was opgestaan in een poging om ’68 ideologisch te torpederen. Dat is althans de stelling van La pensée anti-68, het prikkelende boek (met de veelzeggende ondertitel Essai sur les origines d’une restauration intellectuelle) van de jonge Franse ideeënhistoricus Serge Audier. Audier ontrafelde een aantal hardnekkige mythen die door deze coalitie de wereld in werden gebracht.

Zo was er de mythe, in het leven geroepen door verbitterde maoïsten, van de soixante-huitard die ‘van het Rode Boekje was overgestapt naar de Who’s Who’. Hij had zijn oude idealen ingeruild voor de genoegens van de consumentensamenleving die hij ooit zei te bestrijden. ‘Op de klinkers de limousines!’ luidde zijn nieuwe credo. Het nieuwe monster had, zo betoogde de schrijver en oer-queer theorist Guy Hoquenguem, ‘de neus van (André) Glucksmann, de sigaar van (Serge) July, het zongebruinde gezicht van (Jack) Lang, de snor van (Régis) Debray en het openstaande overhemd van Bernard-Henri Lévy’.

Alsof de massabeweging die ’68 was, kan worden teruggebracht tot een handjevol mensen die carrière hebben gemaakt, werpt Audier tegen. Op kritische wijze houdt hij ook een aantal beeldbepalende interpretaties tegen het licht; de zoektocht van Luc Ferry en Alain Renaut naar het denken van ’68 bijvoorbeeld.

In La pensée 68 (1985) betoogden de twee filosofen dat wat zij omschreven als ‘het denken van Mei’ vijandig stond tegenover het ‘subject’ zoals dat was geërfd van de filosofische traditie van Descartes tot Kant. Onzin, zegt Audier. De door Ferry en Renaut aangedragen denkers (Foucault, Derrida, Bourdieu, Lacan) waren geenszins representatief voor de beweging en publiceerden hun hoofdwerken soms al in de jaren vijftig.

Of de these van Gilles Lipovetski, die in zijn cultboek L’ère du vide (1983) had betoogd dat ’68, ondanks de ambitie om de consumentensamenleving omver te werpen, deze juist tot volle wasdom had gebracht. Verleidelijk om de rebellerende studenten voor te stellen als willoze werktuigen van een bredere individualiseringstrend, erkent Audier, maar overdreven om daar de kern van ’68 in te zien. ’68 slechts hedonistisch en individualistisch? Audier wijst op slogans als ‘Laten we tegen onze buren praten’ en op de ecologische beweging die uit ’68 voortkwam.

De lijst van verwijten aan het adres van de studentenbeweging, zo blijkt uit het helder geschreven en angstaanjagend erudiete La pensée anti-68, is lang: ondermijnen van de principes van de liberale democratie, totale verwerping van het kapitalisme, ontkennen van autoriteit, nivellering, nihilisme, waardenrelativisme, ondermijning van de moraal, verheerlijking van geweld, et cetera.

Wat je Audier hooguit kwalijk kunt nemen is dat hij de interpreten van ’68 opdeelt in twee kampen: dat van de rancuneuze reactionairen en dat van de welwillende sociaal-democraten (waartoe hij uiteraard zichzelf rekent). Je kamp kiezen. Zo blijkt maar weer eens waar het in de Franse intellectuele wereld uiteindelijk altijd op neerkomt. Fungeerde het totalitarisme lange tijd als ijkpunt, La pensée anti-68 maakt duidelijk dat ook ’68 een belangrijk identificatiepunt voor de Franse intelligentsia is geweest.

Sarkozy’s filippica tegen ’68 steunde dus op langdurige en intensieve ideologische arbeid. Sorteerde die arbeid echter ook effect? Met andere woorden: waren de geesten rijp gemaakt voor Sarkozy’s nekschot? Niet echt. Uit peilingen blijkt keer op keer dat de Fransen nog steeds in grote meerderheid een gunstige mening zijn toegedaan over ’68 en de effecten daarvan op de samenleving.

Wellicht verklaart dat ook de laconieke reacties die Sarkozy’s rede opriep bij de rebellenleiders van weleer. Alleen Henri Weber lijkt zich (in Faut il liquider Mai 1968?) nog serieus op te winden en somt alle verworvenheden van ’68 nog eens geduldig op. ‘Mei ’68 is verteerd en opgenomen in de bloedbaan van de Franse samenleving’, concludeert ook Alain Geismar (Mon Mai 1968). Omdat een paar studenten de leus ‘Genieten zonder remmingen’ op de muur van de Sorbonne schreven, zou ’68 verantwoordelijk zijn voor alles wat er in het huidige Frankrijk niet deugt? Cohn-Bendit lacht Sarkozy – kan het toepasselijker? – recht in zijn gezicht uit.

Forget 68 noemde Cohn-Bendit zijn boekje. Niet dat het verleden dood is, haast hij zich te onderstrepen, maar het is bedolven onder veertig jaar spreekwoordelijke klinkers die de wereld sindsdien hebben gevormd en bepaald. ‘We hebben de strijd gewonnen’, zegt hij ook. Geen beter bewijs daarvoor dan Nicolas Sarkozy in het Elysée: ‘Zonder ’68 zou Sarkozy geen enkele kans gemaakt hebben te zijn gekozen. Hij heeft kinderen verwekt in verschillende bedden. Hij is bezig aan zijn derde huwelijk. De Gaulle en zijn vrouw draaien zich om in hun graf. Vergeleken met Sarkozy ben ik een conservatief. Een eenvoudige kleinburger.’