Op de rand

M.M. Schoenmakers weet dat hijzelf Gilles is © Tessa Posthuma de Boer

M.M. Schoenmakers zet in zijn nieuwe roman een uiterst somber beeld neer van een echtpaar op leeftijd. Gilles en Madelief. In het begin ziet Gilles, terwijl hij de ‘kerstspullen’ uitpakt, vlak bij de plint van de kamer een piepklein schroefje (het staat pontificaal op de kaft van zijn boek afgebeeld) en hij schreeuwt het uit. Waar komt dat schroefje vandaan? Het jaagt hem op, zet zijn hele hebben en houwen op de tocht, hij moet en zal te weten komen waar het vandaan komt. In het vervolg van de roman haalt hij alle elektrische apparaten in huis uit elkaar, want dat schroefje moet toch ergens vandaan komen. ‘Wat nou weer?’ zegt zijn echtgenote, niet geïnteresseerd. Gilles raapt het schroefje op en laat het haar zien. ‘Zonder enige interesse bekeek Madelief het voorwerp, dat stil op haar handpalm lag. Waar maakte hij zich druk over, zoiets kleins?’

Gilles is een nul, hij wil niet meedoen, hij onttrekt zich aan alles, voelt zich onbegrepen

Zo’n roman dus: treurigheid, langs elkaar heen leven, kerstspullen, obsessionele activiteiten en wanhoop. Op een of andere manier borrelt er toch ook iets geestigs op uit deze situatie, een schroefje, voor de man de heilige graal, waar hij tevergeefs naar zoekt, voor de vrouw de zoveelste onbenulligheid van haar zenuwpezerige man. Realisme en onbegrip. Schoenmakers werkt dit thema in het vervolg glashelder uit. Gilles Speksneijder krijgt van zijn kantoor de opdracht de inrichting van de nieuwe locatie als ‘assistent-verhuiscoördinator’ te begeleiden. Zijn chef is er meestal niet, dus hij houdt toezicht op de werkuitvoering, de aankoop van de nieuwe bureaus, de stoelen, de herplaatsing van de afdelingen, de plaatsing van de lampen. Het groeit hem allemaal boven het hoofd, mij af en toe ook, omdat de schrijver je voortdurend trakteert op vaktermen uit de bouw- en kantoorwereld. Toiletgroepen, stompe deuren, uitstortgootstenen, onderdorpels, afzakleidingen, neuslatten, een vetvangput et cetera. Zo vaak en uitvoerig dat het toch ook weer geestig wordt, al weet ik niet helemaal zeker of het ook zo bedoeld is. Er vindt enige toenadering plaats tussen het echtpaar wanneer Madelief veel werk van Gilles overneemt. Zij is wel systematisch, brengt heldere lijnen aan en houdt hem enigszins uit de wind. Zij krijgt steeds meer kleur in deze verder bizar grijze roman. Het gaat goed mis wanneer Gilles besluit de kraakwacht uit het te verbouwen kantoorgebouw, ene Melanie, de somberheid zelve, bij hen in huis te nemen. Zij verovert zich daar een plaats, het neemt allemaal barre vormen aan. Gilles verliest al zijn toch al geringe zelfvertrouwen en barricadeert zich ten slotte in het verlaten oude kantoorgebouw.

Het kantoorleven als metafoor van de wereld. Vaak neergezet als een wereld waar het hoofdpersonage zich niet in thuis voelt en zich uit probeert te redden. Het individu vermalen door de wereld. Dit klinkt als een cliché en dat is het ook, maar Schoenmakers probeert er toch een draai aan te geven. Zeker, zijn ‘Gilles’ is een nul, hij wil niet meedoen, hij onttrekt zich aan alles, voelt zich door iedereen onbegrepen en begraaft zich uiteindelijk als een mol in een onbestaanbaar verzet. Redding is er niet al maakt de schrijver er geen bloedstollende horror van, toch hangt er tussen de precieze, droge, uitgebeende zinnen, een vorm van nauwelijks te grijpen geestigheid. Iets lichts en vreemds ontastbaars. Zoiets wat Elsschot deed in zijn beste werk (Villa des Roses, 1913). Misschien is het er helemaal niet en probeer ik het erin te zien omdat anders de somberheid van de roman me te veel tegen zou staan. Dit soort zinnen: ‘Melanie had de speelkaarten voor zich liggen; haar vingers trippelden over het tafelkleed, de franjes van het kleed lagen gladgestreken naast elkaar. De koffiekopjes en de gebaksborden waren naar de zijkant geschoven.’ Dat ‘trippelen’ is geweldig. Of is dit toch lullig doen over kleinburgerlijk leven en belachelijk kantoorgedrag? Het is op de rand, maar ik heb het idee dat de schrijver niet op zijn figuren neerkijkt. Hij weet dat hijzelf Gilles is, zoals het hoort bij sterke literatuur, een schrijver is altijd zijn of haar hoofdpersonage. Hij kijkt naar ze, laat ze om elkaar heen cirkelen, heeft een hekel aan hun passieve gedoe en zet ze neer in al hun leegte en sombere eenzelvigheid. Maar hij laat ze niet helemaal vallen, ook niet de soms als dwazen geschetste kantoorcollega’s. Schoenmakers vertrouwt zijn personages nooit helemaal en hij verbergt dit wantrouwen in een documentaire stijl waarmee hij alle sombere en kleurloze eigenaardigheden van zijn personages zo exact mogelijk weer kan geven. Dit is de stijl van de afweer, hij is niet in staat zijn figuren te voorzien van een onverschrokken wereldblik. Alles is afweer in deze ingehouden roman.

Na lezing kreeg ik het gevoel dat Schoenmakers’ volgende roman wel eens eentje kan worden waar de vlammen van het onbehoorlijke en gewelddadige schrijven vanaf druipen. Hij rammelt al aan de deur. Een roman met als hoofdfiguur een onuitstaanbaar leeghoofd die de macht grijpt, iedereen de wacht aanzegt en brandschattend door de steden en dorpen van het vervallen Avondrijk rondtrekt. Geen ingehouden stilistisch vernuft en woede meer, maar de wereldzee op van de schreeuw en de smakeloosheid. Met een spervuur van ongepaste beelden en onuitstaanbare metaforen vol verloedering en wanklank. Met op het einde een apotheose waar de honden geen brood van lusten. Kom maar op!