Op de rand van de waarheid

Wij die leven in wat nog niet zo lang geleden het ‘vrije Westen’ heette, wij koesteren schrijvers en dichters die leven in de verdrukking. We hebben een diep ontzag voor de woorden van hen voor wie het schrijven van zoiets als een gedicht - in onze cultuur toch een van de minst gewaardeerde literaire ‘producten’ - een risicovolle onderneming is, iets wat zij met gevangenschap of zelfs de dood zouden kunnen bekopen. De dichter uit het voormalige Oostblok wiens verzen alleen bij ons gepubliceerd konden worden en die zucht onder dictatuur; de dichter die maar net aan het bloedbad op het Plein van de Hemelse Vrede wist te ontkomen en sindsdien bij ons in ballingschap leeft; de Zuid-Afrikaanse zwarte dichter ten tijde van de apartheid - wij zijn op voorhand overtuigd, ontroerd en verontwaardigd tegelijk. En de slachtoffers van dictatuur, censuur en erger houden zich maar beter aan de hen toebemeten slachtofferrol.

Ook de poëzie van de Poolse dichter Zbigniew Herbert (1924-1998) wordt nog maar al te vaak gelezen als de uitdrukking van een in onze ogen prijzenswaardig, want moedig verzet tegen censuur, ideologische verdwazing en het daaruit voortvloeiende geweld, en daarmee in feite begrepen als de zoveelste bevestiging van een eeuwig westers gelijk. En er zijn in de zojuist in vertaling verschenen Verzamelde gedichten zeker meer dan voldoende gedichten die een dergelijke leeswijze aannemelijk maken. Er is bijvoorbeeld het beroemd geworden gedicht ‘De vijf’, over vijf mannen die worden geëxecuteerd, uit de bundel Hermes, de hond en de ster (1957), gevolgd door nog elf andere gedichten waarin het stalinistische tijdperk in herinnering wordt geroepen. En er is het gedicht 'Meneer Cogito’s opdracht’ uit Meneer Cogito (1974), een gedicht dat in de jaren zeventig en tachtig 'een duizelingwekkende carrière’ maakte in Polen, zo schrijft vertaler Gerard Rasch in een nawoord: 'Velen kennen het uit hun hoofd; voor velen die zich in het communistische Polen tegen het bewind verzetten werd het een strijdlied, een soort “Internationale”’. Een aantal van die gedichten is ronduit pathetisch, machteloos gekrabbel vol goede bedoelingen, de dichter Herbert niet helemaal waardig (al is het aardige van deze eerste integrale uitgave van Herberts werk in vertaling - zelfs in het Pools nog niet verschenen - dat men ook ziet dat Herbert de nodige zwakke verzen heeft geschreven). Maar de beste gedichten over of naar aanleiding van de specifieke historische omstandigheden waarin Herbert leefde en werkte - waaronder 'De vijf’ en 'Meneer Cogito’s opdracht’ zeker gerekend dienen te worden - overstijgen de directe aanleiding. Ze tonen niet alleen het verzet tegen daadwerkelijke onderdrukking, maar ook het verzet tegen een leeswijze die zo'n gedicht tot een icoon maakt. 'Meneer Cogito’s opdracht’ laat zich misschien tot strijdlied maken, maar is het niet. Het gedicht belooft niets: geen vrijheid, geen verlossing, geen troost, geen aankomst. 'Wees trouw Ga’, zo luiden de laatste woorden, en wie daarin de één of andere aansporing zou willen lezen, kan er niets anders in ontdekken dan de aansporing om mens te zijn: sterfelijk, reddeloos verloren, maar juist daarin en alleen daarin waardig. Die waardigheid wordt door willekeurig welke waarheid, door willekeurig welke 'aankomst’, ondermijnd. 'Op de rand van de waarheid groeit de tast’, lees je in Herberts eerste bundel en wie tot deze dichter door wil dringen moet daar beginnen: op de rand van elke waarheid. Want dat is wat Herbert in zijn poëzie voortdurend gedaan heeft: de wereld, alle betekenissen en waarheden die we tezamen de wereld of de werkelijkheid noemen, terugvoeren naar die rand, naar de grens tussen binnen en buiten, naar het omslagpunt dus ook, naar het moment waarop dat wat we over de werkelijkheid dénken zomaar werkelijkheid kan wórden (het communisme was aanvankelijk immers ook maar een concept). Het is precies op die rand dat Herbert één van de schitterendste personages uit de literatuur heeft geschapen: de hier al even genoemde meneer Cogito. Die naam alleen al is van een heerlijke ironie, het stijlmiddel bij uitstek van deze poëzie: refererend aan het cogito ergo sum, het 'ik denk dus ik ben’ van de verlichtingsfilosoof Descartes, maar zonder de conclusie die denken en zijn gelijkschakelt. Cogito denkt, maar zijn denken houdt halt waar de werkelijke wereld begint. Er gaapt een kloof tussen voorstelling en wereld, in feite de kloof tussen taal en dat wat het benoemt, en dus ook een kloof tussen het ik en de wereld. 'Verbaast u niet dat we de wereld niet kunnen beschrijven/ slechts liefdevol de dingen noemen bij hun naam’, heette het nog tamelijk zelfverzekerd in Herberts eerste bundel. Meneer Cogito verbaast zich echter voortdurend, bijvoorbeeld over het feit 'dat er iemand buiten hem bestaat/ ondoordringbaar/ als een steen’, of omgekeerd: dat hij afgescheiden van de wereld bestaat. Het verlangen daarin op te gaan verklaart enerzijds de liefdevolle aandacht waarmee voorwerpen en mensen bij hun naam worden genoemd, anderzijds ook de vrees voor het andere, de afgrond die openklapt tussen het denkende ik en het zijn van de wereld. Want daarin opgaan betekent ik-verlies, dood. Tussen die beide posities 'trekt/ op zijn beide benen/ links te vergelijken met Sancho Panza/ en rechts/ herinnerend aan de dolende ridder/ meneer Cogito/ de wereld door/ licht wankelend’. Hij kiest nooit definitief voor het een of het ander. Herberts poëzie is er een van aanrakingen. Uiteindelijk zoekt elk gedicht het daadwerkelijke contact met de dingen, de 'blinde tast’, met dat wat in woorden en in met woorden gebouwde waarheden verloren gaat of zelfs omslaat in leugens waaraan al het bestaande wordt opgeofferd. En dat dus niet alleen in een stalinistisch Polen, maar evenzeer in een 'vrij Westen’. Dat offer is ontoelaatbaar, zo stelt dit werk steeds zeer beslist, want ironie mag dan Herberts stijlmiddel zijn, zij is geen waarheid op zich (men leze het prozagedicht 'Uit de mythologie’ in Een studie van het voorwerp uit 1961). Zij dient de ernst waarmee de mens verdedigd wordt - niet als een wezen dat recht heeft op eeuwigheid van welke snit dan ook, maar als een wezen dat recht heeft op het moment waarin het leeft, ademt, ziet, ruikt, proeft, hoort en tast, en dat op dat ogenblik ongeschonden dient te blijven. Dat is de bepaald niet geringe taak die Herbert de poëzie heeft toebedacht: dat bewaken, dat trouw blijven. En dat is waaraan deze Verzamelde gedichten trouw zíjn.