Op de rand van het betamelijke, of net er overheen

In 1963 hield S. Dresden, destijds rector magnificus van de Leidse Universiteit, een bijzonder leerzame en instructieve redevoering over het verschil tussen kunst en kitsch. Er kwam een klein boekje van: Souvenir: Een beschouwing over kunst en kitsch. Volgens hem wil een kitschverhaal net echt zijn. Niet een nabootsing van de werkelijkheid is het doel, meent hij, ‘maar een beschrijving die klopt met wat bij de lezer bekend verondersteld wordt’. Alles wordt in een erkend en bekend kader geplaatst, ‘zodat het geheel gemakkelijk te overzien is en algemeen aanvaardbaar schijnt’. Ja, zo leven ‘gewone mensen’ in het Nederland van nu, of zo ziet een plattelandsmens de wereld, voelen we ons verplicht te denken wanneer we daarover een roman van een kitschauteur lezen. We geloven hem of haar op zijn of haar woord, juist ook wanneer we veel details voor de kiezen krijgen, terwijl die alleen maar bestaan uit de realiteit die de schrijver ziet en van ons veronderstelt dat we die ook al lang zagen. ‘Kitschliteratuur lijkt de levenservaring van de lezer te vergroten’, stelt Dresden, maar biedt, als je het goed bekijkt, de geschematiseerde levenservaring van een ander, de schrijver, waarbij een mate van abstracte bekendheid met het onderwerp keer op keer verondersteld en versterkt wordt.

Small boogaard van den o.   rineke dijkstra   afgekocht
Oscar van den Boogaard – Wonderlijke scènes © Rineke Dijkstra / De Bezige Bij

Op het eerste gezicht zou je zeggen dat Oscar van den Boogaards nieuwe roman voldoet aan deze ‘wetten’ van de kitsch. We krijgen een uitvoerige familiegeschiedenis voorgeschoteld, verteld door de kleinzoon (Maxwell) van hoofdpersonage Nora. Zij groeit op in een welgestelde familie in een familiekasteel in Limburg, gaat veel om met de tweeling Max en Nol van een naburig gezin, trouwt met Nol, maar haar kinderen Elsie en Maxim worden verwekt door Max, die tijdens de Eerste Wereldoorlog in Duitse dienst treedt en later bij de SS belandt. Elsie is haar meest vrijgevochten kind, zij belandt in hofkringen en krijgt een verhouding met prins Bernhard, raakt zwanger van hem, trouwt met zijn adjudant en vertrekt naar Suriname.

Van den Boogaard weet het, hij doet het erom, het is kitsch en tegelijk ontstijgt hij het

‘Welgestelde familie’, ‘hofkringen’, ‘kasteel’, ‘verhouding’, ‘vrijgevochten’, ‘de prins’, et cetera et cetera – als dit niet een beroep doet op alles wat al bekend is uit eerdere kitschromans, dan weet ik het ook niet meer. En Van den Boogaard geeft onbekrompen toe, zo lijkt het, aan wat we al weten of vermoeden. We krijgen uitvoerige familiefeesten, huwelijken, begrafenissen, vakantietaferelen uit de hogere kringen voorgeschoteld plus kwesties rond oorlog, erfenis en verliefdheid op ‘hoge figuren’. Beschrijvingen van luxe diners, hotels, tochtjes met auto’s, noem het allemaal maar op. De scènes van Elsie met prins Bernhard zijn adembenemend sprookjesachtig, ze voldoen volledig aan het beeld dat we allemaal (sommigen ongetwijfeld met enige tegenzin) met ons meedragen van deze olijke prins die alles en iedereen om zijn vingers wond en er nog mee wegkwam ook. ‘Elsie was al triest omdat ze wist dat ze zich de rest van haar leven met iedere andere man zou vervelen’, verzucht ze na een zeer elegante skipartij met de prins die steeds bijna provocerend mysterieus en intrigerend is neergezet. Ook Juliana krijgt een liefdevolle glanzende beschrijving, zij het dat ze zichzelf ziet als een citroen. Iedereen aan het hof is vrolijk, toegenegen en behulpzaam. Zo gaat en ging het daar toe, ik weet het na deze roman zeker. Ik bedoel, ik wist het al, maar nog niet zeker.

Ik las deze roman met toenemende bewondering en ik bedoel dit niet ironisch. Dit is dus literatuur die kitsch inzet om utopie voelbaar te maken. Van den Boogaard schreef zowel een kitschroman als ook een ontroerend commentaar daarop. Zijn personages leven in het zonlicht van een gedroomde werkelijkheid, ze staan naast de werkelijkheid, de roman roept een utopische familiewerkelijkheid op, eentje waarvan we allemaal ooit gedroomd hebben of wie weet nog dromen. Ja, zo fijn, optimistisch, mooi en soms tragisch, maar altijd interessant kunnen mensen zijn. Ze zouden het moeten zijn, zo ‘dapper’ als Nora, zo ‘vrijgevochten’ als Elsie. Maar dan alleen in de droom die literatuur heet en waaraan Van den Boogaard ons mee laat dromen. Deze roman barst van de wonderlijke scènes, de zinnen zijn altijd de moeite waard, de vondsten treffend, raar en aanstekelijk. De auteur weet steeds door kleine ingrepen net even het gewone te ontstijgen, net even de randen van het betamelijke op te zoeken of er een punt van te maken. Neem de scène waarin Nora zich ontkleedt bij het opgebaarde lijk van haar vader. ‘Ze kleedde zich helemaal uit tot ze naakt voor hem stond. Toen opende ze de gordijnen en liet al het licht van de wereld binnen.’ Of neem dit rare kleinood: ‘Ze had hem net de borst gegeven en maakte met een servet zijn mondje schoon. De merel zong.’

Ik besteedde in deze bespreking vrij veel aandacht aan het verhaal, zie ik nu. Ach, dat verhaal, ja, dat is er ook, maar het gaat om iets anders. Om het licht en het optimisme dat alle bij ons ‘bekende’ werkelijkheid gewoon aan zijn laars lapt. Om de verbluffende, geestige, soms paginalange dialogen die Van den Boogaard te pas en te onpas rondstrooit. Ik las deze roman steeds glimlachend, ja, hij weet het, dacht ik erbij, hij doet het erom, het is kitsch en tegelijk ontstijgt hij het. Zo moet je dat dus doen. Doe het, dacht ik regelmatig, ga door, laat je verlangen zien, verhef het, zet het niet in maar naast de werkelijkheid. Want de beste literatuur staat altijd naast de werkelijkheid, nooit erin.