Film: ‘Mosquito’

Op de schouders van zwarte dragers

Mosquito, openingsfilm van het International Film Festival Rotterdam, speelt zich af in Oost-Afrika tijdens de Eerste Wereldoorlog, met de archetypische ontredderde westerling in de hoofdrol.

João Nunes Monteiro als Zacarias © Alfama Films

Mozambique, 1917. Aan de kust arriveert een boot vol tot de tanden gewapende, door een ringetje te halen soldaten, vers verscheept vanuit Lissabon. In de kalme branding worden ze ingewacht door een groep zwarte mannen. De spieren op hun slanke lichamen blinken in de zon. Op de boot zijn we bij een van de militairen, de jonge Zacarias, die het tafereel uitdrukkingsloos gadeslaat. Straks zet hij in Afrika voet aan wal om het bezit van zijn moederland veilig te stellen. Dat betekent vechten tegen de monsterachtige ‘Boche’ die drie jaar eerder Angola en Noord-Mozambique waren binnengevallen. Maar wat nu te doen? maalt het door Zacarias’ hoofd. Het is nog zeker een héle tweehonderd meter naar het strand. De sergeant, een dikke man met een welige snor, biedt uitkomst. ‘Allen!’ buldert hij. ‘Spring op een neger!’

Vanaf deze eerste, bizarre beelden waarin Portugese soldaten tijdens de Eerste Wereldoorlog op dat strand in Afrika op de schouders van zwarte dragers klimmen, klaarblijkelijk om vooral niet nat en vies te worden, speurt regisseur João Nuno Pinto in Mosquito consequent naar de vernietigende effecten van de strijd op het land en de inwoners. Steeds breder waaieren de gevolgen hiervan uit, totdat uiteindelijk de vraag klinkt: kolonist en gekoloniseerde, wit en zwart – wat hebben die elkaar te zeggen?

Pinto schetst in eerste instantie de archetypische zoekende westerling, in dit geval aangekomen in het ‘woeste’ Afrika, maar in soortgelijke verhalen geland ergens in de ‘primitieve’ gebieden van de Stille Zuidzee of in het ‘mystieke’ Noord- of Zuid-Amerika. In Mosquito, openingsfilm van het International Film Festival Rotterdam, echoot werk van Terrence Malick, vooral The New World (2005), over de eerste kolonisten in Amerika, en The Thin Red Line (1998), dat zich afspeelt tijdens de strijd om Guadalcanal, en van Werner Herzog, specifiek Aguirre, der Zorn Gottes (1972), over de conquistadores die rond 1560 de Amazone afreisden op zoek naar El Dorado, de stad van goud.

Als onderdeel van dit illustere gezelschap kwijt de vijftigjarige Pinto zich met zijn vierde film uitstekend van zijn taak. Met Mosquito vertelt hij niet alleen een spannend avonturenverhaal. Zoals zijn voorbeelden Malick en Herzog probeert hij door te dringen tot de ziel van de ontredderde mens, de kolonist die in braakliggende, nieuwe werelden een diepere betekenis hoopt te vinden dan in zijn oude leven, maar die uiteindelijk slechts oog in oog komt te staan met eenzaamheid, leegte en wanhoop.

Voor het uitwerken van zijn eigen thema’s gebruikt Pinto de setting van de door historici lang genegeerde strijd in Oost-Afrika tijdens de Eerste Wereldoorlog, zoals ook de titel van Ross Andersons boek The Forgotten Front (2014) suggereert. Hoewel dit conflict ‘nooit prioriteit kreeg’, aldus Anderson, woedde die van augustus 1914 tot november 1918 in een groot gebied: van Kenia en Oeganda in het noorden en Congo, Rwanda, Burundi en Tanzania in het centrum tot Zambia, Malawi en Mozambique in het zuiden. Anderson: ‘Weinig inwoners, Europees of Afrikaans, konden ontkomen aan de effecten en ravages van de oorlog terwijl die ook een grote impact op de koloniale mogendheden zelf hadden. Mondiaal gezien was de oorlog misschien onbeduidend, maar op plaatselijk vlak was die van overweldigend belang.’

In tegenstelling tot de situatie aan het westelijke front waren de afstanden in Oost-Afrika enorm, terwijl de troepenaantallen laag waren, legt Anderson uit in zijn boek. Hoewel er een aantal veldslagen plaatsvond, werden de operaties gekenmerkt door patrouilles en geïsoleerde eenheden die zich een weg door dichtbegroeide bossen baanden, onder de constante dreiging van hinderlagen. Eenheden legden ver verwijderd van hun basissen afstanden van honderden kilometers af. Hierbij waren de manschappen afhankelijk van plaatselijke hulptroepen, inwoners die allerlei bagage op hun hoofd droegen.

Het terrein wisselde van woestijn tot tropische jungle. De soldaten hadden te weinig proviand bij zich en waren slecht uitgerust. Behalve met de vijand hadden ze te kampen met gevaarlijke, wilde dieren zoals leeuwen, olifanten en nijlpaarden. En: wolken hongerige insecten die de pest met zich meedroegen. De soldaten werden ziek; ze leden aan malaria, dysenterie en longontsteking.

En toch, dacht Zacarias, ik móét erheen. In zichzelf mijmerend, in de stijl van Malicks militairen op een Melanesisch eiland in The Thin Red Line, vertelt hij meer over zijn motivering. ‘Ik kon het onophoudelijke vingerwijzen van Vader niet meer verdragen, noch kon ik langer tegen de tranen van Moeder. Moge oorlog mij maken tot de man die ik altijd had moeten zijn.’

Zonder zijn geweer en mes is de soldaat, ook nog eens maagd, niets meer dan een klein mannetje

Van meet af aan is duidelijk dat het man-worden geen slecht plan is, want de Zacarias die we ontmoeten is een bang, verwend ventje. Als er na een dag lang marcheren kamp moet worden gemaakt, nestelt meneer zich in een boom terwijl zijn persoonlijke drager beneden behendig door middel van wrijving met een stokje op aanmaakhout een vuurtje stookt. Vanuit de hoogte kijkt Zacarias toe terwijl hij een sigaret aansteekt met een lucifer uit een vol doosje.

Lang duurt zijn superioriteit evenwel niet. Een voorbode van wat komen gaat, zien we als hij ’s avonds voor het slapen gaan een ampul kinine openbreekt en de inhoud daarvan doorslikt. Al gauw slaat de malaria toe. En de bijbehorende koortsdromen. Regisseur Pinto gebruikt de ziekte als een mechanisme om het verhaal te doen kantelen, waardoor verschillende tijden en locaties door elkaar heen beginnen te lopen. Zacarias verliest contact met zijn eenheid (waarom precies weten we niet). Met slechts zijn drager als richtingwijzer belandt hij na vele omzwervingen bij een nederzetting waar hij een kolonel Kurtz-achtige figuur tegenkomt. Deze man, een combinatie van Joseph Conrads Kurtz en die van Francis Ford Coppola in Apocalypse Now (1979), heerst met ijzeren vuist over zijn zwarte onderdanen, hoewel het duidelijk is dat hij net als Zacarias totaal de weg kwijt is. Nog vervreemdender wordt het als Zacarias beseft dat de officier in werkelijkheid een deserteur is die zijn manschappen traint in de kunst van de overgave. Want, zegt de man met wijd opengesperde ogen: ‘De moffen zijn overal.’

Wanneer Zacarias zijn tocht voortzet, houdt Pinto de camera dicht bij hem. We zien hoofdzakelijk wat Zacarias ziet. Eerst is de jungle ‘ergens anders’, in de bossen waar ’s nachts de angstwekkende geluiden van wilde dieren klinken. Maar langzamerhand komt alles dichterbij. En infecteren de geluiden en geuren en het felle licht en stofdeeltjes die dansen in de zonnestralen deze jongeman uit het verre noorden. ‘Afrika’ dringt zijn lichaam binnen, maar vooral ook zijn gedachten.

In het verhaal van de Grote Oorlog is één stem hoofdzakelijk afwezig, schrijft Ross Anderson in The Forgotten Front, namelijk die van de Afrikanen die het conflict in werden gesleurd door de imperialistische meesters. De auteur geeft toe dat zelfs zijn eigen werk geen verandering in deze situatie brengt, gezien de afwezigheid van historische gegevens die het perspectief van Afrikanen reflecteren.

Ook Mosquito kampt met dit probleem. Hier zien we het verhaal via de blik van de ‘koloniale meester’ Zacarias. Maar halverwege zijn film doet Pinto iets magisch: die anonieme dragers van wapenrusting, proviand en verwende Portugese jongemannen krijgen opeens een stem, zonder dat ze een verstaanbaar woord uitspreken.

Tijdens zijn koortsachtige omzwervingen belandt de zieke Zacarias bij de nederzetting van een stam waarvan alle mannen blijkbaar verdwenen zijn. De suggestie is dat die óf als slaven zijn weggevoerd óf gedwongen in dienst zijn van een van de buitenlandse legers. Zacarias valt in handen van deze vrouwen. Een lange sequentie volgt waarin we zien hoe hij bij hen woont. Maar de bordjes zijn verhangen. De westerling die met zoveel bravoure was geland, die de zwarten vanuit de hoogte bejegende, is opeens gestroopt van alle schijn van superioriteit. Hij is gevangene, onderdaan.

Dat de taal die de vrouwen spreken niet wordt ondertiteld, is problematisch. Door hun een stem te geven, zou het verhaalperspectief immers pas echt een revolutionaire draai hebben gekregen. Toch wérkt hun onverstaanbaarheid: doordat we niet weten wat de vrouwen zeggen, zijn we opeens net als Zacarias verloren, ontdaan van de zekerheid van onze identiteit. De echte machthebbers in dit klein stukje van Oost-Afrika blijken niet de imperialistische mogendheden, maar een groep vrouwen die zonder problemen voor zichzelf en hun kinderen zorgen door het land te bewerken.

Juist hun vrouwelijkheid – ze zijn constant halfnaakt – is een teken van macht. Zonder zijn geweer en mes is de soldaat, ook nog eens maagd, niets meer dan een klein mannetje. De woorden van de sergeant jegens Zacarias en de andere soldaten tijdens hun boottocht naar Afrika in een eerdere scène zijn veelbetekenend: ‘Jullie willen helden zijn? Helden in Afrika zijn van ander allooi, hoor. Ik verruil graag tien van jullie arme fado-zangers voor een van mijn Afrikanen.’ Maar ‘van’ iemand zijn deze schitterende vrouwen allerminst. Zacarias krijgt een touw om zijn nek en moet onder supervisie hard werken wil hij eten krijgen. Dat gebeurt niet omdat de vrouwen wreed zijn, maar omdat ze meteen zien dat Zacarias een gevaar vormt. Hij is een indringer, net als de malariamug die zijn lichaam heeft gekoloniseerd.

De plotselinge omdraaiing van de relatie tussen meester en slaaf, en het feit dat communicatie tussen beiden onmogelijk is, schetsen een pessimistisch beeld: de afstand tussen westerling en Afrikaan is onoverbrugbaar. In Afrika strompelt de binnenvallende vreemdeling richtingloos rond in een koortsdroom van eigen makelij (de kolonist gaat ten onder aan zijn eigen uitvinding: kolonisatie). Hij is vooral pathetisch. In deze omgeving die tegelijkertijd aantrekt en afstoot, die infecteert en bevrijdt, hemel en hel ineen, is de troosteloze westerling uiteindelijk vervuld van zelfhaat. Zacarias komt een loslopende, witte geestelijke in het bos tegen, die zegt: ‘God wil niets meer met mij te maken hebben.’ Dat, denk je dan, dekt de lading, dominee.


Op 22 januari opent Mosquito van regisseur João Nuno Pinto het International Film Festival Rotterdam, iffr.com. Vanaf maart draait hij in de bioscoop