De opmars van de wolf

‘Op de Veluwe kun je best vijf roedels kwijt’

Wolven leggen met gemak vijftig kilometer per nacht af. In Duitsland doen ze het goed. De vraag is niet meer óf ze naar Nederland komen, maar wanneer. Misschien zijn ze er al.

Medium thomas masuhr

WAT DIRECT opvalt aan de twee wolven van Jos de Bruin is hun schuwheid. Als er bezoek langskomt, wordt dat wantrouwend bekeken, vanuit verschillende hoeken. De dieren draven nerveus heen en weer. Veel mensen komen hier overigens niet. ‘Wolvenman’ Jos de Bruin woont op het Duitse platteland, over de grens bij Nijmegen. Het is een rustige streek, akkers en velden, een paar huizen langs een enkel weggetje, stukken bos. Al jaren verzorgt De Bruin wolven, wolfhybrides en andere exotische hondachtigen die dierentuinen om wat voor reden dan ook kwijt willen. Hij heeft er de ruimte voor.

Maar het wolvenkoppel kent De Bruin. Als hij het verblijf in loopt, komen ze naar hem toe en likken hem in het gezicht. 'Ze zien mij als roedelgenoot’, legt hij uit. Loopt iemand anders achter hem aan, dan trekken ze zich terug en draven schuw heen en weer.
Deze schichtige diersoort, die zelfs in gevangenschap maar weinig van de mens moet hebben, gedijt steeds beter in Europa. Sinds twintig jaar wordt de wolf beschermd, maar het dier profiteert ook van de ontvolking van grote delen van het Europese platteland. Het gaat de wolf zelfs zo goed dat hij nu ook Nederland nadert. Canis lupus is onmiskenbaar bezig aan een opmars vanuit het oosten en het zuiden.
Kenners speculeren er al niet meer over óf deze toppredator hier binnen afzienbare tijd kan worden waargenomen, maar wanneer, en wat de gevolgen daarvan zullen zijn. Volgens Jos de Bruin bevindt zich al een wolvenkoppel op de Lüneburger Heide, tussen Hamburg en Hannover, zo'n tweehonderd kilometer van Enschede. In de buurt van Gedinne in de Belgische Ardennen, even ten zuiden van Namen, werd afgelopen zomer een wolf gefilmd door een Belgische cameraploeg - hemelsbreed hondertwintig kilometer van Maastricht.
'Voor een wolf is dat een afstand van niks’, zegt De Bruin, 'die overbruggen ze gemakkelijk in een paar nachten.’ Oog in oog met de wolven in zijn centrum verbaast dat niet. Zo licht als ze draven, met die verende tred, het is bijna dansen. De Bruin, nuchter: 'Als je zulke enorme afstanden moet afleggen, is het natuurlijk wel handig als je zuinig met je energie omgaat.’
Misschien ís de wolf al wel in Nederland. Afgelopen zomer, op de avond van 27 augustus, zagen automobilisten 'een wolfachtige’ op een akker langs de Westsingel in Duiven, een dorp ten zuidoosten van Arnhem. Een van hen, Desiree Versteeg, die veel van honden weet en jaren lid was van een kinologenclub, is er bijna zeker van met een wolf te maken te hebben gehad.
Ingesloten tussen de drukke A12 en een provinciale weg maakte de wolf - als dat het inderdaad was - een wat verloren indruk. Op een zeker moment, vertelt Versteeg over de telefoon, schoot-ie de weg op, maar stuitte aan de overkant op het hek rond een vestiging van Intratuin. 'Toen draaide hij zich weer om en begon terug te lopen, maar daar stond ik, want ik was inmiddels uit mijn auto gestapt om foto’s te maken. Ik zag dat-ie zich in het nauw gedreven voelde, z'n nekharen kwamen overeind en hij deed een paar dreigende stappen in mijn richting, dat was wel even een angstig moment. Toen ging-ie d'r met een ongelooflijke snelheid vandoor.’
Ecoloog Erwin van Maanen van de Anatolian Leopard Foundation, gespecialiseerd in de relatie tussen toppredatoren en biodiversiteit, sprak met getuigen en keek goed naar hun foto’s. Al houdt hij het voor mogelijk dat het dier bij Duiven een Saarlooswolfhond is geweest - of misschien zelfs een jakhals, want ook die zijn al in Duitsland gesignaleerd - acht hij het waarschijnlijker dat het hier 'een jonge wolvin’ betrof. Zelf had Van Maanen een paar maanden eerder, in het voorjaar, ook een interessante ontdekking gedaan. Tijdens onderzoek naar marters in de buurt van Winterswijk - vijftig kilometer van Duiven - was hij op het karkas van een ree gestuit, een favoriete wolvenprooi. 'De ree was helemaal uit elkaar getrokken, de botten waren gekraakt, de haren lagen overal.’ Een tafereel dat hij eerder was tegengekomen bij onderzoek in Roemenië, in de Karpaten, waar veel wolven zitten.
Als Jos de Bruin dat laatste verneemt, wil hij onmiddellijk het telefoonnummer van Van Maanen hebben. Later, als de twee experts elkaar hebben gesproken, belt De Bruin op om te zeggen dat hij het erg jammer vindt dat hij dat karkas niet heeft kunnen zien: 'Ik zie dagelijks hoe wolven eten. Dit soort prooidieren pakken ze echt op een andere manier aan dan een verwilderde hond zou doen.’ Hij vertelt ook nog dat in de periode dat Desiree Versteeg 'de wolfachtige’ zag in de wijde omtrek van Duiven zes schapen zijn gedood.

VOOR beide kenners is het zo goed als zeker dat we de komende jaren meer van dit soort 'bewijzen’ van de aanwezigheid van wolven in Nederland zullen tegenkomen, vooral in het beboste grensgebied. Jonge wolven verlaten het nest als ze één tot twee jaar zijn, en gaan dan op zoek naar geschikt gebied om een eigen territorium te vestigen. Bij dergelijke verkenningstochten kunnen ze honderden kilometers afleggen. Op die manier hebben de Duitse wolven zich in het afgelopen decennium verspreid. Ruim tien jaar geleden vestigde zich een koppel afkomstig uit Polen op een militair oefenterrein in de Lausitz, een regio ten zuidoosten van Berlijn, in het grensgebied van Oost-Duitsland, Polen en Tsjechië. Inmiddels telt Duitsland volgens onderzoekster Ilka Reinhardt twaalf roedels, die gemiddeld uit vijf tot tien wolven bestaan. De meeste van deze roedels hebben hun territorium in de Lausitz, maar daar begint het zo langzaamaan druk te worden, zodat nieuwe generaties gedwongen zijn op zoek te gaan naar geschikt gebied ten zuiden, ten oosten en onvermijdelijk ook ten westen van de regio.
En daar ligt, als je maar lang genoeg doordraaft, Nederland. De Duitse onderzoekster Ilka Reinhardt is ervan overtuigd dat Nederland binnen afzienbare tijd met 'verkenners’ uit Duitsland te maken zal krijgen: 'Een van onze wolven uit de Lausitz, die een zender droeg, is in Wit-Rusland aangetroffen, dat is meer dan duizend kilometer verderop. Als-ie de andere kant op was gelopen, stond-ie bij jullie aan de Noordzee.’
De vraag is of die verkenners hier dan ook zullen blijven. Is Nederland wel geschikt voor wolven? Het betrekkelijk beklagenswaardige dier dat bij Duiven in een fuik van bebouwing liep, weet nu dat Nederlanders een nadrukkelijk stempel op het landschap hebben gedrukt: overal zijn wegen, spoorlijnen, hekken, kantoren, huizen. Bovendien lopen en rijden in ons 'technocratische landschap’, zoals Erwin van Maanen het noemt, overal mensen rond: 'Er zijn mensen die zeggen: als de wolf daar in Duitsland een modus weet te vinden, dat moet-ie dat hier ook kunnen, met het argument dat het Duitse landschap met het Nederlandse vergelijkbaar is. Dezelfde combinatie van landbouwgronden en natuurgebieden. Maar de schaal is daar zo veel groter. Er is daar veel meer rust.’
Wolvenman Jos de Bruin denkt daarentegen dat 'op de Veluwe best een roedeltje zou kunnen overleven’. En ook een kenner als Leo Linnartz van Stichting ARK, waar men ijvert voor de terugkeer van uitgestrekte, robuuste natuurgebieden, liefst ook met wolven daarin, is van mening dat in Nederland geschikte leefgebieden voor de wolf te vinden zijn: 'In Duitsland hebben die roedels tussen de honderd en driehonderd vierkante kilometer nodig voor hun territorium. In de kern van zo'n territorium, waar ze hun welpen grootbrengen, moeten ze niet te vaak verstoord worden, daar hebben ze absoluut rust nodig. Maar in Duitsland zie je ze het hele gebied rondom die kern ook gebruiken, akkers, weidevelden, dorpen, bosranden, en daar is het heel wat minder rustig. Wolven mijden mensen, maar niet de menselijke leefomgeving. Met cultuurlandschap kunnen ze prima overweg. Vergeet ook niet dat wolven vooral ’s nachts leven, en in Nederland is het ’s nachts erg rustig.’
Dus, wil Linnartz maar zeggen, waarom zou je op de Veluwe, die maar liefst honderdduizend hectare beslaat, niet tenminste vijf roedels kwijt kunnen? Maar hij acht ook andere delen van Nederland geschikt wolvengebied: 'In het oosten van Limburg, tussen Roermond en Nijmegen, is het nog betrekkelijk leeg. Trouwens, ik zou de Lausitz ook niet echt leeg willen noemen. De Oostvaardersplassen zijn ook heel geschikt, maar voor wolven moeilijk bereikbaar. Dan moeten ze een hoop snelwegen over.’ Mocht staatssecretaris van Landbouw Henk Bleker géén stokje steken voor de aanleg van het natuurgebied Oostvaarderswold, dat voor een 'robuuste verbinding’ tussen de Veluwe en de Oostvaardersplassen zou zorgen, dan zullen wolven daar mogelijk van profiteren.

Medium th masuhr

OVER de aanwezigheid van voldoende prooidieren maakt geen van de kenners zich zorgen: met tienduizenden reeën en duizenden herten en wilde zwijnen is Nederland voor een wolf een soort luilekkerland. Volgens de kenners zou het juist goed zijn als die dieren eens bejaagd zouden worden door een toppredator anders dan de mens. Erwin van Maanen: 'De laatste jaren wordt meer en meer onderkend dat grote carnivoren een enorme invloed hebben op ecosystemen en biodiversiteit, door wat men noemt top down-regulatie. Vroeger dacht men dat het vooral aan de basis goed moest zitten, op het niveau van planten en insecten, het bottom up-idee. Dan kwam het met de rest ook wel goed. Inmiddels begint door te dringen dat ook toppredatoren een sleutelpositie innemen.’
Wat het effect van een toppredator kan zijn, is in Yellowstone National Park onderzocht. Daar werden vijftien jaar geleden wolven geherintroduceerd, na een afwezigheid van zeventig jaar. In die lange periode was de hertenpopulatie geëxplodeerd. Door de terugkomst van wolf, zo blijkt uit een recent gepubliceerde studie, nam het aantal herten af, maar niet eens zo gek veel, eigenlijk gingen ze zich vooral anders gedragen. Ze deelden zich op in kleinere groepen, raakten meer verspreid over het park, en begonnen bepaalde risicovolle plekken te mijden, die daardoor minder intensief werden begraasd. Zo kregen bomen als wilg en ratelpopulier de kans terug te keren, waardoor het gebied ook weer aantrekkelijk werd voor bevers, die met hun dammen wetland-achtige gebieden creëerden, met de daarbij behorende flora en fauna. Zelfs de wetenschappers hadden niet verwacht dat de herintroductie van de wolf een zo positieve en verstrekkende invloed op de biodiversiteit van Yellowstone zou hebben.
Maar mag je zo'n uitgestrekt nationaal park als Yellowstone vergelijken met het drukbevolkte, verstedelijkte Nederland? Erwin van Maanen geeft onmiddellijk toe 'dat je het natuurlijk niet over dezelfde schaal hebt’, dat ook landschap en klimaat nogal verschillen van het Nederlandse, maar daarmee is niet gezegd dat wolven bij ons alleen een cosmetisch effect zouden hebben: 'Als je de natuur hier wat meer de ruimte zou geven, en natuurgebieden beter met elkaar verbonden zouden worden, zodat grote carnivoren als de wolf en de lynx hier zonder al te veel stress kunnen leven, acht ik het niet uitgesloten dat ecologische verschuivingen optreden. In eerste instantie van de vegetatie, bossen die minder eentonig worden, en ook van de fauna. In Yellowstone hebben de wolven het aantal coyotes gehalveerd, ze tolereren ze absoluut niet, verscheuren ze letterlijk. In Nederland zouden wolven ook een regulerende invloed kunnen hebben op mesocarnivoren als de vos en verschillende marterachtigen, waardoor bijvoorbeeld grondvogels als korhoenders minder gepredeerd zouden worden. De natuur krijgt dan meer balans. Maar met zekerheid valt hier nog niks over te zeggen, in Europa wordt dit soort processen nog nauwelijks onderzocht.’
Leo Linnartz van Stichting ARK zit op dezelfde lijn. Zonder predatoren, zegt hij, is er het risico dat een paar grote grazers gaan domineren. Is er wel predatie, dan treedt nichesegregatie op. Linnartz: 'Ieder dier kiest dan de voor hem beste verdedigingsstrategie. Daarom eten gemzen dicht bij steile rotswanden. Edelherten voelen zich thuis op open vlakten met een lage begroeiing, want ze staan hoog op hun poten en hebben met hun lange nek goed zicht. Dat buiten ze uit. Reeën daarentegen, die veel kleiner zijn, verstoppen zich liever midden in het bos of aan de bosrand. Zo worden de verschillende niches door verschillende grazers bezet. En ze hebben allemaal een ander effect op het landschap, dus je krijgt allerlei detailverschillen. Dat is biodiversiteit.’
In Duitsland, waar de wolf nu tien jaar terug is, wordt dit soort effecten nog niet waargenomen. Of dat ooit het geval zal zijn, is voor onderzoekster Ilka Reinhardt nog maar de vraag: 'Ik ben bang dat het Duitse landschap te zeer wordt gedomineerd door de mens: door de landbouw, de bosbouw, de jacht. Wolven kunnen hier niet dezelfde rol spelen als in Yellowstone. Van reeën en wilde zwijnen, die allemaal worden bijgevoerd ten behoeve van de jacht, zijn er zó veel… op hun aantallen heeft de wolf nu nauwelijks invloed. Misschien al wel, enigszins, op hun gedrag. Maar de wolf is hier nog niet op volle kracht.’

IN EEN LAND als Nederland is de mens een minstens zo dominante factor, met een even bepalende invloed op het landschap. We hebben de wolven in het verleden zo genadeloos vervolgd dat ze hier al een eeuw lang niet meer zijn gezien: in 1897 zou de laatste wolf zijn waargenomen, in het Noord-Brabantse Heeze. Inmiddels wordt het dier weliswaar streng beschermd, maar de vraag is of we daarmee ook toleranter zijn geworden. Het archetype van 'de grote boze wolf’ lijkt diep in de psyche verankerd, getuige populaire sprookjes als Roodkapje. In legenden als die over de vondeling Romulus, de latere 'stichter van Rome’, die samen met zijn tweelingbroer door een wilde wolvin werd opgevoed, komen andere sentimenten bovendrijven. Uit de overlevering blijkt kortom vooral ambivalentie: we voelen ons niet alleen bedreigd door dit wilde roofdier, het fascineert ons ook.
Met die ambivalentie kreeg Desiree Versteeg uit Duiven onmiddellijk te maken. Zodra de pers lucht kreeg van de waarneming - 'Wolf na honderd jaar terug in Nederland!’ - werd Versteeg, zoals ze het zelf uitdrukt, 'letterlijk en figuurlijk ’s ochtends uit bed getrokken, een draaimolen in gesleurd en daar ’s avonds om acht uur weer uit gedonderd’. Dat op zich stoorde de nuchtere Gelderse niet eens: het is meer wat men met die informatie deed. 'Er werd enorm paniekvoetbal gespeeld hier en daar. Op een artikel in De Gelderlander kwamen veel reacties van lezers: moet ik nu mijn katten binnenhouden, kan ik nog met mijn poedel over straat, wat moet ik met mijn schapen doen?’ Dat de wolf in Duiven, als het dat inderdaad was, banger voor Versteeg was geweest dan andersom maakte weinig indruk. 'Mensen hebben echt een heel verkeerd beeld van de wolf.’
Al gaat een schuw dier als de wolf de mens van nature uit de weg en komt het hoogst zelden voor dat iemand door wolven wordt gedood - er sterven heel wat meer mensen door bijensteken -, Reinhardt en de Duitse natuurbeschermingsorganisatie NABU realiseerden zich terdege dat de wolf zijn reputatie tegen had, en organiseerden bij zijn terugkeer een Willkommen Wolf-campagne. Reinhardt: 'Van het begin af aan hebben we geprobeerd het grote publiek goed te informeren, en feiten van fabels gescheiden te houden. Nog altijd doen we veel aan pr, we houden vaak lezingen, en telkens als we nieuwe gegevens hebben maken we die bekend. Dat heeft tot nog toe goed gewerkt, in ieder geval in de omgeving van Lausitz.’
Duitse regionale overheden werken ook mee. Boeren die voor hun schapen vrezen, krijgen subsidie om hun land met schrikdraad af te zetten. Worden desondanks schapen gegrepen - en dat gebeurde in de deelstaat Saksen, waar de meeste Duitse wolven zitten, het afgelopen decennium zo'n driehonderd keer - dan kunnen de boeren aanspraak maken op een schadevergoeding, die ze sinds kort overigens niet meer krijgen als ze geen beveiligingsmaatregelen hebben getroffen. Hierbij moet opgemerkt dat in Duitsland nog altijd veel meer schapen door honden worden doodgebeten. Volgens Reinhardt zijn het eigenlijk alleen de jagers in haar land die de wolf een kwaad hart toedragen: 'Ze voelen de wolf als competitie, het is een emotionele kwestie. En misschien speelt ook mee dat we jagers niks hebben kunnen “teruggeven”, zoals de boeren.’
Bij Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten, waar men de terugkeer van de wolf toejuicht, onderkent men de wenselijkheid van een publiekscampagne, maar men heeft die nog niet klaarliggen. Beide organisaties denken dat het de komende jaren bij verkenners zal blijven, zoals de lone wolf in Duiven, en dat het nog wel tien jaar kan duren eer zich hier een roedel vestigt. 'Maar’, zegt de aan Natuurmonumenten verbonden ecoloog Michiel van der Weide, 'van de zeearend dachten we dat ook, en toen was-ie d'r ineens.’

Beeld: Thomas Masuhr


De toekomst: inteelt
De meeste Duitse wolven stammen af van het paar dat zich ruim tien jaar geleden in de Lausitz vestigde, en zijn daarom nauw verwant. Broer en zus paren niet met elkaar, maar, zegt onderzoekster Ilka Reinhardt, ‘veel van onze wolvenkoppels zijn neef en nicht’. Als hun afstammelingen naar Nederland komen, zou dat na twee, drie generaties problemen kunnen geven.
Een middel om inteelt in Duitsland terug te dringen en de gene pool te vergroten, zou kunnen zijn: van tijd tot tijd met een helikopter een wolf uit, zeg, Roemenië importeren. Maar Reinhardt roept onmiddellijk nee: ‘Dat kan hier echt niet. Veel mensen hebben toch al de neiging te geloven dat de wolf niet spontaan naar Duitsland is gekomen, ze verdenken ons ervan ze stiekem te hebben geherintroduceerd.’
Reinhardt wil het beetje goede wil dat ze inmiddels bij het grote publiek heeft opgebouwd niet verspelen: ‘Die wolf is zelf teruggekomen en zal zich hier ook zonder onze hulp moeten zien te redden. Het enige wat we voor ze kunnen doen is voor betere natuurlijke verbindingen zorgen met Polen, zodat wolven hier gemakkelijker naartoe kunnen komen.’ Ook zou het helpen als in het zuiden de Frans-Italiaanse wolvenpopulatie zich uitbreidde. In de toekomst zouden die wolven dan kunnen mengen met de Duits-Poolse.