Roddy Doyle, Oh, Play That Thing

Op de vlucht in Amerika

Roddy Doyle

Oh, Play That Thing

Jonathan Cape, 376 blz., € 19,90

Zeven jaar nadat hij de Booker Prize had gewonnen voor zijn schelmen roman Paddy Clarke Ha Ha Ha (1993) publiceerde de Ierse schrijver Roddy Doyle De ster Henry Smart, deel 1 van de romantrilogie De laatste oproep, die de hele bloedige Ierse geschiedenis van de twintigste eeuw – inclusief een Amerikaans avontuur – lijkt te willen beschrijven. De ster Henry Smart is een picareske roman over een verdwijnende vader en een zoekende zoon tegen de achtergrond van de jammerlijk mislukte Ierse Paasopstand in 1916 tegen het koloniale Engeland. Henry Smart, geboren in 1901, is een piepjonge Paasopstandeling, een naamloze uit de Dublinse krottenwijken, een niemand aan de rand van de hoerenbuurt Nighttown, een marginale moordenaar die zich laat gebruiken door economische en politieke samenzweerders. Vochten de zogenaamde idealisten om Ierlands vrijheid? In De ster Henry Smart is Ierland slechts een «kluit modder», een hoerenkast met als uitsmijter Henry Smart & Co: een vader met een houten been en een zoon als een volkse Don Juan die na elkaar de tent bewaken en de vuile zaakjes opknappen voor de onzichtbare eigenaar. Tot het Henry Smart te heet onder de voeten wordt, hij zijn vrouw Miss O’Shea en dochtertje Saoirse (Iers voor vrijheid) en vaderland verlaat en jarenlang op de vlucht blijft voor zijn vroegere opdracht gevers.

Het is 16 maart 1924 als «nobody» Henry Smart zijn verleden achter zich denkt te hebben gelaten en hij als een van de vele Ierse emigranten Manhattan binnenkomt. «Ik kon mezelf in New York begraven», zo luidt Roddy Doyles openingszin van deel 2 van De laatste oproep: Oh, Play That Thing. Maar ondanks zijn inspanningen om op te gaan in de stadse massa en alle banden met de Oude Wereld door te snijden, blijft «de gepensioneerde revolverheld» Henry Smart opvallen en blijven de Ierse wraaklustigen hem op de hielen zitten. Zijn jachtige bestaan van het ene baantje (reclame, sjouwwerk, illegale drankhandel) naar het andere liefje wordt effectief weergegeven in afgeknotte dialogen, kortaffe zinnen, herhalingen en telegramstijl die Smarts opgejaagdheid weerspiegelen. Andermaal komt hij terecht in de marge van de maatschappij, daar waar de raakste klappen vallen, en ontsnapt ternauwernood aan de macht van de New Yorkse onderwereld. Het lukt hem niet een «invisible man» te worden. Zijn carrière in de reclamewereld breekt in de knop, hoewel het tot hem doordringt dat niet het product maar de verleidelijke aanprijzing de essentie van de twintigste-eeuwse marketing is. «De markt wil het.» We zijn in het Amerika van de roaring twenties en de Harlem Renaissance. De beurskrach van 1929 komt eraan, maar niemand weet het nog.

Het zijn de sterke vrouwen in Oh, Play That Thing die niet alleen voor Henry Smart vallen maar die op hun beurt hun minnaar voor een desastreuze val behoeden.

Als hij is aanbeland in Chicago en toevallig terechtkomt in een bluestent in State Street raakt Henry Smarts leven verweven met de opkomst van een jazzfenomeen: Louis Armstrong. Smarts onbezoldigde baantje als bodyguard van de trompettist en crooner levert avonturen op die zowel inzicht geven in de opkomst van de stadsjazz als in de systematische apartheidspolitiek die Amerika teisterde. De «ofay» (bleekscheet) Smart moet deuren openen voor Armstrong, die voor zijn gigs afhankelijk is van machtige blanke managers. Beiden zijn ontheemd, blijven op de vlucht en moeten de wet wel overtreden (inbraken) om in leven te kunnen blijven. Ze improviseren hun leven zoals Armstrong zijn trompet bespeelt: «Yes sir. And I will not be heard unless some white man says the say-so.»

Hoewel Henry Smart tijdens een inbraak zijn vrouw en dochter weer terugvindt (een al te gemakkelijke deus ex machina), verdrijft de machtige Italiaanse maffia van Chicago het tweetal naar New York, ogenschijnlijk een kosmopolitische stad maar wel een «waar het zwarte talent via de achterdeur binnenkwam». De jazz en blues gaan een grootse toekomst tegemoet, maar dan wel vercommercialiseerd en gladgestreken voor de tere blanke oren, en Armstrong dient zich te plooien naar die massamarkt, naar de ontluikende platenindustrie. In de jaren dertig drijven Armstrong en Smart – een mooie combinatie van een historische persoon en een fictioneel personage – uit elkaar. Andermaal staat Smart tot aan zijn knieën in de Grote Geschiedenis, maar nu oefenen de markt en de muziekmaffia terreur uit, in plaats van de nazaten van de Ierse Paasopstand.

Het slotdeel van Oh, Play That Thing beschrijft het rampzalige hobobestaan van het verenigde gezin Smart. Ze zwerven in de jaren dertig kriskras door een Amerika dat in een economische crisis verkeert. Om in leven te blijven zijn de Smarts afhankelijk van seizoenarbeid en diefstal. Op zijn existentiële dieptepunt raakt Henry niet alleen zijn gezin kwijt, maar ook een been. Zo vader in het bordeel dat Dublin heet, zo zoon in de economische jungle die Amerika wordt genoemd.

Mooi is het slot als Roddy Doyle zijn antiheld in 1946 – half dood en al bijna van bordkarton – in de woestijnachtige filmset Monument Valley neerlegt, waar de jonge acteur Henry Fonda, spelend in een film van John Ford, hem vindt. Maar dan weet de lezer al lang dat Doyles Oh, Play That Thing een cinematografisch geschreven Ierse exodus naar Amerika is en dat Dublin nooit ver weg was en weer heel dichtbij komt. Het is de montere wanhoop van Roddy Doyles Amerikaanse roman, geschreven in een staccatostijl die perfect een jachtige jazzstijl reflecteert, die van Oh, Play That Thing een vitalistische vertelling over overlevingskunst maakt.