Op de vlucht voor zichzelf

Joris Iven
Alles bij elkaar
Uitgeverij P, 96 blz., euro 12,50

Joris Iven is een dichter die alle kanten op wil. In zijn gedichten doet hij verslag van reizen naar Sibiu, Ronda, Dún Loghaire, Ho Chi Minstad en Praag. Hij laat de meest uiteenlopende figuren optreden in zijn gedichten. De dichter spreekt als Harold Shipman, de Engelse huisarts die 215 van zijn patiënten vermoordde, richt het woord tot kunstenares Frida Kahlo en beschrijft het laatste levensjaar van Franz Kafka aan de hand van zijn geliefde Dora Diamant. Aan onderwerpen geen gebrek. Toch lijkt het overheersende onderwerp de drang van de dichter te ontsnappen aan zichzelf. Door verhalen in te duiken, andere personages te worden en onbekende steden te verkennen. Hij doet denken aan een acteur die op zoek is naar een overtuigende rol om te spelen.

In het gedicht Ademzucht, hartstocht voor Frida Kahlo slaat hij de plank mis. De dichter roept haar aan als een godin, prijst haar uiterlijk, bezingt haar kunstenaarschap, en ziet een band met haar omdat zij stierf in het jaar 1954, het jaar waarin hij is geboren: «Je blies je laatste adem uit in het jaar/ dat ik de eerste lucht inhaleerde.» Het is een niet erg overtuigende basis voor verwantschap. Maar hij meent dat die bestaat: «Maar je hebt je hartstocht bewaard/ en overgedragen op mij –/ om te leven, te overleven.» Iven gebruikt in dit gedicht te veel woorden om een fascinatie te tonen die waarschijnlijk vooral interessant is voor hemzelf.

Maar dezelfde dichter schrijft in het vierde deel van de bundel Gebroken beloften haarscherpe prozagedichten. In Nachtelijk spel beschrijft hij een situatie waarin hij ’s ochtends ontwaakt alsof het midden in de nacht is:

Alles was donker en stil: de kamer, het huis, de tuin, de straat.

Van lantaarns en hemellichamen viel geen licht naar binnen.

De gordijnen hingen roerloos voor het raam, als nooit tevoren.

De wekker tikte niet, de kleerkast kraakte niet, het bed piepte niet.

Hij beschrijft hoe er uit het behang het gezicht van een oude man verschijnt. Het gezicht valt samen met dat van de dichter en stamelt: «ik ben het doodshoofd moe.» Hier wil de dichter voor het eerst niet iemand anders zijn, maar ook niet zichzelf als oude man:

Ik maakte me plots van mijn lichaam los, stond op en ging

in een andere kamer op de klok kijken. Ik knipte het licht aan

op de tast. De klok stond stil. Ik bevond me in een andere kamer

in een ander huis met een andere tuin in een andere straat. Toen

ik die ochtend wakker werd, was dit leven een droom geweest.

De droge beschrijvingen roepen een sfeer op die zowel kalm is als angstaanjagend. Het mooie is dat je tot na het lezen van de laatste regel van het gedicht niet weet welk leven van de dichter een droom is geweest.

In het gedicht Zelfportret beschrijft de dichter zichzelf als etalagepop. Of beschrijft hij het leven van een man die zich een pop waant? Het acht (kleine) pagina’s tellende gedicht weet tot het einde in het midden te houden of er een man of een beeltenis van een man aan het woord is, en het wordt steeds aannemelijker dat het gaat om iemand met een gestoord zelfbeeld; misschien zelfs een schizofreen die een hersenoperatie heeft ondergaan.

Alleszins,

achter rechtlijnige littekens

gaan mislukte operaties schuil.

Waar

littekens gekarteld worden aangebracht

verloopt de heling zacht.

Aan wat het bezoek de dood noemt

heb ik een vage herinnering.

Ik sta in een etalage met mijn hoofd

dat tot een moestuin is omgedoopt.

Op mijn hoofd

groeien nu eens aardbeien, dan tomaten

en altijd lange stelen prei.

Ik kan er niet meer bij.

Je weet als lezer niet zeker of je er niet te veel van maakt wanneer je in de pop een geopereerde patiënt gaat zien. De man die aan het woord is, weet het zelf ook niet. Hij kan er niet meer bij.

Kenmerkend voor de man die op zoek blijft naar een huid om in te kruipen, is het openingsgedicht Adviezen aan een fotograaf. De man die het liefst zichzelf ontvlucht, voelt zich wellicht bedreigd door de man die hem met zijn camera kan vastleggen. In een poging tot verzet gaat hij zich met de techniek van de fotograaf bemoeien en raadt hem aan: «van onderwerp veranderen/ van man de straat, voortdurend/ omkijken, het gebeurt achter je/ buiten de lens en de sleur, maar/ je bent aanwezig, medeplichtig,/ dader. Doe het een keer, doe het nu.» Het advies dat Iven de fotograaf geeft, lijkt hij ook zelf als dichter op te volgen. Dan begint de fotograaf verdacht veel op de dichter te lijken die in deze bundel overal en in iedereen kan opduiken.