Bedrijven geven steeds minder weg

Op de wachtlijst bij de voedselbank

Voedselbanken helpen mensen die door de mazen van sociale vangnetten glippen. Maar wie redt de voedselbanken, nu die door de recessie ook kampen met tekorten?

VRIJDAG IS een drukke dag bij de Tilburgse Voedselbank. ’s Ochtends komen voedselbanken uit de regio hier voedsel ophalen, ’s middags worden voedselpakketten aan bewoners van Tilburg uitgedeeld. Dat zijn iedere week ongeveer driehonderd pakketten, waar rond de negenhonderd mensen van eten. In 2010 werd bij deze voedselbank meer dan een miljoen kilo voedsel uitgedeeld.
‘Kom, dan gaan we meteen even in de hal kijken’, zegt directeur Toon Erkelens. Hij gaat voorop naar een grote, hoge loods, met lange rijen stellingen waar pallets met blikken, pakken en flessen hoog staan opgestapeld. Het is er koud, zeker ’s ochtends vroeg als de roldeuren open zijn omdat vrijwilligers druk bezig zijn met het laden en lossen van vrachtwagens. Mensen zijn in de weer met elektrische pallettrucks, verplaatsen voedsel van de voorraadruimte naar de uitgiftehal en geven op lijsten aan hoeveel krentenbollen, tomaten of flesjes IceTea iedereen mee mag nemen. De vrijwilligers zijn voornamelijk oudere mannen, gekleed in dikke bodywarmers, met een sigaret alvast gereed achter het oor.
Erkelens beent tussen de schappen door, wijst op de producten, opent de koeling die vol zit met vlees, en trekt hier en daar het plastic van een pallet los om de inhoud te laten zien. Hij houdt een blik sperziebonen omhoog. Niks mis mee, houdbaar tot maart 2016. 'Dit merk gaat over op een nieuw etiket,’ zegt hij. 'De fabrikant blijft dan met een paar pallets conserven zitten die niet meer naar de winkel kunnen, en die mag de voedselbank dan komen halen.’ Hij wijst op flesjes biologisch vruchtensap met een houdbaarheidsdatum die over een week verstrijkt en op pakken noedels waaraan niet te zien is wat eraan mankeert. Meestal zijn het overschotten, of producten waarvan de verpakking afwijkt van de norm.
'We krijgen flesjes stroop waarvan het etiket net iets uit het midden staat’, vertelt Erkelens. 'Afgekeurd. We hadden een keer frisdrank waar 490 milliliter in zat in plaats van vijfhonderd milliliter. Als je dat verkoopt is het een economisch delict. Soms staan machines verkeerd afgesteld en doen ze maar tien in plaats van twaalf pakjes vleeswaren in een doos. Als er duizend dozen gevuld en geseald zijn voor je daarachter komt, kost het meer om die dozen open te maken en opnieuw in te pakken dan om het vlees weg te gooien. We hebben eens kippensoep gekregen die door de stukjes prei groen was geworden terwijl die soep geel moet zijn. Die komt vanwege de kleur niet door de kwaliteitscontrole, maar dat was prima soep. Barstensvol met kip.’
Bij distributiecentra van voedselbanken rijden vrachtwagens iedere dag af en aan. Bij producenten en winkels halen ze voedsel op dat niet meer verkocht kan worden maar dat nog geschikt is voor consumptie. De lading wordt afgeleverd bij een voedselbank of distributiecentrum, en eventueel weer verdeeld onder andere voedselbanken, waar mensen die heel weinig te besteden hebben iedere week een voedselpakket kunnen ophalen. 'Wij verdelen de rest’, is het motto. Zo vormen voedselbanken de schakel tussen verspilling en armoede en voeden ze wekelijks zestigduizend monden.
Het aantal voedselbanken in Nederland is de laatste jaren flink gegroeid en inmiddels is de recessie ook hier te voelen. Veel voedselbanken kampen met tekorten. 'In de grondgedachte was het een model van communicerende vaten’, vertelt Leo Wijnbelt, voorzitter van de landelijke stichting Voedselbanken Nederland. Verspilling en armoede zouden elkaar volgens die gedachte oplossen. Maar, geeft hij toe, 'die vaten communiceren niet goed’. De voedseltoevoer stagneert, terwijl het aantal klanten blijft stijgen.

DE COMBINATIE van een groeiende vraag om voedselpakketten en een krimpend voedselaanbod heeft er het afgelopen jaar voor gezorgd dat voedselbanken soms noodgedwongen een week moesten sluiten omdat er onvoldoende voedsel beschikbaar was om een pakket van te vormen. Andere voedselbanken delen pakketten uit die bij lange na niet aan de schijf van vijf voldoen of hebben wachtlijsten ingesteld waar soms meer dan honderd mensen op staan. 'Hemeltergend dat je in een land als Nederland op de wachtlijst van de voedselbank moet staan’, zegt Wijnbelt.
Gedeeltelijk is de stijging in cliëntenaantallen te verklaren door de groeiende naamsbekendheid van de voedselbank en doordat de schaamte niet meer zo'n hoge drempel vormt als voorheen. Het tv-programma Effe geen cent te makken (2008), waarin de familie Froger cliënt werd bij een voedselbank, heeft daar een grote invloed op gehad. 'Een andere belangrijke oorzaak van de toegenomen vraag is de combinatie van een economische crisis met bezuinigingen die de armsten treffen’, zegt Wijnbelt. 'Landelijke maatregelen rond pgb’s, kinderopvang of huurtoeslag kunnen gezinnen die het niet breed hebben financieel hard raken. Daarnaast houden bedrijven de efficiëntie van het productieproces beter in de gaten, waardoor er minder overproductie is. Voorraden kosten geld, en als de winst onder druk staat, wordt daar meer op gelet. Als bedrijven minder voorraden aanleggen, gebeurt het minder snel dat een product de houdbaarheidsdatum nadert en aan de voedselbank wordt geschonken. Bovendien zijn er handelaren op de markt die grote restpartijen opkopen. Van die opkopers krijgen producenten weinig geld, maar als ze het voedsel aan de voedselbank schenken, krijgen ze niets.’
De allerarmsten, die afhankelijk zijn van de wekelijkse boodschappen van de voedselbank, komen in de problemen als de tekorten van de voedselbanken toenemen. Cliënten van de Tilburgse Voedselbank beamen dat. 'Als ik een week geen pakket zou krijgen, zou ik niks te eten hebben’, zegt Jolanda Zondervan, die al ruim een jaar bij de voedselbank komt. Arno Bierens vertelt: 'Wij hebben zes euro leefgeld per dag. Als we een week geen voedselpakket zouden krijgen, betekent dat wel een flinke hap uit het budget.’ In dat geval zouden mensen moeten leven van wat ze toevallig nog in huis hebben, denkt Anne-Marie Bayens. 'Dan eten ze misschien alleen aardappelpuree.’ Ze zucht. 'Kei zielig.’
In juni 2011 trok de stichting Voedselbanken Nederland aan de bel. Er werd een brandbrief over de tekorten geschreven aan staatssecretaris Bleker, waarin de voedselbanken vroegen om gebruik te mogen maken van het voedsel dat de Europese Unie via het minstbedeeldenprogramma PEAD (Programme Européen d'Aide aux plus Démunis) aan alle lidstaten ter beschikking stelt. Bleker weigerde, want Nederland is van mening dat armoedebestrijding een nationale en geen Europese zaak is. 'Prima’, zegt Wijnbelt. 'Maar dan moet de overheid ook zeggen: wij pakken onze verantwoordelijkheid op die en die manier op.’

IN DE VOORRAADLOODS van de Tilburgse Voedselbank vertelt Toon Erkelens dat producenten vaak bang zijn dat er iets met hun producten gebeurt. Als een product niet goed is, associëren cliënten dat met het merk, en niet met de voedselbank. Om het vertrouwen van de producenten te behouden en zo de voedseltoevoer in stand te houden, wordt het voedsel zo zorgvuldig mogelijk behandeld. Regels van de Voedsel en Waren Autoriteit worden gevolgd, tijdens transport en uitgifte wordt de temperatuur van de verse producten voortdurend in de gaten gehouden en voedsel waarvan de houdbaarheidsdatum verstreken is, wordt nooit uitgedeeld. Leveranciers mogen altijd komen kijken hoe de voedselbank functioneert en wat er met de producten gebeurt. 'We hebben eigenlijk maar drie waarden: transparantie, transparantie en transparantie’, zegt Erkelens.
Als een vrouw met lang blond haar op het raam tikt en fluistert dat ze vreselijk ziek is geworden van de kroketten uit het voedselpakket, gaan dan ook direct alle alarmbellen rinkelen. Erkelens haast zich naar de kantine waar een aantal vrijwilligers koffie zit te drinken. 'Jongens, wat waren dat voor kroketten die vorige week uitgedeeld zijn? Die moeten diepgevroren zijn geweest. Van welke leverancier kwamen die?’ Collega’s kijken verbaasd op. 'Die hebben we zelf vorige week ook gegeten’, zegt een man. 'Het kan eigenlijk niet dat daar iets mis mee was. Dat waren die kroketten waar olijven in zaten.’ Toch wordt uitgezocht om welk product het gaat, waar het vandaan komt en hoe het is behandeld. De conclusie halverwege de dag: hier kan niets mis mee zijn geweest. Als de vrouw ’s middags aan de beurt is om haar voedselpakket op te halen, spreekt Erkelens haar nog eens aan. 'Ik heb het uitgezocht van die kroketten. Dat waren geen vleeskroketten, daar zaten olijven in. Dat is waarschijnlijk helemaal niet jouw smaak.’ 'O!’ zegt de vrouw. 'Daar ben ik allergisch voor, daar word ik altijd heel ziek van.’
Vanaf 13.00 uur kunnen mensen voedsel komen halen. Ze kunnen dan ook even gaan zitten in de koffiehoek, een broodje eten of iets drinken met andere cliënten. Om 10.00 uur ’s ochtends zit er al een groepje vrouwen te wachten op een bankje voor het kantoor. Als de uitgifte bijna begint, staat er een lange rij. 'De eerste keer schaamde ik me echt dood’, vertelt Anne-Marie Bayens. 'Je staat daar in de rij, bang dat je iemand tegenkomt die je herkent.’ Ook een van de vrijwilligers zegt soms mensen tegen te komen die hij kent. 'Die doen altijd net alsof ze me niet zien en gaan zo snel mogelijk weer weg.’
De hele middag drommen mensen om het uitgestalde voedsel. Van de prei, champignons en andijvie schuifelen ze langs flessen barbecuesaus, vlees en aardappelschijfjes naar brood, frisdrank en snoep. Sommigen gaan even zitten aan een van de tafeltjes, maar de meesten lopen snel langs het voedsel en verzamelen wat ze mee kunnen nemen. Ze kijken schichtig om zich heen, lopen de fruitsectie ongemerkt voorbij en schrikken als iemand ze naroept. Of ze een ananas willen? De beweging hapert heel even. Sommigen schudden nee, anderen lopen even terug, kijken naar wat schimmelplekjes op de schil, en vragen: 'Mag ik er twee?’
Als het buiten begint te schemeren is de hal weer verlaten. Vrijwilligers vegen bladeren en stukken karton weg en zetten voedsel dat niet uitgedeeld is op pallets. Een lokale voedselbank die op vrijdagavond voedselpakketten uitdeelt, komt met een vrachtwagen voorrijden om het overschot op te halen. Niets wordt weggegooid.
Vaak ontstaat behoefte aan hulp van de voedselbank plotseling. Er verandert onverwacht iets in de financiële situatie, waardoor inkomen en vaste lasten niet goed meer op elkaar afgestemd zijn. Mensen verliezen hun baan, moeten de hypotheek blijven betalen terwijl een uitkering nog niet geregeld is en er geen geld binnenkomt. Of een deel van het inkomen valt weg na een echtscheiding, een partner weigert alimentatie te betalen en alle vaste lasten tikken gewoon door. Er zijn zzp'ers zonder opdrachten, huiseigenaren die hun huis niet verkocht krijgen en uiteindelijk gedwongen zijn het met groot verlies van de hand te doen. Veel klanten van de voedselbank zitten in de schuldsanering en moeten rond zien te komen van een minimaal budget. Wijnbelt: 'Veel van onze cliënten zitten in een milieu waar bij niemand ruimte is. Op een gegeven moment ben je dan uitgeleend. Mensen nodigen geen vrienden meer uit, want ze hebben niets aan te bieden. Op uitnodigingen gaan ze niet in, want dan moeten ze mensen ook terugvragen. Mensen krijgen gezondheidsproblemen, want goedkoop voedsel is vaak ongezond.’
Bayens kan over al die problemen meepraten. Jaren geleden kwam ze in de schuldhulpverlening terecht en begon een lange periode van aflossing waarin ze ook cliënt werd van de voedselbank. Toen haar schuld net volledig afbetaald was, vielen er brieven van de belastingdienst op de mat, met hoge naheffingen over een periode van vier jaar. Nu komt ze weer wekelijks bij de voedselbank, want van de dertig euro die ze per week te besteden heeft, blijft weinig over voor voedsel.
'Voordat ik voor het eerst naar de voedselbank ging, heb ik mijn auto en mijn sierraden verkocht. Toen had ik echt niets meer. Ik had een week op suikerklontjes en water geleefd en had maat 36. Ik kan de week wel doorkomen met het voedselpakket, maar vaak zitten er kroketten in, of frikadellen, en altijd wel friet. Nu heb ik maat 46.’ Toch is ze erg blij met de voedselhulp. 'Als ik nu op vrijdag thuiskom, begint het weekend echt. Dan zet ik al mijn boodschappen op het aanrecht. De potjes en de blikjes zet ik weg voor later, de verse spullen moet ik meestal in het weekend opeten. Vaak zit er ook iets lekkers bij, bijvoorbeeld chips. Die zet ik dan op mijn tafeltje, dan ga ik naar The Voice of Holland kijken en voel ik me heel erg rijk.’ Aan het einde van de week is het voedsel meestal bijna op. 'Op donderdag begint iedereen elkaar te bellen. “Heb jij nog…?” of “Kan ik bij jou eten?”’
Stichting Voedselbanken Nederland zou graag een beroep willen doen op het Europese minstbedeeldenprogramma PEAD. 'Dat is de kortste weg naar een oplossing van het probleem van de tekorten’, zegt Leo Wijnbelt.
'Dat PEAD-programma heeft een vrij bizarre ontstaansgeschiedenis’, vertelt Europarlementariër Marije Cornelissen van GroenLinks. 'In de jaren tachtig waren er gigantische overschotten ontstaan door het Europese landbouwbeleid. Er is toen besloten om die interventievoorraden, de boterbergen, melkplassen en graanschuren te verdelen onder de armen.’ Nederland heeft om principiële redenen nooit gebruikgemaakt van het minstbedeeldenprogramma. 'Kwalitatief en kwantitatief is het EU-voedsel precies wat cliënten van de voedselbank nodig hebben’, legt Voedselbanken Nederland-voorzitter Wijnbelt uit. 'Het gaat om granen, rijst, zuivel: precies die producten waar wij een tekort aan hebben. Wat wij nu ontberen, is gewoon beschikbaar.’
'Ik begrijp heel goed dat Voedselbanken Nederland van dit programma gebruik wil maken’, zegt Cornelissen. 'Iedere voedselbank voert een continue strijd om voedsel, maar met dit verzoek staan de Nederlandse voedselbanken een beetje buiten de politieke werkelijkheid.’ De Europese interventievoorraden zijn de laatste jaren enorm afgenomen en het PEAD-budget van vijfhonderd miljoen euro wordt inmiddels grotendeels gebruikt om voedsel in te kopen op de Europese markt om aan de vraag van voedselbanken te voldoen. Eerder dit jaar heeft het Europese Hof dit verboden. Landbouwbudget wordt nu gebruikt voor armoedebestrijding, een sociale zaak, en dat mag niet. Door die beslissing wordt het budget van het PEAD-programma per 1 januari 2012 teruggebracht van vijfhonderd naar 113 miljoen euro, en zal het later helemaal verdwijnen.
'Het was een heel logisch idee om die interventievoorraden te verdelen onder de armen, maar er is wel een enorme afhankelijkheid mee gecreëerd’, zegt Cornelissen. Inmiddels krijgen achttien miljoen Europeanen voedsel via het PEAD-programma, en die mensen komen in de problemen als de Europese voedselhulp stopt. Ondanks protest van Nederland zal er een overgangsregeling komen die de armste landen de mogelijkheid geeft zich in te stellen op de nieuwe situatie. Cornelissen: 'Dat zal een regeling worden voor de landen die nu de dupe zijn, en zeer waarschijnlijk niet voor andere landen die nog toegelaten worden. Het lijkt mij echt een illusie dat Nederland nog gebruik zou kunnen maken van het EU-voedsel.’

ER ZIT EEN spanning in de verhouding tussen voedselbanken en de overheid. Voedselbanken vangen diegenen op die door de mazen van de reguliere sociale vangnetten glippen. Moet de overheid dan de voedselbank opvangen als die het niet dreigt te redden? Dat betekent niet alleen toegeven dat het sociale vangnet niet altijd even goed functioneert, maar het kan ook niet meer zijn dan een doekje voor het bloeden: symptoombestrijding. Het staat een werkelijke oplossing in de weg. Maar dat de overheid weinig mogelijkheden heeft om de voedselbanken te ondersteunen verandert niets aan het probleem. Voedselbanken kampen nu al met tekorten, en er wordt verwacht dat het aantal cliënten binnen enkele jaren kan verdubbelen als gevolg van economisch zwaar weer en bezuinigingsmaatregelen.
Omdat Europese voedselhulp voor Nederland waarschijnlijk geen optie is, wordt er gekeken naar andere manieren om het hoofd boven water te kunnen houden. Er wordt gewerkt aan een betere verdeling van voedsel over de regio’s. Daarnaast is er voor kleinere voedselbanken nog wat te winnen op het gebied van organisatie en efficiëntie, en blijft het nodig om de naamsbekendheid en het bewustzijn van verspilling bij bedrijven te vergroten.
Ger Schopman, die namens de Voedselbank Arnhem verantwoordelijk is voor de acquisitie van voedsel, vertelt: 'Een groot probleem bij bedrijven is dat er geen focus is. De logistiek manager zegt: “Die partij staat in de weg, gooi maar weg.” De commercieel verantwoordelijke zegt: “Wacht even, ik kan daar altijd nog een dubbeltje per stuk aan verdienen”, en de brand-manager zegt: “Vernietigen dat spul, want ik wil niet dat het bij de Action terechtkomt.” Alleen al binnen één bedrijf heb je soms heel verschillende opvattingen over wat te doen met overschotten.’
Maar vernietiging van een product kost soms een veelvoud van de productiekosten. Als een bedrijf een paar pallets overschot heeft staan, kan het duizenden euro’s goedkoper zijn om het voedsel weg te geven aan de voedselbank dan om het te vernietigen, zeker als er een complexe verpakking omheen zit. 'Als bedrijven overschotten doneren aan de voedselbank, heeft dat voor iedereen voordelen’, zegt Schopman. 'Wij kunnen er mensen mee helpen, het bedrijf bespaart flink op vernietigingskosten en kan er ook nog eens goede sier mee maken dat het het milieu probeert te ontlasten door verspilling tegen te gaan. Ik zeg ook altijd tegen bedrijven: “Ik vraag u geen gunst, ik wil gewoon partner in business zijn.” Bedrijven beginnen door te krijgen dat het bijna een beetje sexy is om overschotten naar de voedselbank te brengen. Een paar jaar geleden zeiden ze: “Je mag hier voedsel komen halen, maar wel in een neutrale vrachtwagen. Ik wil niet dat mensen zien dat ik aan de voedselbank lever, want dan zouden ze kunnen denken dat ik rotzooi verkoop.” Tegenwoordig zetten bedrijven op hun website dat ze leverancier van de voedselbank zijn.’
Schopman trommelt op de tafel. 'Ik kom nog altijd mensen tegen die beweren dat voedselbanken onzin zijn, dat er in Nederland geen armoede is. Dan vraag ik: “Denkt u dat, of weet u dat zeker?”’


Voedselbanken in Nederland
‘Voedselhulp is van alle tijden’, vertelt Tom Hillemans, voorzitter van de Voedselbank Arnhem. ‘In Nederland is dat altijd voornamelijk via kerkelijke organisaties gegaan. Na de jaren zestig ontstond het idee dat we hier zulke goede vangnetten hebben dat voedselhulp eigenlijk niet meer nodig was. Daarnaast is door de ontkerkelijking de invloed van de kerk veranderd. Door die twee veranderingen was de voedselhulp vrijwel uit Nederland verdwenen. Tien jaar geleden is er door verschillende mensen geconstateerd dat de vangnetten minder goed waren dan we dachten, en dat er wel degelijk mensen zijn die in heel pijnlijke situaties zitten.’ Ruim tien jaar na de opening van de eerste voedselbank zijn er verspreid over het hele land nu 130 ‘filialen’.
‘Wij realiseren ons dat het beschikbaar stellen van een wekelijks voedselpakket symptoombestrijding is en geen oplossing’, zegt Hillemans, die zich ook inzet voor de landelijke stichting. ‘Daarom kunnen mensen ook alleen via een professionele hulpverlener bij ons terechtkomen. In de gezinnen die wij zien moet breder gekeken worden naar de problemen die spelen, waar die vandaan komen en hoe ze opgelost kunnen worden. We verstrekken geen pakket zonder traject. Als voedselbank zijn we eigenlijk alleen een logistiek bedrijf. De hulpverlening laten we graag over aan de professionals.’
Stichting Voedselbanken Nederland bepaalt de inkomensgrens waar mensen onder moeten zitten om in aanmerking te komen voor een voedselpakket. Na aftrek van vaste lasten zijn dat de volgende bedragen per maand:

Eenpersoonshuishouden 175 euro
Meer volwassenen vanaf 18 jaar 60 euro
Kinderen t/m 12 jaar 25 euro
Kinderen 13-18 jaar 50 euro