Essay: de hollandse identiteit

Op doorreis naar het vaderland

Zoek jezelf, wees jezelf. Er wordt wat afgetobd over onze nationale identiteit. Wie zijn wij en wat hebben we nog met elkaar gemeen? Op zoek naar Hollanders in Siberië die zo vasthielden aan hun eigenheid dat ze niet meer bestaan.

Nederland is op zoek naar zichzelf. Intellectuelen en politici tobben over onze nationale identiteitscrisis en zoeken een antwoord op de vraag wie wij Nederlanders zijn en wat we nog met elkaar gemeen hebben. Er zijn paniekerige pogingen om een nieuwe nationale doctrine vast te leggen. De regering heeft een commissie benoemd die de «canon van Nederland» moet produceren: «het geheel van belangrijke personen, teksten, kunstwerken, voorwerpen, verschijnselen en processen, die samen laten zien hoe Nederland zich ontwikkeld heeft tot het land waarin we nu leven».

Het idee om van hogerhand een intellectueel richtsnoer op te stellen, is tekenend voor de huidige verwarring in Nederland. We zoeken een houvast in een wereld waarop we onze grip lijken te hebben verloren. We voelen ons overgeleverd aan flitskapitaal en goederenstromen. Zelfs in ons eigen land zijn we niet meer vanzelfsprekend onder elkaar, tussen mensen die dezelfde taal spreken en er hetzelfde wereldbeeld op nahouden als wij.

Maar hoe meer we ons afvragen wat dat eigenlijk is, een Nederlander, hoe vager het antwoord. Hoe moeten we uit de eeuwen van Nederlandse geschiedenis, uit al die mensen, gebeurtenissen, bouwwerken en boeken zoiets als een nationale identiteit destilleren? Hoe zouden we al die tegengestelde meningen en gezichtspunten kunnen verenigen?

Een paar jaar geleden hoor ik over Hollanders die door een gril van de geschiedenis diep in de Siberische taiga terecht waren gekomen en daar zijn vergeten. Het is een onweerstaanbaar romantisch idee. Een verloren stam! Oer-Hollanders! Vier eeuwen schenen ze gedaan te hebben over hun lange tocht naar het oosten. Ik besluit hen na te reizen, hopend dat ze in hun eenvoud en afzondering iets hebben bewaard wat niet meer bestond in het vaderland dat hun voorouders ooit achter zich hadden gelaten. Misschien dat ik in Siberië kan ontdekken wat het betekent om een Hollander te zijn.

Ik stopte voor een laag, donker huis dat dichter bij de weg lag dan de andere. De kozijnen waren bleekblauw geverfd maar misten de tierlantijnen van het houtsnijwerk waarmee Russische boeren hun ramen inlijsten. De ruiten waren te klein en te vuil om te kunnen zien of er iemand thuis was. Ik keek omhoog. Er steeg een sliertje rook op uit de schoorsteen op het dak. Het hek sloot met een grendel van hout, kundig uitgesneden en glad gepolijst door jaren van gebruik. Er liep een paadje door de sneeuw tot aan de deur. Ik klopte aarzelend. Toen er na een minuut niets was gebeurd, klopte ik nog eens, langer en harder.

De deur werd opengedaan door een man met een sneeuwwitte baard en een snor die door het roken de kleur van tabak had aangenomen. Hij droeg een pet, een verschoten boerenkiel, een broek vol verstellappen, en had het rood verbrande gezicht van een buitenman.

«Pravda,» zei hij. «Klopt. Wij zijn Hollanders.» Dat laatste woord sprak hij uit met een zwaar Russisch accent. Gollèndry.

«Ik kom uit Holland,» zei ik.

De man bleef me uitdrukkingsloos aankijken. Ondanks zijn dunne kleren leek de vrieskou geen vat op hem te hebben.

«Mag ik even binnenkomen?»

Hij maakte een gebaar en verdween kromgebogen in de deuropening. Binnen rook het naar hooi en vers zaagsel. In het schemerdonker van de schuur zag ik houten werktuigen tegen de muur leunen en een berg manden van soepele glanzende wilgentenen. De boer schoof een grijze paardendeken opzij. Alsof hij het deksel van een pan kokend water had gelicht, zoveel stoom wolkte er opeens onder de deken vandaan.

De man opende een blik met grove tabak, scheurde een reepje papier uit «het Dorpsnieuws» en draaide een sigaret tussen zijn eeltige vingers. Dat ze Hollanders waren, had hij van zijn vader, vertelde hij, en die had het weer van zijn vader.

Met mijn knieën haast tegen mijn kin vroeg ik of hij wist waarom ze zichzelf zo noemden.

Hij maakte een vaag gebaar in de richting van het raam. «Mijn vader zei dat wij uit Hollandrija zijn gekomen.» Waar dat lag wist hij niet. «Ergens ginds in Europa, geloof ik.»

De achternamen van de dorpelingen verrieden iets van hun afkomst: Hildebrant, Zelent, Koents, Hinborch. Ze klonken naar een geschiedenis vol afzondering, gezwoeg en zondagse psalmen. Toen de tsaar stukken land in bruikleen gaf aan eenieder die het wilde ontginnen, waren ze naar Siberië vertrokken.

Ik wilde weten of er ook Russen in het dorp woonden. Die woonden er niet. Wat had ik dan gedacht? In Pichtinsk kreeg je van je ouders de wind van voren als je maar naar een meisje uit een ander dorp durfde te kijken.

«Wij zijn anders.» Rudolf Andrejevitsj Hildebrant zoog aan zijn sigaret.

«Hoe bedoelt u: anders?»

Die vraag bracht hem in verwarring. Natuurlijk waren ze anders, maar hoe?

Onze nationale identiteit is niet met wetenschappelijke methodes te peilen. Anders kon het Sociaal en Cultureel Planbureau een groot onderzoek houden, de uitkomsten statistisch bewerken en een rapport afleveren. Nee, begin met het beschrijven van onze nationale identiteit, en je voelt de kwintessens je ontglippen. Meestal loopt het uit op een opsomming van stereotypen, waarvan de dominee en de koopman de bekendste zijn, verklaard met een oppervlakkige interpretatie van de vaderlandse geschiedenis.

Wat het betekent om Nederlander te zijn, is net zo onberedeneerbaar als voor de hand liggend. Nationale identiteit heeft niet veel te maken met harde feiten, het is in de eerste plaats een gevoel. Schrijvers, schilders en componisten, en tegenwoordig ook reclamemakers, slagen er beter in dat gevoel op te roepen en vorm te geven dan wetenschappers.

Unox brengt zijn worstenbroodjes aan de man door in te spelen op het Nederlandse verlangen naar saamhorigheid. In de tv-reclame roept een hap van het broodje een serie typisch Hollandse beelden op, die in razend tempo aan het geestesoog voorbijschieten. Willem van Oranje, Gay Parade, klompendans, Vinex-wijk. De reclame werkt, juist omdat de beelden voor ons Nederlanders in een oogwenk te herkennen zijn.

Natuurlijk is zelfs bij oppervlakkige beschouwing duidelijk dat de reclame onzin is. Met evenveel recht kun je beelden monteren van hondenpoep, files, Dutchbatters in Srebrenica en het bebloede lijk van Pim Fortuyn. Maar de reclamemakers bedenken zich wel twee keer, want anders krijgen hun worstenbroodjes een vervelend bijsmaakje.

De nieuwe patriotten die in Nederland zijn opgestaan, zitten er niet mee dat het zo goed als onmogelijk is een evenwichtige, objectieve omschrijving te geven van onze nationale identiteit. Het gaat ze helemaal niet om kritisch zelfonderzoek, maar om het aanwakkeren van de vaderlandsliefde. Het Holland-gevoel is een wapen in de strijd tegen de maatschap pelijke malaise, peptalk voor een natie die het niet meer ziet zitten. Net zoals Unox het gebruikt om zoveel mogelijk worstenbroodjes te verkopen, gebruiken zij het om een nationale consensus af te dwingen. We moeten allemaal weer jongens van Jan de Witt worden; trots op onszelf, ons verleden en ons land.

En bij de Hollanders in Siberië? Heb ik bij hen wel een authentiek nationaal gevoel gevonden? Al bij mijn eerste bezoek merk ik dat ze van hun eigen geschiedenis alleen een vaag idee hebben. Om achter hun verhaal te komen, moet ik de archieven en bibliotheken in. De werkelijkheid blijkt minder romantisch, maar verrassender dan mijn fantasie.

Het spoor terug leidt naar de Hollandse gewesten in de zestiende eeuw, een tijd waarin het borrelde en gistte. Inquisiteurs deden hun best om de om zich heen grijpende nieuwlichterij uit te bannen: ze doorstaken de tongen die kwaad spraken van de kerk en verbrandden ketters die hun dwaling weigerden te herroepen «tot pulver aan toe». Elk jaar namen duizenden mensen op Hollandse koopvaarders de wijk naar Polen, toen een van de meest tolerante staten in Europa. De vluchtelingen, die dijken konden bouwen en polders konden droogleggen, kregen stukken land in de ongezonde moerassen in de rivierdelta’s toegewezen. De Holendry, zoals ze in het Pools werden genoemd, mochten in hun nieuwe land leven zoals het hun goed dunkte.

Hun nakomelingen vestigden zich later aan de rivier de Bug, in het zompige voorland van Europa, waar nu de grenzen van Polen, Wit- Rusland en Oekraïne bijeenkomen. Afgesneden van de kust en de kerk verzonken de kolonies in de vergetelheid. De Hollanders trouwden alleen onder elkaar. Ze voelden zich ver verheven boven de andere boeren in de buurt, die in het stro op de vloer sliepen en – erg onbeschaafd – geen ondergoed droegen. Voor de kolonisten was het dorp de maat der dingen. De grens van hun land was hun horizon. De ideeën over volk en vaderland, die in de negentiende eeuw steeds meer aanhang kregen, lieten hen onverschillig. Stel je voor! Ze maakten zich zorgen over het weer, de volgende oogst, de pacht en de belastingen.

Maar als onbetekenende minderheid waren ze overgeleverd aan de grillen van de plaatselijke potentaten. Eerst de bisschop, later de verschillende dominees, en weer later de rassenideologen van de SS en de gestaalde kaders van de communistische partij. Allemaal zagen ze de kolonisten als menselijk materiaal dat ze naar hun eigen overtuiging konden kneden. En telkens mislukte dat, en bleven de kolonisten koppig wie ze waren.

Het was een Duitser die als eerste een nationaal bewustzijn probeerde op te wekken bij de kolonisten.

Dominee Ernst Julius Freyer arriveerde in 1855 aan de Bug. Toen de Hollanders hem naar zijn toekomstige woning brachten, schrok hij. «Regen, kikkers en padden kunnen ongehinderd het domineeshuis binnenkomen,» schreef hij in de kerkkroniek. De Hollanders hadden twaalf jaar geen dominee meer gehad. «Bij deze uiterlijke tegenspoed komt de algehele verloedering van de gemeente, diep verzonken in dronkenschap, brasserij en andere zonden,» ging Freyer tekeer. «De kolonie is fysiek en spiritueel in verval.»

Freyer was net als de meeste lutherse dominees van Duitse komaf en preekte meer dan alleen het woord van God. Geheel in de geest van zijn tijd geloofde hij dat de kolonisten waren gedegenereerd omdat ze in de vreemde omgeving hun volksaard waren vergeten. Naar zijn stellige overtuiging waren ze Hauländer, Duitse kolonisten die grond ontginnen door het kappen van bos. Hun Duitse aard moest nog ergens diep in hun binnenste sluimeren; het was alleen zaak die aard weer naar boven te halen.

Daarom stelde de dominee een Duitse leraar in Nejdorf aan (de regels die onderwijs in de kolonie verboden moesten nog van kracht worden). Na een paar jaar hadden de kolonisten geleerd hun dominee te groeten met een beleefd Guten Morgen en zongen de kinderen met Kerstmis O Tannenbaum. Maar tot teleurstelling van de dominee begrepen ze geen woord van wat ze zongen. Onder elkaar bleven de Hollanders hardnekkig hun dialect spreken. Toen Freyer in 1872 overleed, pakte de leraar zijn koffers.

Als het gepraat over nationale identiteit niet méér zou zijn dan dat was er weinig aan de hand. We zouden er beleefd naar kunnen luisteren en overgaan tot de orde van de dag. Maar de nieuwe patriotten steken niet onder stoelen of banken dat ze hun zelfbedachte vaderlandse normen en waarden ook in de praktijk willen gaan toepassen. Ze willen zo niet het spirituele, dan toch het vermeende culturele verval van Nederland bestrijden door ons allemaal weer op te voeden tot goede vaderlanders.

Opdat jongeren worden opgevoed tot echte Nederlanders wordt de canon de basis van de geschiedenis lessen. Het cultuurrelativisme van de babyboomers moet plaatsmaken voor nationaal besef. Als een soort morele herbewapening, zo wordt het voorgesteld, zodat we in de oorlog tegen het terrorisme niet meer met lege handen staan.

Ook immigranten zal worden bijgebracht hoe een echte Nederlander zich gedraagt. De verplichte inburgeringscursus, ooit bedoeld om nieuwkomers Nederlands te leren en de weg te wijzen in de ingewikkelde instanties van de verzorgingsstaat, gaat meer en meer in de richting van cultuuropvoeding. Tegelijkertijd scherpt de regering de eisen van het inburgeringsexamen aan. Maar zijn de immigranten geslaagd, dan wordt het diploma uitgereikt op de tonen van het Wilhelmus. Als ca deautje krijgen ze straks de canon in boekvorm – een niet zo subtiele hint dat ze natuurlijk nog steeds beginnelingen in het Nederlanderschap zijn.

Het vaststellen en verabsoluteren van zoiets ongrijpbaars als de volksaard, om die vervolgens als norm op te leggen, miskent de realiteit van het leven in een wereld waar grenzen vervagen. Steeds meer mensen hebben geen eenduidige identiteit: geboren in Nederland, Marokkaans paspoort, Berberse ouders; Pools ingezetene, Duits staatsburgerschap, studerend in Nederland, geboren en getogen in Suriname, wonend in Amsterdam, etnische creool. Die mensen worden gedwongen een deel van zichzelf te ontkennen. Wat als ze dat niet doen? Dan komt onvermijdelijk het moment dat hun loyaliteit aan Nederland in twijfel wordt getrokken. Met de ontmoediging van het dubbele staatsburgerschap neemt de regering zelf het voortouw.

Ook de Hollandse kolonisten werden altijd gewantrouwd door de machthebbers. Telkens als ze waren neergestreken op een plaats waar ze konden leven en werken zoals ze wilden werd hun het leven weer onmogelijk gemaakt. Hun geloof, hun gewoonte zich afzijdig te houden en hun achternamen waren genoeg. De families die aan het begin van de twintigste eeuw van de Bug vertrokken om in de wildernis van Siberië een nieuwe kolonie te stichten, hadden de pech dat ze binnen de grenzen van de Sovjet-Unie belandden. Toen duidelijk werd dat ze zich niet tot communistische modelboeren lieten kneden, was het een kwestie van tijd voordat Stalins geheime politie ze zou aanmerken als volks vijanden. Alle mannen tussen de 18 en 55 werden naar de goelag ge stuurd. Op de persoonskaarten die bewaard zijn gebleven in de kampboekhouding staat met een krabbel hun vreemde afkomst aangegeven.

De gevangenen werden verdeeld over brigades en opgesteld in rotten van vijf. De soldaten van het escorte hielden hun geweren schietklaar. «Eén stap naar links! Eén stap naar rechts! Geldt als een vluchtpoging!» brulde de commandant. «Er wordt zonder waarschuwing geschoten!» De brigades werden in verschillende richtingen naar de taiga gemarcheerd. Soms zaten er een paar Hollanders bij elkaar, maar meestal zagen ze alleen onbekende gezichten, strak en somber, net zo vervuld van zorgen als zijzelf.

De brigade van Zigmunt Zelent kwam na een mars van twee dagen bij een open plek in het woud. Er stonden twee barakken van ruwe stammen; de ene zat vol gevangenen, de andere was pas half af en stond nog leeg. «Er was een vloer, wanden en een dak, maar geen deuren, ramen en geen kachel.» De nachten waren koud – het vroor nog – en de gevangenen kregen geen matrassen of dekens. Liggend op de kale planken, alleen toegedekt door zijn jas, probeerde Zelent rillend in slaap te komen. Nadat ze hun barak hadden afgetimmerd, werden ze echt aan het werk gezet. Elke ochtend moesten ze zich in alle vroegte opstellen in een colonne en gingen ze de taiga in om bomen te kappen.

Als ze gewoon te eten hadden gekregen, was het werk nog tot daaraan toe geweest. Alle Hollanders die in de goelag hebben gezeten, weten nog precies hoe groot het dagelijkse broodrantsoen was: zeshonderd gram. Kleffe, zure brokken waren het, maar ze verslonden ze tot de laatste kruimel. Het brood en de kwart liter balanda die ze ’s ochtends en ’s avonds kregen – watersoep waarin soms een paar glazige aardappelen of een halfrotte haringkop dreef – waren lang niet genoeg om hun honger te stillen.

Rudolf Hildebrant durfde bij de wekelijkse wasbeurt in de banja bijna niet meer om zich heen te kijken. «We zagen er verschrikkelijk uit. Enkel vel en botten.» Hun tanden vielen uit. Ze waren duizelig en zaten onder de luizen en de zweren. Honger, bonkte hun hart de hele dag door, honger, honger, honger. Onder het werk propten ze alle bessen en paddestoelen in hun mond die ze maar tussen de bomen konden vinden.

Op de briefjes die uit het kamp werden verstuurd, stond het stempel van de militaire censuur, maar wie tussen de regels door las, die kon weten (of in ieder geval vermoeden) wat de mannen doormaakten. «Ik zou graag mee-eten van jullie aardappelen» stond er dan.

Als nationale identiteit iets is wat zo moeilijk valt te definiëren, heeft het dan eigenlijk zin om het concept te gebruiken? Toch wel. Dat we er niet goed de vinger op kunnen leggen wat de klompendans en een Vinex-wijk gemeen hebben, weerhoudt ons er niet van om ze allebei als typisch Hollands te herkennen. Waar het om gaat, is dat we bepaalde dingen niet verabsoluteren tot een algemeen idee, maar de ervaring of de emotie beschrijven die die dingen bij ons en bij de mensen om ons heen oproepen

Mijn afkeer van het gescherm met nationale identiteit komt niet voort uit cultuurrelativisme, maar uit het feit dat het zo makkelijk kan worden misbruikt. Juist omdat we nooit met zekerheid kunnen zegen wat typisch Hollands is, kan dat etiket door iedereen worden gemanipuleerd. Als de regering haar aanvechtbare versie van het Nederlanderschap probeert op te leggen aan mensen die daar niet aan voldoen, is de reactie voorspelbaar: ze zullen zich tegen Nederland keren. Juist daarom is het publieke debat over nationale identiteit te belangrijk om over te laten aan de nieuwe patriotten.

Er is niets mis met de vraag wat een Nederlander is – zolang we maar erkennen dat er meer dan één antwoord kan zijn. Het is een ongrijpbaar fenomeen, die volksaard; een kwikzilverachtig gevoel van verbondenheid door de mensengeneraties heen. Het is raadselachtig, tegenstrijdig en o zo veranderlijk: het kan aanwakkeren door onderdrukking, oorlog en migratie, maar het kan er ook door verflauwen en zelfs verdwijnen.

De Hollandse kolonisten zijn in de loop van de eeuwen veranderd in Holendry en later in Gollèndry. Ironisch genoeg luidt de val van het communisme voor hen het begin van het einde in. Hun boerenbedrijfjes diep in de taiga blijken niet rendabel. Er is geen werk, veel gezinnen trekken naar de stad. Hun kinderen groeien op tussen de Russen, ze verstaan het dialect van hun ouders en grootouders niet meer. Alleen in de vakanties en op feestdagen komen ze naar het dorp. Binnen een jaar of tien, vijftien woont er misschien niemand meer.

In het huisje van Alfreda Zelent staat een lange tafel op schragen, bijna doorbuigend onder de bergen met eten en het woud van wodkaflessen. Aan weerszijden van de tafel zit haar hele familie in hun beste kleren op een rij. Ivan, haar oudste broer, gaat staan, maant iedereen tot stilte en begint aan een lange, gloedvolle toast. Hij steekt zijn glaasje in de lucht. We hebben nauwelijks de tijd gehad om de wodka af te blussen met bessensap als er nog een toast volgt, en nog één, en nog één.

De Zelents barsten uit in vrolijk rumoer. Met zijn vijfendertigen zijn ze zeker wel, het huisje puilt uit. Iedereen is er: broers, zussen, kinderen, kleinkinderen, neven, nichten. Vanaf de muur kijken de portretten van opa en oma Zelent neer op hun nageslacht. Ik zie zijn scheve glimlachje en haar strenge trekken weerspiegeld in de mensen om me heen aan tafel.

Kijkend naar de verjaardagsgasten die elkaar toedrinken en zich te goed doen aan het eten, bedenk ik dat daarin misschien de aantrekkingskracht ligt van het leven onder elkaar in het dorp. Niemand is hier zomaar iemand. Hier ben je als vanzelf het kind van je vader en moeder, het kleinkind van je groot ouders. Onder elkaar hebben de Hollanders geen achternamen nodig. Ivan is in het dorp gewoon Vanja, de zoon van Zigmunt van Andrej. Hier is het verleden geen abstracte geschiedenis – geen familiealbum met verkleurde foto’s of een stamboom op papier – maar een deel van henzelf. Het gevoel dat ze een schakel zijn die de doden verbindt met de levenden, een deeltje van een groot ge heel, geeft de Hollanders houvast in de veranderende wereld. Ze hoeven zich niet af te vragen wie ze zijn en waar ze thuis horen. Zelfs nu de oude gebruiken verdwijnen, is het leven in het dorp nog steeds stevig geworteld in de herinnering.

Wij hebben een enorme behoefte ergens bij te horen, thuis te zijn. Kramp achtig zoeken we naar het verleden en het vaderland dat we denken te hebben verloren. Had ik ook niet stiekem gehoopt een stukje van dat vaderland terug te vinden in Siberië? Onaangeraakt door de tijd als een mammoet die be waard is gebleven in de permafrost?

De Gollèndry hadden telkens weer alles achtergelaten om te kunnen leven en geloven zoals ze zelf wilden. Niet uit behoudzucht, maar uit overtuiging, omdat ze de goddelijke geboden wilden gehoorzamen. In de bijbel staat ge schreven dat iedereen op doorreis is naar zijn vaderland: «het hemelse». Dus gingen ze op weg: eerst naar de Oostzeekust, toen naar de Bug en later naar Siberië. De zoektocht naar het hemelse vaderland had ze bij elkaar gehouden.

Door hen weet ik: dat vaderland is een onbereikbare utopie. Het is een plaats die we zoeken terwijl we weten dat we hem nooit zullen vinden. De tocht erheen, daar gaat het om.

«Vooruit, zingen! Laten we zingen!» roept Ivan Zelent.

Om een uur of drie ’s middags, als iedereen moe is van het feesten, ruimen de vrouwen de tafels af en staan de mannen op om een luchtje te scheppen. We trekken onze laarzen aan en stappen nog bedwelmd door de warmte en de wodka naar buiten. Het is een schitterende dag: de lucht boven het dorp is azuurblauw en de zon fonkelt op de sneeuw die over de huisjes en de velden en de bomen ligt. De kou prikt in ons gezicht en de stilte suist in onze oren.

=