Op een boomtak

In de Franse commune (lees mijn boek De plant die muziek maakte) was geen stromend water. Dus stonden we naakt buiten als het regende of onweerde, en eens in de week zwommen we in de Dordogne.

We stonken vermoedelijk, maar we stonken allemaal gelijk, dus rook je het niet van elkaar.

Ik geloof ook niet dat ik in die tijd ooit mijn tanden heb gepoetst. Ik had met mijn tandenborstel een bougie van de auto schoongemaakt en vond het kopen van een nieuwe borstel zonde van het geld. En met geld moest ik voorzichtig zijn, zeker ook omdat ik de kas beheerde.

Via Facebook heb ik oude kennissen van destijds hervonden. We zijn bij elkaar gekomen en ontdekten dat we elkaar nog steeds niet roken, ofschoon iedereen zijn eigen manier van ‘selig werden’ had.

Er waren foto’s – totaal verkleurd – waarop ik de barbecue aanstak; ik zag een kind.

Er was ook een foto waarop we dansten; weer zag ik kinderen. Bloemenkinderen, weliswaar, maar kinderen; onze gezichten waren getekend door fanatieke onschuld. We waren boos op de wereld. Het was alsof we op een boomtak zaten en heftig geïrriteerd waren door een mierenoorlog op de grond.

We waren bolsjewieken.

Op een enkeling na hadden we het marxisme verlaten. Hoewel… Eigenlijk ook weer niet. Twee oude vriendinnen (we waren allemaal al in de zestig) waren gelooid door de denkwijze van de New Age, of iets wat daar lichtvoetig onder bungelt. Hoe ze precies dachten, begreep ik niet, en ik vroeg ook niet door omdat ik het gezellig wilde houden, maar ze hielden cursussen in helderziendheid, de wijsheid van stenen, mystiek en De Schrift, en meer van dat moois.

Iedereen was min of meer gelukkig, ondanks de soms heftige avonturen die ze hadden beleefd.

‘Ben je zelf eigenlijk helderziend, Karen?’

‘Ja… Dat heb ik echt moeten leren. Maar dat kan dus. Dat kun jij ook leren.’

‘Kan ik het leren?’

‘Ja. Zeker met je Indische roots.’

Hoe ze precies dachten begreep ik niet, en ik vroeg ook niet door omdat ik het gezellig wilde houden

‘Maar wat heb ik eraan?’

‘Dat ligt eraan wat je ermee doet.’

‘Wat doe jij ermee?’

‘Ik help mensen. Ik kan, omdat ik in de toekomst kan schouwen, vaak mensen beter helpen dan een therapeut.’

‘Als ik het zou willen leren, wat is dan de eerste stap?’

‘Acceptatie en je openstellen.’

Et cetera, et cetera.

Het was echt fijn om ze te zien, trouwens. Ze waren onaantastbaar lief – ik moest maar een heel klein beetje op eieren lopen. Zoals vroeger toen mijn ouders op bezoek kwamen bij mij en mijn te jonge vriendin.

Wat ik concludeerde was dat het er eigenlijk niet toe doet wat je denkt om een zinvol leven te leiden. Els en Juud gebruikten alleen maar abstracte woorden (‘We gaan naar het niets, komende uit de chaos, en op die route ontmoeten we goden en daar moeten we naar luisteren’) en leefden in hun eigen wereld, waar ze ook nog een grote creativiteit aan de dag legden; ze breiden en haakten van alles, maakten kunst, zonder ook maar enig moment te talen naar roem of erkenning.

Hun enige probleem was de boze buitenwereld op afstand te houden. Ze bezaten computers en televisie, maar wat er in Oekraïne gebeurde, wat IS van plan was, wat de problemen in Europa waren, het kon ze niets schelen. In tegenstelling tot vroeger.

Pierre – die echt Pierre heette, nog steeds in Frankrijk woont en zich daar juist ‘Pieter’ laat noemen – repareert in een klein Frans dorpje fietsen en verzorgt elke week het krantje voor de markt. In dat krantje schrijft hij gedichten en korte verhaaltjes. Hij wordt ‘de dichter’ genoemd. Een bundel van zijn Franse verhaaltjes heeft hij net in eigen beheer uitgegeven.

Was ik eraan ontsnapt, of had ik het verloren? vroeg ik me later af.