Interview met Moses Isegawa

‘Op een Hollandse brede weg door Oeganda razen’

Schrijver Moses Isegawa keerde Beverwijk de rug toe en reisde met zijn computer onder zijn arm terug naar Oeganda. Binnenkort verschijnt het resultaat daarvan in de vorm van een nieuwe roman.

Kampala. ‘Donderdag twaalf uur voor General Post Office’, sms’t Moses Isegawa. Posta Unita is het postkantoor in het centrum van de hoofdstad Kampala en sms’en is de nieuwe manier waarop Oegandezen met elkaar communiceren. Met zijn zwarte pet en geruite bloes ziet Isegawa (Oeganda, 1963) eruit als een doorsnee Oegandees. Voor de meesten is hij dat ook: zelfs de opgeleide middle class kent de schrijver niet bij naam. ‘Heerlijk’, vindt Isegawa: ‘Ongestoord mensen observeren en geen personen die me lastigvallen maar eigenlijk niets te zeggen hebben. Op het moment dat een boek uitkomt, wil ik daar best over vertellen. Anders zeg ik liever niets.’ Hij waakt ervoor om op de Oegandese televisie te verschijnen: ‘Het Kampala waar ik terugkwam hield het midden tussen het Oeganda uit mijn herinnering en het Europa dat ik achterliet. Televisie is nieuw en heilig: één keer met je hoofd in beeld en je bent publiek bezit. Het straatbeeld is gevuld met mobiele telefoons en internetcafés. Begin jaren tachtig was een telefoontje naar Europa vrijwel onmogelijk. Tegenwoordig heb ik zó mijn uitgever aan de lijn. Maar de belangrijkste verandering is dat je nu veilig alleen over straat kunt. Alle politieagenten en beveiligers zwaaien met kalasjnikovs. Dat ziet er gevaarlijk uit, maar de onvoorspelbaarheid verdween. Geen plotselinge controles waarbij je zomaar je geld moet afstaan, maar juist een bron van veiligheid in buurten waar jij als blonde meid eerder niet alleen had moeten lopen.’

In zijn vorige roman, Voorbedachte daden (2004), schetste Isegawa de realiteit van de verhardende Nederlandse samenleving. ‘Ik zag het land van Kok – kapitalisme met een socialistisch randje – in sneltreinvaart vervormen van subtiel naar agressief. De maatschappij raakte geobsedeerd door migranten en iedereen wilde daar in talkshows zijn zegje over doen. Bolkestein opende deze deur, Balkenende nam de schaamte weg.’

Isegawa is kritisch over de ontwikkelingen in de westerse samenleving, desalniettemin lag daar geenszins zijn motivatie om naar Afrika te verkassen: ‘Ik voelde me thuis in Beverwijk. Ik hield van de Nederlandse georganiseerdheid, het altijd terecht kunnen bij een instantie, de mogelijkheid om iedere dag op dezelfde wijze in te richten. Voor een schrijver is de Afrikaanse chaos spannender om te aanschouwen. Er is geen vast stramien om je doel te bereiken en dus zijn de mensen flexibel en zoeken ze creatieve oplossingen om paden naar hun doel te banen.

Ik keerde terug naar Afrika omdat ik 44 ben. Een mens ontwikkelt zich niet als hij zijn hele leven alles op dezelfde manier doet. Drie boeken schreef ik vanuit Nederland. Abessijnse kronieken verloste me van Afrika, het op papier zetten van de realiteit omtrent de veranderde maatschappij in Voorbedachte daden bevrijdde me van Nederland. Daarna achtte ik het tijd om uit te vinden of ik in staat bleek een verhaal te scheppen vanuit mijn geboorteland. Met mijn MacBook trok ik me terug in een klein boerderijtje buiten Kampala en werkte het idee uit dat in Beverwijk ontstond. Het resultaat is een korte roman: Wie niet horen wil.

Voor mij betekent literatuur opwinding. Mijn verhalen moeten opwindend en grappig zijn. Ik wil iemand in een andere wereld brengen en hem daar vasthouden tot het einde van het boek. In die zin is mijn nieuwste boek zeker herkenbaar als een Moses Isegawa.’

In Wie niet horen wil komt opnieuw een Oegandese oorlog aan bod. Het boek speelt zich af in een imaginair dorp aan de Congolese grens, maar vindt zijn fundering in de guerrillaoorlog in het noorden. Joseph Kony’s Lord Resistance Army kidnapt kinderen en integreert die in zijn colonnes. In Isegawa’s nieuwe boek overkomt dit de jonge Azizima, die vervolgens opklimt tot majoor. Zijn leeftijdgenoot Beeda blijft achter in het dorp en poogt zijn school af te maken.

Maar Isegawa voerde inderdaad veranderingen door_. Abessijnse kronieken_ baseerde hij deels op voorvallen uit zijn jeugd. Het Amin-bewind uit Slangenkuil ervoer de schrijver zelf en de sfeer uit Voorbedachte daden proefde hij in Beverwijk. Wie niet horen wil is het eerste boek dat hij niet fundeerde op voorvallen uit zijn eigen omgeving. En pendelde hoofdpersoon Moegezi in Abessijnse kronieken nog op en neer tussen zijn dorp, Kampala, het seminarie en zelfs de Bijlmer, Beeda blijft het hele boek op één plek.

‘Alle beweging en opschudding verplaatste ik naar het psychologische vlak. Vergelijk Abessijnse kronieken met Midnight’s Children van Salman Rushdie: daarin geeft hij alle mogelijke informatie over India, omdat hij niet wist of hij ooit de kans zou krijgen om nóg een verhaal te vertellen. Kronieken is propvol. Alles over Oeganda moest erin. Niet alleen de gruwelen van de oorlogen, ook de ambiance van alledag. Bij Wie niet horen wil was die druk van de ketel. Geen noodzaak tot vertellen, maar verdieping in elementen die me boeien, zoals de geest van jonge mensen die zich als volwassenen moeten gedragen.

Op momenten dat ik inspiratie had, schreef ik. Ik ben geen schrijver die alleen in de nachten kan werken, of die elke dag van negen tot vijf achter de computer kruipt om verplicht drie pagina’s te typen. Mijn voorwaarde om te kunnen schrijven is stilte. Soms komt er veel uit, af en toe minder. Ik werk altijd vanuit mijn kamer, niet op de plaats van handeling. Ik ondervroeg ook geen talloze kindsoldaten om een helderder beeld voor mezelf te creëren. Die kinderen vertellen allemaal hetzelfde. “Toen ontvoerden ze me, ik maakte tien mensen dood, we trokken naar Soedan en ergens ontsnapte ik…” De één hakte ook ledematen af, de ander was verantwoordelijk voor verkrachtingen, maar de wijze waarop ze hun verhaal brengen correspondeert. De psychologische kant moest ik zelf uitdiepen. Die kinderen helpen niet.

Wat het inleven wél vereenvoudigde zijn mijn herinneringen aan de oorlogen uit het verleden. Ik groeide op onder Idi Amin en Obote. Maar het belangrijkste is dat ik de eerste 26 jaar van mijn leven in Oeganda spendeerde. Ik begrijp het land intuïtief. En leiderschap is overal hetzelfde. Bush, Blair en Joseph Kony van de Lord Resistance Army passen voor mij in hetzelfde rijtje. In al mijn boeken verdiepte ik me in macht. Dat functioneert als een vergrootglas van al het goed en kwaad in een persoon. Bush is vast heel lief voor zijn vrouw, maar als het om het werk gaat gooien ze zo een bom op je. Leiders moeten beschikken over een enorme ruggengraat. Er zijn altijd aanhangers die hen als beste leider van de wereld betitelen, maar evenzeer hebben ze tegenstanders. Niettemin beschikt elke leider over de overtuiging dat hij het juiste doet, daardoor kunnen ze afkeuring van zich af zetten.’

Overigens geldt voor schrijvers volgens Isegawa hetzelfde: ‘Mijn nieuwste boek schreef ik in twee jaar. Ik weet exact waarom ik het verhaal schreef en waarom zó. Het past in mijn oeuvre en bijgevolg deert het me niet als mijn vrouw of een recensent kritiek levert. Maar eigenlijk zijn schrijvers heel saaie mensen. Moegezi, mijn hoofdpersoon uit Abessijnse kronieken, was een droombeeld van het leven dat ik indertijd wilde leiden. De vechtlust fascineerde me. Met het ouder worden ontdek ik mijn gelijkenis met Moegezi’s moeder Hangslot. Ik wil rust vinden op een grote boerderij met varkens en mijn eigen eten verbouwen. Het fascineert me hoe veel Oegandese dorpelingen weten over gewassen. De plaatselijke bevolking moet me straks exact uitleggen of maïs goed samengaat met bonen. Verse bonen miste ik het meest, in Nederland zijn die onmogelijk te krijgen. Maar ben ik in Oeganda, dan mis ik de instanties en de rode Parodontax-tandpasta.

Elk land heeft zijn eigen dingen. Ook de literatuur kent vele gezichten, allemaal bijzonder. Het is net als het oude verhaal over negen blinde mensen en de olifant. De één voelt aan zijn slurf, dat is net een touw. De tweede pakt een been en denkt aan een zuil en weer een ander vergelijkt de ruwe buik met een muur. Elke blinde voelt een deel en denkt te weten hoe de olifant eruitziet. Een olifant is groot, hij is kenmerkend voor het leven: iedereen doet één ding en denkt dat dat alles is.

Als mijn jeugdige impulsiviteit nog overheerste, had ik nu een grote Honda in mijn garage staan. Motoren fascineren me, maar ik heb niet eens een rijbewijs. Toch zie ik mezelf voortrazen, op een Hollandse brede weg zonder kuilen in het Oegandese landschap. Tegenwoordig probeer ik het geheel te zien, over alles na te denken. Waar mijn toekomst ligt weet ik niet. Dankzij de mogelijkheden tot contact met het Westen kan ik hier zo vijftien jaar blijven. Schrijven blijf ik altijd doen. Boeken die ik zelf zou willen lezen en die mijn lezers een spiegel voorhouden. Ik vind het te hoog gegrepen om als schrijver te pretenderen dat je de maatschappij echt iets leert. Mijn varkens? O, dan schrijf ik in de ochtenden en dan eten zij in de middag als ik tijd voor ze maak.’

Van 10 t/m 14 november is Moses Isegawa in Nederland voor een optreden tijdens literatuurfestival Fasihi! in Lux, Nijmegen, op 11 november.

Wie niet horen wil (vertaald door Joop van Helmond en Frans van der Wiel) verschijnt op 19 november bij De Bezige Bij, en zal circa € 17,50 kosten