Het oude versus het nieuwe slavernijonderzoek

Op een klein kurkje kan een land niet drijven

De ‘nieuwe realisten’ in het slavernijonderzoek claimen dat de traditionele wetenschappers tot voor kort uitmaakten wat wel en niet werd onderzocht en dat zaken als het economisch belang van de slavernij daardoor onderbelicht bleven. Een dubieuze claim.

Gravure van de slavenopstand in Suriname door D.K. Bonatti © Historical Picture Archive / Getty Images

Voor het geval u het nog niet wist, er is een ‘nieuw realisme in de geschiedwetenschap’ ontstaan. Dat stelde Niels Mathijssen op 27 juni 2018 in De Groene. Hij is niet de enige die vindt dat er de laatste jaren een frisse wind waait door dit vakgebied dat tot voor kort werd gedomineerd door de oude realisten. Het nieuwe realisme biedt een andere kijk op de Nederlandse geschiedenis en manifesteert zich vooral in het onderzoek naar het koloniale verleden. Mathijssen benadrukte ook de stimulerende rol van activisten in het nieuwe realisme – die zou doorslaggevend zijn in het agenderen van andere, nieuwe onderwerpen binnen de Nederlandse koloniale geschiedenis. Hij wordt daarin ondersteund door enkele jonge historici, het aanstormende talent. Is hier sprake van een generatieconflict of is er meer aan de hand?

Wie zijn die oude realisten en wat onderscheidt hen van de nieuwe realisten? Dat zijn historici die vanaf pakweg de jaren zestig van de vorige eeuw publiceerden over het koloniale verleden, maar ook een historicus als James Kennedy, de man die de actualisering van de geschiedeniscanon leidt. Hij publiceerde in 2017 Een beknopte geschiedenis van Nederland, volgens Mathijssen een schoolvoorbeeld van oud realisme. Kennedy zou daarin te veel focussen op tolerantie, koopmanschap en innovatiedrift en te weinig op slavernij, kolonialisme en oorlogsmisdaden. Bij de nieuwe realisten liggen juist de laatste thema’s onder een vergrootglas.

Een van de onderwerpen waarover de meningen sterk uiteen lijken te lopen is het Nederlandse slavernijverleden. Hoe zit het met de stiefmoederlijke behandeling daarvan door de oude generatie, wat zetten de nieuwe realisten daartegenover en hoe hebben zij zich laten inspireren door activisten? En is het nieuwe realisme wel zo nieuw als wordt beweerd?

Daarvoor kunnen we te rade gaan bij Johan Huizinga, de beroemdste historicus die Nederland heeft voortgebracht. In 1929 definieerde hij geschiedschrijving als ‘de geestelijke vorm waarin een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden’. In zijn vaak geciteerde definitie is geschiedenis meer dan wetenschap: deze omvat geschiedkundig onderzoek én geschiedschrijving, maar ook de wijze waarop een cultuur vorm geeft aan haar verleden. Verandert de cultuur, dan verandert haar kijk op de geschiedenis. Hoe zit dat met het slavernijverleden?

***

Pas aan het eind van de achttiende eeuw werden slavernij en slavenhandel onderdeel van een verhit publiek debat – zowel onder wetenschappers als onder activisten. De voorstanders zagen slavenhandel en slavernij als nuttige instrumenten met een beschavende werking, die de slaven de mogelijkheid gaf te ontsnappen uit het chaotische Afrika, waar ze toch maar ter dood zouden worden gebracht. De toenmalige activistische voorstanders van afschaffing, abolitionisten genoemd, wezen daarentegen op de vele misstanden tijdens het vervoer, de harde straffen op de plantages en de schade die de voortdurende doorverkoop van slaven toebracht aan hun familie- en gezinsbanden. Bovendien gaf de economie – toen een nieuwe tak van wetenschap – een extra argument: de dwang en de daarbij behorende controle zouden de slavernij onrendabel maken.

De activisten wisten niet alleen de publieke opinie maar ook steeds meer parlementariërs voor hun standpunt te winnen en dat resulteerde in de afschaffing van de slavernij. Daarna verstomde de discussie. Slavernij was een afgedane zaak die niet in het collectieve geheugen van het Westen paste, waarin toen het nationalisme hoogtij vierde. Ook in Nederland was men trots op de koloniale bezittingen en op de roemrijke Gouden Eeuw. Er verschenen standbeelden van onder anderen Michiel de Ruyter en Rembrandt van Rijn, en schilderijen over belangrijke episodes uit de Nederlandse geschiedenis. Het slavernijverleden hoorde daar niet bij.

Tot aan de Tweede Wereldoorlog bleef het slavernijverleden een marginaal onderwerp, zowel in Nederland als internationaal. Er verscheen af en toe een artikel dat in kleine kring werd gelezen. Na de oorlog veranderde dat. Die groeiende interesse hing nauw samen met het dekolonisatieproces dat na de oorlog onder aanvoering van de Verenigde Staten en de Verenigde Naties was ingezet. In Nederland spitste het onderzoek zich toe op drie onderwerpen: de slavensamenlevingen in de West, de marrons in het achterland van Suriname en de trans-Atlantische slavenhandel.

De Surinaamse socioloog Rudolf van Lier zette het onderzoek naar de plantagekolonie Suriname op de kaart met zijn in 1949 verschenen proefschrift Samenleving in een grensgebied. Daarin analyseerde hij hoe de etnisch gesegmenteerde, op slavernij gebaseerde samenleving functioneerde en stelde vast dat groepen vooral naast in plaats van met elkaar leefden. Hij muntte het begrip ‘psychopathische planter’, de blanke meester die uit vrees voor opstanden onder de overmacht aan slaven sadistisch kon optreden. Zijn op beperkt archiefmateriaal gebaseerde studie is lang een ijkpunt geweest voor onderzoekers. In 1958 promoveerde de sociaalgeograaf Harry Hoetink bij Van Lier op Het patroon van de oude Curaçaose samenleving. Hij trad in de voetsporen van zijn promotor en beschreef Curaçao als een gesegmenteerde samenleving met scherpe sociale en raciale scheidslijnen. Maar Hoetink constateerde ook dat de slavernij daar sterk afweek van die in Suriname. Het eiland had geen plantages en was voornamelijk op handel gericht. Het bezit van veel slaven bood daar weinig economische voordelen.

Veertig jaar na Van Lier publiceerde Gert Oostindie een diepgravende studie over het leven op twee Surinaamse plantages, Roosenburg en Mon Bijou: Twee Surinaamse plantages, 1720-1870. Tal van onderwerpen stelde hij aan de orde: de demografische ontwikkeling van de slavenbevolking, gezondheidszorg, beroepen, sociale gelaagdheid, voeding, huisvesting en andere zaken. Hij nuanceerde tevens het bestaande beeld dat de Surinaamse slavernij extreem hard was in vergelijking met die in andere plantagekoloniën. Waar Oostindie twee plantages aan een diepteonderzoek onderwierp, onderzocht Alex van Stipriaan in zijn in 1993 verschenen studie Surinaams contrast: Roofbouw en overleven in een Caraïbische plantagekolonie 1750-1863 de hele plantage-economie. Hij toonde daarin aan dat na het staken van de slavenhandel aan het begin van de negentiende eeuw de slavenbevolking van Suriname vrijwel voortdurend kromp. Onder druk van die krimp en regelgeving van de overheid werden de leef- en werkomstandigheden van slaven op de plantages geleidelijk beter.

Lang heeft het beeld bestaan dat slaven hun lot lijdzaam ondergingen. Dat bleek niet te kloppen

Lang heeft het beeld bestaan dat slaven hun lot lijdzaam ondergingen. Uit studies naar marrons – weggelopen slaven die gemeenschappen vormden in het achterland van Suriname – bleek dat niet te kloppen. Op dat gebied heeft het antropologenechtpaar Richard en Sally Price vanaf de jaren zestig pionierswerk verricht. De meeste marronstudies staan echter op naam van de Utrechtse antropoloog Wim Hoogbergen. Hij heeft uitgebreid gepubliceerd over de strijd van verschillende groepen marrons tegen de planters en de vredesverdragen die zij met het gouvernement van Suriname sloten. De relatie tussen de marrongemeenschappen onderling en met de planters en de slaven die niet vluchtten, was complexer dan de stereotiepe voorstelling die daarover bestond.

De archivaris Willem Sybrand Unger is de grondlegger van het onderzoek naar de slavenhandel. Hij publiceerde daarover in 1956 en 1958 twee toonaangevende artikelen. Unger concentreerde zich op de economische aspecten van de slavenhandel, waaronder ruilgoederen voor de inkoop van slaven, het handelsproces in Afrika en West-Indië, en de winst die werd gemaakt. Een zakelijke benadering. De grootste bijdrage aan het ‘meten’ van de Nederlandse trans-Atlantische slavenhandel leverde Johannes Postma. Hij startte een systematisch bronnenonderzoek naar de Nederlandse slavenhandel, waarop hij in 1970 aan Michigan State University promoveerde. Na jaren van aanvullend onderzoek verscheen in 1990 zijn magnum opus The Dutch in the Atlantic Slave Trade, 1600-1815. Naast een overvloed aan statistische data over verscheepte slaven, herkomst- en aankomstgebieden, sterfte tijdens de reis en andere gegevens, bevat het boek ook informatie over de behandeling van slaven aan boord.

Later hebben andere historici diverse aspecten van de slavenhandel verder uitgediept, maar Postma’s werk geldt nog steeds als de standaard. Alle verzamelde data zijn ondergebracht in de internationale database slavevoyages.org, die gegevens bevat over circa tachtig procent van de trans-Atlantische slavenhandel. Onderzoekers en geïnteresseerden kunnen daarin op eenvoudige wijze aantallen uitgerede slavenschepen per land of per periode, aantallen vervoerde slaven, sterftepercentages tijdens de overtocht, herkomstgebieden in West-Afrika, bestemmingen in Amerika en tal van andere zaken opzoeken.

***
Tot slaaf gemaakte mannen werken op het land, anoniem, ca. 1850. Aquarel, 32,5 cm x 25,4 cm © Rijksmuseum

Het onderzoek naar en de discussie over het Nederlandse slavernijverleden bleef lang binnen de muren van universiteiten. Pas na de massale immigratie van Antillianen en Surinamers naar Nederland ontstond de roep om meer publieke aandacht voor dat verleden. Die roep werd ook door historici gehoord. Dat resulteerde in 1999 in de publicatie van Het verleden onder ogen: Herdenking van de slavernij, waarin historici uit binnen- en buitenland hun visie gaven op de publieke omgang met het beladen onderwerp. De Amerikaanse historicus Seymour Drescher belichtte het zwaar gepolitiseerde debat over het slavernijverleden in de Verenigde Staten, waar historische feiten en activistische retoriek steeds moeilijker waren te scheiden. Hij veronderstelde dat het onderwerp in Nederland minder controverse zou oproepen en hoopte dat de verre nazaten van slaven in overleg met historici tot een nauwgezette, publieksgerichte historische weergave van het slavernijverleden zouden komen.

Dreschers hoop leek bewaarheid te worden: er kwamen monumenten en historici werkten mee aan publieksboeken, tentoonstellingen en educatieve websites. Kortom, het slavernijverleden kreeg een plaats in het collectieve geheugen. Huizinga had het goed gezien, de samenleving was veranderd en gaf zich anders rekenschap van haar verleden.

De toegenomen publieke aandacht stimuleerde ook het wetenschappelijke onderzoek. Zo publiceerden Johannes Postma en Victor Enthoven met een aantal collega’s in 2003 de bundel Riches from Atlantic Commerce, waarin op basis van oude en nieuwe gegevens een reconstructie van de vroegmoderne Nederlandse handel en scheepvaart in het Atlantische gebied werd gepresenteerd. Het bleek dat de op slavenarbeid gebaseerde plantageproductie Nederland economisch meer had opgeleverd dan gedacht. Zo was de Atlantische handel rond 1780 belangrijker dan die op Azië. Nieuw inzicht in de illegale slavenhandel van met name Zeeuwen bood de in 2008 verschenen studie Lorrendrayen op Africa van Ruud Paesie. Dankzij zijn studie en die van ‘oude realisten’ als Johannes Postma weten we dat Nederland circa zeshonderdduizend slaven uit Afrika naar Amerika heeft verscheept. Vast staat dat Nederland verantwoordelijk is geweest voor circa vijf procent van de totale trans-Atlantische slavenhandel.

Het slavernijonderzoek richtte zich echter niet alleen op de kille cijfers van handel en aantallen verscheepte slaven, maar ook op het leven in de West-Indische koloniën. Enkele jaren geleden verschenen er nieuwe studies over de complexiteit van de slavensamenlevingen in de West. Ellen Neslo promoveerde in 2016 op Een ongekende elite: De opkomst van een gekleurde elite in koloniaal Suriname 1800-1863. Uit haar onderzoek bleek dat de sociale stratificatie binnen de niet-blanke samenleving veel ingewikkelder was dan werd verondersteld. Naast vrijen met een kleine nering die familieleden uit slavernij vrijkochten, waren er ook Afro-Surinamers met plantages en slaven. Han Jordaan publiceerde eerder een vergelijkbare studie over Slavernij en vrijheid op Curaçao.

Het is maar een kleine greep uit de tientallen boeken en artikelen die de afgelopen twee decennia over het Nederlandse slavernijverleden zijn verschenen. Zij gaan over uiteenlopende onderwerpen maar hebben gemeen dat zij voortbouwen op de internationale ontwikkeling van de geschiedschrijving, die na de Tweede Wereldoorlog is ingezet.

Van een revolutionaire verandering is geen sprake, eerder van voortschrijdend inzicht
***

Ruim tien jaar nadat Seymour Drescher de hoop had uitgesproken dat Nederland niet in een zwaar gepolitiseerde discussie over het slavernijverleden à la de Verenigde Staten zou belanden, gebeurde dat alsnog. Zo’n verandering gaat sluipenderwijs maar er zijn wel enkele omslagmomenten aan te wijzen, zoals de aanstelling van de Amerikaanse socioloog Stephen Small in 2010 als bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn leeropdracht was het bestuderen van het Nederlandse slavernijverleden en de erfenis daarvan. Small deed in de Verenigde Staten onderzoek naar de Afrikaanse diaspora, racisme en identiteitspolitiek. Specifieke kennis van het Nederlandse slavernijverleden had hij niet, maar dat was blijkbaar geen bezwaar. In 2014 publiceerde Small samen met de uit Suriname afkomstige activist Sandew Hira 20 Questions and Answers on Dutch Slavery and Its Legacy. De bijzonder hoogleraar leek in verbluffend korte tijd voldoende kennis te hebben verworven om te stellen dat ons land rijk was geworden van slavernij, dat het hedendaagse racisme daar duidelijk verband mee hield en dat de Surinaamse en Antilliaanse nazaten van slaven na 150 jaar nog steeds leden aan ‘mental slavery’. De slachtoffers hadden recht op een financiële genoegdoening en psychologische hulp.

In 2011, een jaar na Smalls benoeming, zond de ntr de vijfdelige serie De slavernij uit, waarin recente onderzoeksresultaten waren verwerkt. De discussie die daarna losbarstte, maakte op niet mis te verstane wijze duidelijk dat de makers van de serie het leed van de Afrikaanse slaven onderbelicht hadden en dat ze de uniciteit van de Atlantische slavenhandel en slavernij tekortdeden door ook hedendaagse vormen van slavernij in beeld te brengen. Volgens activisten een bewust geval van bagatellisering.

In de late herfst van 2011 deed zich nog iets opmerkelijks voor. Tijdens de landelijke sinterklaasoptocht in Dordrecht werden de activisten-kunstenaars Quinsy Gario en Jerry Afriyie, gekleed in T-shirts met de tekst ‘Zwarte Piet is Racisme’, door enkele agenten hardhandig gearresteerd. De media besteedden er ruime aandacht aan en de nationale ombudsman veroordeelde de arrestatie. Het demonstratierecht en de vrijheid van meningsuiting waren op ontoelaatbare wijze geschonden. Daar bleef het niet bij; het Zwarte-Pietdebat verdeelde de samenleving en vermengde zich met het slavernijdebat. Je moest wel stekeblind zijn om niet te zien dat Zwarte Piet een erfenis uit het slavernijverleden was.

***

Activisme en het nieuwe realisme in de geschiedwetenschap vloeiden ongeveer tien jaar geleden samen. Karwan Fatah-Black, momenteel de spraakmakendste slavernijhistoricus, vindt dat een goede zaak. Hij treedt veelvuldig op in de media, mengt zich in debatten, publiceert artikelen en boeken over het slavernijverleden en op de website van de Internationale Socialisten, een groep trotskistische activisten. Ook heeft hij een duidelijke mening over de oude generatie vakgenoten. Fatah-Black meent dat het recente ‘baanbrekende’ onderzoek Slaves, Commodities and Logistics, uitgevoerd door het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (iisg) en twee universiteiten, onder de oude garde nooit van de grond was gekomen. ‘Op de Universiteit Leiden werd bijvoorbeeld door Piet Emmer en Henk den Heijer lange tijd geen enkele prioriteit gegeven aan het economische belang van de Atlantische slavernij. Zij maakten als gatekeepers uit wat onderzocht werd en wat niet.’ Baanbrekend vindt hij ook het artikel dat hij samen met Matthias van Rossum publiceerde over de winstgevendheid van de Nederlandse slavenhandel. ‘Dat was’, aldus Fatah-Black, ‘de eerste keer dat historici keken naar de bredere betekenis van de Atlantische handel. We deden dat in onze vrije tijd – op mijn universiteit had dit onderwerp totaal geen prioriteit – mede door de bewustmaking van activisten.’ Duidelijke statements, maar kloppen ze?

Aan de universiteit bestaan helemaal geen ‘gatekeepers’ en het jaarlijkse Slavery: Annual Bibliographical Supplement laat zien dat het gebrek aan economisch-historische studies over de Nederlandse slavenhandel en slavernij eveneens is verzonnen. De nieuwe generatie slavernijhistorici kan gelukkig onbelemmerd onderzoek doen, maar hoe ‘baanbrekend’ is dat? Wie ‘Wat is winst?’ leest, het artikel van Fatah-Black en Van Rossum uit 2012 over de economische impact van de Nederlandse slavenhandel, ontdekt dat het niet is gebaseerd op nieuw onderzoek, maar op bestaande literatuur. Hun economisch model stamt uit de jaren negentig en de onderzoeksgegevens zijn door Johannes Postma en anderen sinds 1970 uit archieven opgediept. Bovendien wijkt de conclusie niet significant af van wat al bekend was: de Nederlandse slavenhandel was niet erg winstgevend. Ook na publicatie van het artikel bleef het gissen ‘naar de bredere betekenis van de Atlantische handel’, ondanks het tromgeroffel van de auteurs.

Anders dan het artikel heeft het recente onderzoeksproject Slaves, Commodities and Logistics – dat door drie historici van de oude garde is bedacht en begeleid – wel nieuwe inzichten opgeleverd over de impact op de Nederlandse economie van op Atlantische slavernij gebaseerde activiteiten. Weliswaar alleen voor de tweede helft van de achttiende eeuw – de topjaren voor de Nederlandse slavenhandel en de importen van door slaven vervaardigde suiker en koffie uit West-Indië – maar toch. Zo heeft Gerhard de Kok in zijn recent verdedigde proefschrift over de Walcherse slavenhandel overtuigend aangetoond dat vijf à zes procent van het Middelburgse inkomen direct of indirect daaruit afkomstig was; voor Vlissingen was dat zelfs 25 procent. Deze twee havensteden waren echter uitzonderingen, want De Kok stelt ook dat de bijdrage van de slavenhandel aan de Nederlandse economie als geheel vele malen geringer was. Logisch, want het economische zwaartepunt van de Republiek lag niet in Zeeland, maar in Holland.

***

Hoe zit het dan met de bijdrage aan de Nederlandse economie van al die op slavernij gebaseerde activiteiten, waaronder het transport en de verwerking van de door slaven geproduceerde suiker en koffie? Daar hebben de historici Pepijn Brandon en Ulbe Bosma kortgeleden een doorwrocht artikel over gepubliceerd dat uitgebreid de pers heeft gehaald. Het blijkt dat in het topjaar 1770 circa vijf procent van het Nederlandse bruto binnenlands product (bbp) afkomstig was uit deels op slavernij gebaseerde activiteiten. We hebben nu een beter beeld van het effect van slavernij op de economie, maar is dat radicaal anders dan wat wij al wisten? Onderzoek hiernaar is al decennia gaande. Een eerdere schatting ging uit van drie à vier procent van het bbp en dat blijkt na nauwkeurig onderzoek circa vijf procent te zijn. Dat is meer dan gedacht, maar om te beweren dat Atlantische slavernij de kurk was waarop de Nederlandse economie dreef is absurd. Die bewering heeft niets met wetenschap te maken, maar zal goed vallen bij de Internationale Socialisten, waar Pepijn Brandon webmaster is geweest.

Dat door slaven geproduceerde plantageproducten in Nederland werden verwerkt, doorverkocht en economisch profijt opleverden, staat vast. Maar hoe zat het met de financiële sector? In het kader van het reeds genoemde onderzoeksproject heeft Karin Lurvink de verzekeringen van Nederlandse slavenschepen bestudeerd. Daarover publiceerde zij recent het artikel met de opmerkelijke titel ‘The Insurance of Mass Murder’. In een kraakhelder betoog zet ze uiteen hoe verzekeraars halverwege de achttiende eeuw hun polisvoorwaarden veranderden en vergoedingen begonnen uit te keren voor slaven die tijdens een opstand of een ontsnappingspoging door bemanningsleden waren gedood. Helaas doet Lurvink afbreuk aan het wetenschappelijk karakter van haar studie door in haar conclusie te suggereren dat deze verandering de onderdrukking van slavenopstanden bloediger heeft gemaakt. De verzekering betaalde immers toch de waarde van de vermoorde slaven. De database slavevoyages.org laat echter zien dat de sterfte op alle Nederlandse slavenschepen na 1750 sterk daalde, ook op de schepen waar een opstand was uitgebroken. Kortom, de conclusie staat haaks op de harde data over de slavenhandel die in tientallen jaren door de oude realisten bijeen zijn gebracht.

***

Laten we de balans opmaken van het oude versus het nieuwe slavernijonderzoek. Veel nieuwe realisten bouwen voort op decennia oud onderzoek. Gegevens die historici de afgelopen vijftig jaar uit archieven hebben opgediept, worden gerecycled en soms ten onrechte als de vrucht van eigen onderzoek gepresenteerd. Een blik op de gebruikte literatuur laat zien dat oude kennis wordt gecombineerd met nieuwe inzichten. Van een revolutionaire verandering is geen sprake, eerder van voortschrijdende inzichten. Het ‘revolutionaire’ zit hem vooral in de taal en het gebruik van hyperbolen. ‘Slaven’ worden ‘tot slaaf gemaakten’, ‘slavenhandel’ wordt ‘deportatie’, vijf procent blijkt plotseling de kurk waarop de Nederlandse economie dreef en het verzekeren van slavenschepen leidt onbewezen tot ‘mass murder’. Ook trekken de nieuwe realisten de kleurenblindheid van de wetenschap in twijfel; zij verdelen het slavernijonderzoek in een wit en een zwart perspectief.

Natuurlijk, als onze cultuur verandert verschuift ook het perspectief, maar in de wetenschap behoort kleur geen rol te spelen. Fatah-Black en Brandon zien het echter als een probleem dat er ‘geen nazaten van tot slaaf gemaakten’ bij het onderzoeksproject Slaves, Commodities and Logistics waren betrokken. Zij en andere nieuwe realisten bepleiten in hun publicaties en mediaoptredens herstelbetalingen en excuses voor wat onze voorvaderen de zwarte medemens hebben aangedaan. Anderhalve eeuw na de afschaffing van de slavernij is de erfzonde terug van weggeweest.

Oude realisten zoals ondergetekenden wordt wel verweten dat zij het Nederlandse slavernijverleden te neutraal, te zakelijk beschrijven. Dat zal zo zijn. Maar vaak wordt vergeten dat verklaren iets anders is dan goedpraten. De huidige trend is dat hedendaagse opvattingen de plaats innemen van moeilijk reconstrueerbare mentaliteiten van eeuwen her. Slavernij is verwerpelijk, maar dachten onze voorvaderen er ook zo over? Met hun ronkende statements, zelfkastijding en het plaatsen van zwart tegenover wit dragen de nieuwe realisten niet bepaald bij aan een beter begrip van het Nederlandse slavernijverleden. Net als radicaal rechts wakkeren zij met behulp van het verleden het schadelijke identiteitsdebat in de samenleving aan. Tot pakweg 2010 klopte Huizinga’s opvatting dat geschiedschrijving de geestelijke vorm is waarin een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden, maar daarna is het misgegaan.


Piet Emmer werd in 1991 hoogleraar aan de Universiteit Leiden met als leeropdracht ‘Europese expansie en migratie’; zijn bekendste boek is De geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel (Nieuw-Amsterdam, 2019). Henk den Heijer was in Leiden hoogleraar maritieme geschiedenis en publiceerde onder meer De geschiedenis van de West-Indische Compagnie (Walburg Pers, 2002)