POPMUZIEK

Op een kleutertoontje

Linkin Park

Vreemde gewaarwording tijdens de laatste editie van Lowlands: op een vrij klein buitenpodium speelde Against Me, uit Florida. Ooit punk, nu rock. Bastaardzonen van Springsteen, vier mannen in het zwart, een band zonder enige opsmuk. Kwamen op, en net voor ze begonnen riep iemand in het publiek: ‘AC/DC!’
Zanger Tom Gabel keek het publiek in, zei 'Hi, we’re AC/DC’, zijn drummer tikte af en wat volgde, was een uur lang rock die klonk alsof dit alles had wat rock nodig heeft. Het was hard, het was van het type strakheid van vier muzikanten die tweehonderd keer per jaar een podium delen, en de vocalen kwamen uit gezwollen kelen, rode koppen en verbeten lippen. Na een uur was er alleen nog maar zweet.
Toen het applaus wegstierf, klonk er muziek uit de enorme, nabijgelegen Alphatent. Het was 30 Seconds to Mars, een rockband uit Los Angeles, rond zanger en acteur Jared Leto. De laatste clip van 30 Seconds to Mars, bij het nummer Closer to the Edge, is geen clip meer, het is een Hollywoodfilm.
Terwijl de namen van 27 landen en 89 steden langsschieten, zien we beelden van hysterische fans in enorme sporthallen. En op het podium staat hun Jay, de man die in elk shot perfect draait, die altijd cool kijkt maar net op tijd sympathiek lacht. Opdat we niet denken dat Jay’s leven even oppervlakkig als hectisch is, zien we hem soms opeens op een berg zitten, van achter zijn zonnebril starend in een ver landschap.
30 Seconds to Mars is een blockbuster van een band, en dat betekent dat er conventies zijn waaraan het publiek zich dient te houden. Wie op zoek gaat naar de gaten in het verhaal zal ze vinden, wie bij iedere actie van de hoofdpersoon twijfelt aan de geloofwaardigheid daarvan zal de film voor zijn ogen in elkaar zien storten. Achteroverleunen en het ondergaan, dat is de afspraak. Dat werkt in het afgezonderde universum van alleen de film zelf, en zo bleek het met 30 Seconds to Mars ook. Hier, op het festival van de vele smaken, klonk en oogde alles aan de band lelijk, hol en onwaarachtig. Het was alsof 30 Seconds to Mars niet gewoon ook een band als Against Me was, maar een tegenovergestelde opvatting van muziek vertegenwoordigde. Na een paar nummers klonk er nauwelijks nog applaus. Dat zou bij iedere band al pijnlijk zijn, maar bij een band als deze is het ronduit dramatisch, omdat ieder element van hun show devotie veronderstelt en nodig heeft. Nu klonk de band naar Las Vegas bij daglicht.
Precies zo klinkt het nieuwe album van Linkin Park. Ingeklemd tussen twee willekeurige albums van andere rockbands klinkt de band als de soundtrack van een kermis. Het is de populairste rockband van de laatste jaren, dus er moet een universum zijn waar massa’s mensen teksten als 'The weight of the world will give you the strength to go on’ diep vinden, waar ze vinden dat het kleutertoontje van Mike Shinoda mag doorgaan voor rappen en waar mensen wegzwijmelen bij zanger Chester Bennington, die zo zijig mogelijk zingt voor alle mensen die zich 'cold and lost’ voelen, later bijgestaan door een heus koor voor alle zielige mensen.
Laat dat universum vooral bestaan. Maar wel ergens ver weg.

Linkin Park, A Thousand Suns (Warner)