Op een menselijke planeet

Is het Antropoceen vooral een prikkelend concept of een gevaarlijk geologisch tijdperk? De milieukundige Albert Faber is wars van doemdenken, maar de onverbeterlijke pessimist Clive Hamilton gelooft niet meer in een happy end.

December 2017, Ojai, Californië. Bosbranden als gevolg van droogte © David McNew/ Getty Images

Hoe lang kunnen we blijven volhouden dat het nog niet te laat is? Dat het vijf voor twaalf is, maar dat het nog steeds kan, als we maar willen? Wanneer heeft de klok twaalf uur geslagen en moeten we toegeven dat de tijd op is? Dat we de kans hebben gehad, maar niet hebben gegrepen? Durven we het te erkennen als het eenmaal zo ver is? Of blijven we hardnekkig volhouden dat we nog niet gedoemd zijn, zelfs al staat het water ons aan de lippen? De Australische filosoof en klimaatexpert Clive Hamilton heeft het wel gehad met de krampachtige pogingen om de moed erin te houden. Daarmee houden we onszelf alleen maar voor de gek. We zijn al lang een kritieke grens gepasseerd, weet hij, we zijn een nieuw geologisch tijdperk binnengetreden, dat we vervolgens naar onszelf hebben vernoemd: het Antropoceen. En het wordt geen pretje om daarin te leven.

Hamilton staat bekend als een notoire zwartkijker en schreef al eens een boek met de veelzeggende titel Requim for a Species: Why We Resist the Truth about Climate Change. Zijn antwoord op de retorische vraag in de ondertitel: die waarheid is zo onaangenaam dat we liever onze kop in het zand steken. In het onlangs verschenen De provocerende aarde, zijn eerste boek in Nederlandse vertaling, doet hij zijn reputatie als onverbeterlijke pessimist eer aan. De frustratie spat van de pagina’s af. Frustratie over al die politici die debatteren alsof de begrotingsregels het belangrijkste onderwerp op aarde zijn, met al die burgers die de alarmerende rapporten van wetenschappers negeren en met al die intellectuelen die boeken publiceren over de opkomst van China of de robotrevolutie, maar blind zijn voor de nakende catastrofe die alles overschaduwt: de ontwrichting van het klimaat. ‘De grootste tragedie van vandaag bestaat dan ook in het ontbreken van een gevoel voor de tragedie’, schrijft hij.

Op de achterflap staat dat Hamilton ‘een provocatieve, maar hoopgevende blik biedt op de toekomst van de planeet’. Dat provocerende is onmiskenbaar, maar het hoopvolle kon ik niet direct ontdekken. En eigenlijk vond ik dat wel verfrissend. Geen laatste hoofdstuk met een geforceerd optimisme, maar een welgemeende wanhoopskreet: ‘Hoe moet ik een boek als dit beëindigen? Ik weet het niet, het is allemaal te moeilijk, te onzeker, te nieuw.’ Het Antropoceen is een ‘gevaarlijk geologisch tijdperk’, een nieuw narratief zonder uitzicht op een happy end.

Hoe anders is dat bij Albert Faber in De gemaakte planeet. Faber is milieukundige en werkt als beleidsadviseur voor het ministerie van Economische Zaken en Klimaat: hij weet hoe het is om een alomvattend vraagstuk als ‘het klimaat’ te vertalen naar de praktijk. Het Antropoceen lijkt hem een stuk minder angst in te boezemen. Hij ziet het vooral als ‘een veelomvattende en krachtige term, die ons kan helpen om te komen tot een scherper perspectief op de snelle veranderingen in de wereld en op de verantwoordelijkheid die de mens in dit nieuwe tijdperk kan nemen’. Dat dit nieuwe tijdperk allerlei ongekende uitdagingen met zich meebrengt, moge duidelijk zijn, maar Faber is wars van alarmisme. Met doemdenken schieten we weinig op.

Het Antropoceen biedt óók mogelijkheden, betoogt hij. Het dwingt bijvoorbeeld tot een herijking van onze verhouding tot ‘de natuur’. Hoe zinvol is die term eigenlijk nog nu er op aarde bijna geen ‘onaangetaste’ plek meer is? De Oostvaardersplassen noemen we een ‘natuurgebied’, maar het is ontwikkeld door mensen. Als een rechter moet beslissen of Staatsbosbeheer 1830 herten mag afschieten kun je moeilijk spreken van ongerepte wildernis. De grote les van het Antropoceen is dat de scheiding tussen natuur en cultuur onhoudbaar is geworden: wij zijn innig verstrengeld geraakt met de natuurlijke wereld.

Dat roept allerlei filosofische vragen op. Vragen over de ‘condition humaine’, over vooruitgang, technologie en de invulling van het goede leven. Zorgvuldig analyseert Faber verschillende ‘discoursen van duurzaamheid’, die antwoord proberen te geven op die vragen. Hij heeft weinig op met het optimisme van de ecomodernisten, die geloven dat technologie en vindingrijkheid uiteindelijk redding zullen brengen. Maar bij de misantropische tak van natuurbeschermers, die de mensheid zien als een destructieve plaag, voelt hij zich evenmin thuis. De ‘ecomarxisten’ zijn hem te radicaal. En de duurzaamheidsmanagers te technocratisch.

De mens is de reden dat ijstijden worden overgeslagen, diersoorten het loodje leggen, oceanen verzuren. Hoezo nietig?

‘Complexiteit’ is het sleutelwoord bij Faber. Als het Antropoceen één ding duidelijk maakt, dan is het wel dat alles met elkaar samenhangt en er dus zelden eenvoudige oplossingen mogelijk zijn. Nuance kun je Faber niet ontzeggen en hij is overduidelijk goed thuis in de materie, maar soms lijkt hij niet verder te komen dan kanttekeningen plaatsen bij de ‘rechtlijnige’ visies van anderen en het onderstrepen van de complexiteit. Zijn conclusie dat we moeten waken voor grootse vergezichten en onze hoop moeten vestigen op kleine, haalbare stapjes, is ook enigszins onbevredigend. Is dat werkelijk het antwoord op de grote en urgente uitdagingen waarmee we in dit tijdperk geconfronteerd worden?

Eenvoudig is het niet om de betekenis van het Antropoceen écht tot je door te laten dringen. Het gaat al gauw ons voorstellingsvermogen te boven om de menselijke geschiedenis, waarover we doorgaans denken in termen van decennia of eeuwen, te verbinden met een ‘diepe geschiedenis’ waarbij het plots gaat over tijdsspannes van miljoenen jaren. Alsof je een ritje tussen Den Haag en Utrecht vergelijkt met een reis naar Mars. Normaal gesproken raak je daardoor bewust van de nietigheid van de mens. De aarde bestond lang voordat wij ten tonele verschenen en zal blijven bestaan als wij er niet meer zijn. Maar de crux van het Antropoceen is nu net dat onze soort, in die kort durende aanwezigheid op aarde, is uitgegroeid tot een geologische kracht. Wij zijn de reden dat ijstijden worden overgeslagen, diersoorten massaal het loodje leggen, en oceanen verzuren. Hoezo nietig?

Zo’n perspectief is ook een welkome herinnering dat het Antropoceen in de eerste plaats een geologisch concept is. Je zou het bijna vergeten met alle kunstenaars en schrijvers die ermee aan de haal gaan, maar op dit moment buigt de Internationale Commissie voor Stratigrafie zich over de vraag of het Antropoceen een officiële status verdient als nieuw tijdperk. De wetenschappers zoeken naar ‘golden spikes’: tastbaar bewijs in de aardlagen dat de overgang naar het ‘tijdperk van de mens’ markeert. Dat kunnen ijskernen zijn, waaruit de plotse stijging van broeikasgassen in de atmosfeer valt af te lezen. Of roetdeeltjes die over de hele wereld zijn neergedwarreld door het massale verstoken van kolen. Kernproeven uit de jaren vijftig lieten sporen achter in de bodem en plastic is inmiddels te vinden in iedere uithoek van de planeet. Potentiële indicatoren genoeg, dus.

Toch schromen wetenschappers uit andere disciplines niet om zich alvast in het Antropoceen-debat te mengen. Gelukkig maar, want zoals Faber laat zien is de kracht van dit nieuwe concept dat het de academische grenzen overschrijdt. Zoals de economie te belangrijk is om aan economen over te laten, zo is het Antropoceen te belangrijk om aan geologen over te laten. Maar o wee als geesteswetenschappers het concept zelf in twijfel beginnen te trekken, dan vinden ze Clive Hamilton op hun pad. Fel haalt hij uit naar de betweters die komen aanzetten met alternatieve suggesties als het Capitoloceen, het Angloceen, of het Chthulucene. We hebben helemaal geen tijd voor dit soort semantische spelletjes, schrijft hij. Sinds wanneer is het aan sociologen om een naam te geven aan geologische tijdperken?

Naarmate zijn boek vordert toont Hamilton zich van zijn meer filosofische kant. Waar veel ecologische denkers de mens een toontje lager willen laten zingen, pleit hij voor een ‘nieuw antropocentrisme’. De mens moet haar eigen macht niet ontkennen, maar de consequenties ervan onder ogen durven komen. We kunnen niet doen alsof de mens een diersoort is als zovele, wanneer onze activiteit heeft gezorgd voor niets minder dan een ‘breuk’ in de planetaire geschiedenis. Niet dat hij het eens is met de geo-engineers die geloven dat we de menselijke almacht moeten omarmen, en zo kunnen zorgen voor een ‘goed Antropoceen’. Megalomane waanzin, vindt hij dat. Onze geologische macht is niet iets om trots op te zijn; het is eerder een vloek voor onszelf en de planeet, waarmee we op de een of andere manier in het reine moeten komen.

Maar hoe dan? Dat blijkt ingewikkelder te beantwoorden. Zodra Hamilton een handelingsperspectief probeert te schetsen, wordt duidelijk hoe weinig vruchtbaar het is om te praten over ‘de mens’ in abstracto. Mij bekroop hetzelfde gevoel dat ik kreeg bij het lezen van de Grote Geschiedenis van de populaire historicus Yuval Noah Harari: het biedt een prikkelend perspectief, maar fatalisme ligt op de loer. Waar te beginnen als we ‘als soort’ het roer om moeten gooien? Hoe kunnen we bewerkstelligen dat ‘de mensheid’ een andere kijk op de wereld krijgt?

Misschien begint zo’n grote en ongrijpbare mentaliteitsverandering wel met het lezen van dit soort boeken. Want zowel Hamilton als Faber slaagt er knap in om de overweldigende impact van het Antropoceen voelbaar te maken. De een durft het beest in de bek te kijken en maakt het niet mooier dan het is. De ander durft de complexiteit door te denken, waarmee hij ontsnapt aan een verlammend defaitisme, zonder de ernst en urgentie van de klimaatontwrichting te bagatelliseren. Over één ding zijn beide auteurs het in ieder geval eens: het Antropoceen is geen abstracte dreiging in de toekomst, het is het tijdperk waarin we leven – ook al lijken we dat nog steeds niet ten volle te beseffen.