Zelfkennis als kompas

Op een paaltje voor het eigen huis

Socrates, Michel de Montaigne, Sigmund Freud: allen vonden het een uitstekende gewoonte om het eigen gedrag te onderwerpen aan kritische vragen. Ook vele Hollywood-personages gaan op onderzoek naar zichzelf. Maar hoe weet een mens wat zijn ‘ware’ ik is?

Medium zelfkennishh 14539696

‘Ik was altijd gefascineerd door psychoanalytici, omdat ik dacht dat ze over geheime kennis beschikten. Alsof ze de sleutel bezaten van de deur die toegang gaf tot het domein van de onbewuste motieven die ervoor zorgen dat mensen doen wat ze doen, zonder daar zelf ooit rechtstreeks naar te kunnen kijken’, vertelde Freud-vorser Jeffrey Masson in een interview in de Haagsche Post toen hij in 1985 in Amsterdam was ter gelegenheid van een Paradiso-avond die geheel aan het omstreden erfgoed van de orthodoxe Weense psychoanalyse gewijd zou zijn.

Nog niet zo lang daarvoor was Masson definitief in ongenade gevallen als de gedoodverfde opvolger van Kurt Eissler, directeur en schatbewaarder van de fameuze Freud Archives, nadat hij een artikel had gepubliceerd (in The New Yorker, 1981) waarin getornd werd aan Freuds stellige overtuiging dat de incestueuze ‘fantasieën’ van zijn vrouwelijke patiënten niet berustten op ware gebeurtenissen in de kindertijd, maar zonder meer beschouwd konden worden als projectie: het product van hun eigen oedipale, vroegkinderlijke seksualiteit.

Masson waagde dat te betwijfelen, omdat het hem heel plausibel leek dat althans een deel van de neurotische klachten waar Freud op doelde wel degelijk voortvloeide uit het reële trauma van meisjes die in de broeierige familiale atmosfeer van de haute bourgeoisie in Wenen als kind waren misbruikt. En niet noodzakelijkerwijs alleen door hun vader, maar wellicht ook door oudere broers of andere mannelijke familieleden. Dat was tenslotte in onze moderne en op seksueel gebied veel opener samenleving nog steeds schering en inslag, dus waarom zou dat in het preutse, repressieve klimaat op het eind van de negentiende eeuw niet net zo zijn geweest, of – naar alle waarschijnlijkheid – nog veel erger?

Prompt maakte hij kennis met een andere erfenis uit het freudiaanse verleden, namelijk dat afwijkende meningen door het psychoanalytische establishment – Kurt Eissler en Anna Freud voorop – nog steeds werden afgestraft door ketters en afvalligen in de ban te doen en uit de kring van ingewijden te stoten. De Amerikaanse journaliste Janet Malcolm heeft die automatische reflex even scherp als hilarisch beschreven in haar boek In the Freud Archives uit 1985.

‘Toen ik dát allemaal over me heen had gekregen’, vertelde Masson, nog steeds een tikje beduusd, ‘begon ik pas te beseffen hoe ijdel psychoanalytici in feite zijn: een grijs gezelschap van oudere heren en dames, die voornamelijk gepreoccupeerd zijn met het behoud van de eigen status in dat benauwde, kleine kringetje. Saaie mensen! Zo saai dat je er tijdens een receptie niet eens mee zou willen praten, laat staan dat ze je iets zouden kunnen onthullen over de manier waarop je eigen psychische huishouding in elkaar zit. Ik vermoed dat ik ooit heb verwacht dat ze me de weg naar zelfkennis zouden kunnen wijzen, als ik me maar lang genoeg een ijverige leerling betoonde. En dat vind ik achteraf nogal naïef van mezelf.’

Hij was destijds de enige niet die er zulke hooggestemde verwachtingen op nahield. Veel psychologiestudenten die in de jaren zestig en zeventig kozen voor een specialisatie als analyticus zullen de hoop hebben gekoesterd dat ze daardoor wat wijzer zouden worden over zichzelf, en vooral over dat deel van henzelf dat zich altijd in de dode hoek van het bewustzijn schuil houdt en zich aan de directe waarneming onttrekt.

Met name in Amerika was het toen al vrij gewoon en in bepaalde kringen zelfs behoorlijk chic om je tot een shrink te wenden als je er op eigen kracht niet uitkwam, en de klassieke psychoanalyse – vier of vijf keer per week vrij associëren op de divan, vaak jarenlang – gold toen als ‘het hoogste’ op dit gebied.

De overweldigende populariteit die het gedachtegoed van Freud na de Tweede Wereldoorlog ten deel viel, vooral door toedoen van de joodse psychoanalytici die na 1933 voor de nazi’s waren gevlucht en in de VS school maakten, zorgde ervoor dat de begrippen die hij ontwikkelde al gauw opdoken in het alledaagse spraakgebruik. En die trend woei over naar Europa. Vrijwel het gehele oeuvre van Woody Allen drijft erop, en het bioscooppubliek – van New York tot Parijs en Amsterdam – bleek geen enkele moeite te hebben met zijn grappen over onopgeloste oedipale bindingen en neurotische fixaties. Maar vooral – uiteraard – over de duistere rol die het onderbewustzijn speelt en de freudian slips die je daar zo nu en dan een kijkje op gunnen, als je even niet oplet. Oeps, betrapt!

Zelfkennis als ‘ideaal’ is natuurlijk veel ouder dan de psychoanalyse en alle daarvan afgeleide vormen van psychotherapie in de twintigste eeuw. Boven de poort van de tempel in Delphi stond al gebeiteld: Ken u zelve, en veel van de termen die in de psychoanalytische literatuur gemeengoed zouden worden zijn ontleend aan de Griekse mythologie.

Maar niet iedereen beschikte over de middelen om het beroemde orakel te raadplegen, dat was in de Oudheid ook al een vrij elitaire aangelegenheid, zodat menigeen het op eigen houtje moest zien te klaren met behulp van de rede en een beetje introspectie. Socrates en ook andere Griekse filosofen beschouwden het als een uitstekende gewoonte om het eigen gedrag en dat van anderen met enige regelmaat te onderwerpen aan kritische vragen. Dat gold als een morele plicht voor iedereen die zich niet louter wilde laten leiden door basale behoeften en onbeheerste impulsen.

Michel de Montaigne bouwde daar in de zestiende eeuw op voort in zijn Essays, door een vorm van literair zelfonderzoek te propageren als methode om iets van het leven te leren begrijpen, en Gertrude Stein verklaarde in de jaren twintig van de vorige eeuw parmantig: ‘An unexamined life is no life at all.’

Goed, laten we het er hier dus maar eventjes op houden dat zelfkennis iets heel moois en belangrijks is, maar dan rijst natuurlijk meteen de vraag: hoe kom je aan die kennis? Waar moet je die aan toetsen bijvoorbeeld, als je niet door ijdelheid, eigendunk en zelfbedrog van het rechte pad af gedreven wilt worden? En stel dat je die kennis eenmaal hebt verworven, wat heb je er dan eigenlijk aan? Wat doe je ermee?

Op dit punt gekomen is het verleidelijk om uit eigen ervaring te putten, maar dat zou weinig overtuigend zijn. Te particulier en vooral: te oncontroleerbaar. Over je eigen Werdegang en de inzichten die je daaraan over hebt gehouden, al dan niet met hulp van een psychotherapeut, kun je tenslotte wel van alles beweren. Liever beroepen we ons op een algemeen toegankelijke vorm van informatie over de manier waarop mensen zelfkennis zouden kunnen verwerven, en halen we onze voorbeelden uit de filmgeschiedenis. Want Hollywood was, en is nog steeds, dol op het verbeelden van wat de psychotherapie in dit opzicht vermag. Woody Allen is bepaald niet de enige regisseur die daar – met alle ironie die hem eigen is – een beetje ‘beter’ van hoopt te worden.

Wat dan meteen opvalt, is dat introspectie, als de aangewezen weg naar zelfkennis, meestal wordt afgedwongen door de omstandigheden. Het is kennelijk maar weinigen gegeven om – zoals Montaigne deed – ‘op een paaltje voor het eigen huis te gaan zitten, met uitzicht over de landerijen’, en vanuit dat rustpunt de eigen identiteit aan een nauwgezet onderzoek te onderwerpen. Dat zal zeker iets te maken hebben met het feit dat Montaigne landerijen hád, die hem in staat stelden om zich reeds op 37-jarige leeftijd volledig terug te trekken uit het openbare leven, maar dat kan niet de hele verklaring zijn – een wijsgerige aanleg zal er ook mee van doen hebben.

Over je eigen Werdegang en de inzichten die je daaraan over hebt gehouden, kun je wel van alles beweren

Kijk je naar de gemiddelde romantic comedy uit de Hollywood-fabriek, dan blijkt dat die serene predispositie zelden of nooit in beeld wordt gebracht. Het stramien van een filmscenario waarin de hoofdpersonen een emotionele ontwikkeling doormaken begint in alle gevallen met een crisis, en beweegt zich dan – via veel innerlijke turbulentie – in de richting van een catharsis, het moment waarop het bevrijdende inzicht doorbreekt, en ten slotte naar een toestand van nieuw evenwicht. Kort samengevat: leed loutert, en aan het eind van de lijdensweg wacht steevast een rijke beloning. Een geliefde stapt op, maar dat zet juist een positieve ontwikkeling in gang, want daardoor leert de egocentrische protagonist dat een volwassen relatie een kwestie is van geven en nemen, en ontmoet vervolgens prompt de Ware, met wie hij of zij het geleerde in de praktijk kan brengen.

Je zou daaruit kunnen afleiden dat zelfkennis automatisch ook gelukkig(er) maakt, ware het niet dat de levenslessen die de gemiddelde romcom bevat zelden het niveau van kalenderwijsheden overstijgen: van echte introspectie is in het lichtere genre geen sprake.

Interessanter wordt het als de frictie niet alleen van buiten komt, maar vooral gesitueerd is in de manier waarop de personages de problemen tegemoet treden, en ondervinden dat ze daarbij gehinderd worden door een emotionele blokkade waarvan ze zich niet of nauwelijks bewust zijn.

Spellbound, een psychologische thriller van Alfred Hitchcock, is voorzover wij hebben kunnen nagaan een van de eerste cinematografische verbeeldingen van een therapeutisch proces dat bedoeld is om zelfinzicht te genereren. Het jaar waarin de film werd uitgebracht was 1945, precies op het tijdstip dat de psychoanalyse opdook in het blikveld van een sophisticated Amerikaans publiek. Maar kennelijk toch niet sophisticated genoeg om zich te verbazen over de blikseminterventie van psychiater Ingrid Bergman, die amnesiepatiënt Gregory Peck op slag ‘geneest’ door hem in een situatie te brengen die vrijwel identiek is aan de traumatische omstandigheden die hem dat geheugenverlies hebben bezorgd.

Als een (smoorverliefde, ook dat nog) amateurdetective past Bergman de stukjes van de legpuzzel behendig in elkaar, en laat Gregory Peck vervolgens dezelfde skihelling afdalen waarop zijn collega en reisgenoot kort tevoren is verongelukt. En wat blijkt? Niet alleen de herinnering aan het skiongeluk waarvan hij getuige was keert terug, maar in één moeite door ook de – eveneens met schuld beladen – herinnering aan een ongeluk in de kindertijd, waarbij het jongere broertje van de patiënt de dood vond. En geen seconde te vroeg. Want juist als de geschiedenis zich dreigt te herhalen, en Bergman en Peck samen in de diepte zullen storten, komt de patiënt tot bezinning. En terwijl de analytica en haar patiënt nog na liggen te hijgen in de omgewoelde sneeuw, op de rand van het ravijn, roept hij opgelucht uit: ‘Ik heb het niet gedaan, het was een ongeluk!’

Een hilarische voorstelling van zaken, maar nog steeds de moeite van het aanzien waard. Niet in het minst dankzij het bijrolletje van Michael Chekhov als de perfecte belichaming van de stereotiepe ‘wijze’ psychiater, met inbegrip van een zwaar Duits accent.

Medium zelfkennisgood will hunting

Inmiddels weten we dat psychiaters heel wat geduchtere obstakels moeten nemen dan een skihelling voor er enig schot komt in het bewustwordingsproces van hun neurotisch gestoorde clientèle. Want in tegenstelling tot de naïef-romantische visie die Hitchcock er nog op nahield, blijkt in de therapeutische praktijk dat het verwerven van zelfkennis en inzicht de patiënt niet alleen iets oplevert – althans, dat mag je hopen – maar hem ook iets kost. Zelfkennis verwerf je niet gratis: je zult er ook een paar lang gekoesterde illusies voor moeten opgeven.

Neem bijvoorbeeld het script van de film Good Will Hunting, geregisseerd door Gus van Sant. Kort samengevat: een mathematisch uitzonderlijk begaafde conciërge van mit, een arbeidersjongen die het elk weekend op een zuipen zet met zijn maatjes die in de fabriek werken, trekt de aandacht van een docent aan de universiteit, maar weigert halsstarrig om zijn gave verder te ontwikkelen. Pas als zijn mentor de hulp inroept van een psychiater, gevoelig en geestig vertolkt door Robin Williams, wordt duidelijk wat hem weerhoudt: hij voelt zich schuldig en wil onder geen beding ‘verraad’ plegen aan zijn afkomst en aan zijn kansloze, minder getalenteerde vriendjes.

Ook hier is het thema van de film dus ‘schuldgevoel’, maar de ‘doorbraak’ wordt niet groots en spectaculair in beeld gebracht, zoals Hitchcock deed in Spellbound, maar oogt juist kwetsbaar en intiem. Psychiater Robin Williams worstelt aanvankelijk tevergeefs met zijn weerspannige, hyperintelligente patiënt (Matt Damon), die hem voortdurend aftroeft, totdat hij Will tijdens een sessie opeens stevig beetpakt en langzaam en nadrukkelijk tegen hem zegt: ‘Het is niet jouw schuld.’

Nee, natuurlijk niet, is de schouderophalende reactie van Will, want dat weet die slimme jongen ook wel. Waarop Williams opnieuw tegen hem zegt: ‘Het is niet jouw schuld.’ Maar pas als hij het voor de vierde keer herhaalt, komen zijn woorden ook op emotioneel niveau binnen en ‘breekt’ Will. Hij barst in tranen uit, als een klein kind. De consequentie van dat inzicht is dat Will zich er eindelijk mee verzoent dat hij zijn talent zal moeten ontplooien om ‘zichzelf’ te kunnen worden, in het volle besef dat die keuze hem zal vervreemden van de mensen met wie hij is opgegroeid. Dat is de prijs die hij moet betalen, en het is dus nog maar de vraag of je dit een happy end kunt noemen.

Hoe vernietigend het nemen van zo’n onmogelijke beslissing kan zijn wordt getoond in het briljante regiedebuut van Robert Redford, Ordinary People, waarin een verscheurd gezin voor de keuze staat om de ‘waarheid’ onder ogen te zien, met alle gevolgen van dien, of te volharden in het ophouden van de schone schijn. De plot is simpel: de oudste zoon van het gezin komt om bij een bootongeluk, terwijl zijn jongere broer het overleeft. Dat zadelt hem op met een loodzwaar schuldgevoel, wat in de hand wordt gewerkt door zijn moeder (een spijkerharde rol van Mary Tyler Moore), die zich na het ongeluk van hem afkeert en hem laat voelen dat ze liever had gezien dat haar andere, favoriete kind het had gered.

De vader (een indrukwekkende creatie van Donald Sutherland) probeert tevergeefs te bemiddelen, maar moet ten slotte toch partij kiezen, nadat zijn zoon een serieuze zelfmoordpoging heeft gedaan en bij een begripvolle psychiater terechtkomt, wat ertoe leidt dat de jongen genoeg moed vat om zijn moeder te confronteren met haar liefdeloze, kille afwijzing. Zonder succes, want die moeder heeft maar één verlangen, en dat is dat alle gezinsleden weer ‘normaal’ doen, alsof er niets gebeurd is.

Ontkenning is het stadium van het rouwproces waarin ze is blijven steken, en zodoende staat ze voor een onoplosbaar dilemma. Als ze de dood van haar oudste kind en de ontreddering van haar jongste gevoelsmatig tot zich zou laten doordringen, staat haar een peilloos verdriet te wachten: wanhoop van een kaliber dat ze niet denkt te kunnen verdragen. Dat is de ultieme barst in haar ideaalbeeld van ‘geluk en succes’. Maar doet ze dat niet, dan zal de kloof tussen haar en de twee andere leden van het gezin waarschijnlijk onoverbrugbaar worden.

‘Het woord zegt het al, nietwaar: verbloemen! Zo zie je maar weer, dokter Freud slaapt nooit’

De prijs van dit (zelf)inzicht is haar te hoog, en dus eindigt de film ermee dat de moeder zich verbitterd terugtrekt in haar ‘gelijk’, terwijl vader en zoon elkaar terugvinden op de veranda, onder de sterrenhemel.

Allemaal heel aandoenlijk en herkenbaar – wij veroordelen en bloc die moeder en leven mee met vader en zoon – maar intussen rijst wel de vraag: als de ‘kosten’ die met het opdoen van zelfkennis gepaard gaan zo hoog kunnen oplopen, is die kennis dan eigenlijk wel de moeite waard? Heeft de moeder in Ordinary People wellicht gelijk, op het moment dat ze botweg weigert om iets aan haar rigide zelfbeeld en haar egocentrische gedrag te veranderen? Uit welbegrepen eigenbelang? Je kunt tenslotte ook gewoon je kop in het zand steken en tegen het psychiatersgilde zeggen: u bekijkt het maar met die veelgeroemde zelfkennis, volgens mij is dat een zwaar overschatte kwaliteit, dus laten die verdrongen gevoelens vooral blijven waar ze zijn, ergens in het vooronder van het bewustzijn, want vooralsnog voel ik me alleen maar beroerder als ik de luiken open en ze vrij spel geef.

Medium zelfkennisordinary people

En bovendien, wat is de ‘waarheid’, wat is de meest plausibele versie van je eigen levensverhaal? Aan welke criteria zou je dat kunnen toetsen? Uit onderzoek blijkt dat mensen vaak aan zelfoverschatting lijden en zichzelf allerlei wonderschone eigenschappen toedichten die hun naaste omgeving misschien niet direct zou willen beamen; er treedt dus sowieso een vertekening op. Men denkt nu eenmaal graag het beste van zichzelf. Maar daar staat tegenover dat mensen die gewend zijn om hun eigen gedrag analytisch te duiden, met name in een situatie waarin ze niet bang hoeven te zijn voor een moreel afkeurend oordeel, juist heel bevattelijk blijken te zijn voor de suggestie dat iets ‘waarder’ is naarmate het ‘naarder’ klinkt. Want dat hebben ze zo geleerd in de spreekkamer van hun therapeut, en het doet bovendien een stuk bescheidener en sympathieker aan dan borstklopperij.

‘Ja natuurlijk’, geven ze bijvoorbeeld grif toe, ‘het léék wel genereus dat ik mijn collega meteen een bos rozen stuurde toen zij de promotie kreeg waar ik zelf eigenlijk op had gerekend, maar ik ben nu eenmaal een beetje passief-agressief ingesteld, volgens mijn psych ben ik een typische conflictmijder, dus ik snap ook wel dat dit mijn manier was om te verbloemen dat ik eigenlijk stikte van de jaloezie. Het woord zegt het al, nietwaar: verbloemen! Zo zie je maar weer, dokter Freud slaapt nooit.’

Op het moment zelf lijkt dat misschien verrassend openhartig, een bekentenis die getuigt van zelfkennis, maar is het ook waar? Er is namelijk weinig reden te veronderstellen dat negatieve karaktereigenschappen en motieven per definitie ‘waarder’ zijn dan positieve, zoals onder meer mag blijken uit het onderzoek van etholoog Frans de Waal naar het groepsgedrag van mensapen, waarbij hij tot de conclusie kwam dat constructieve impulsen – gedrag dat voortkomt uit empathie, compassie en hulpvaardigheid – even stevig verankerd zijn in de genetica van chimpansees en bonobo’s als uitingen van naijver, geldingsdrang en onderlinge agressie.

Het hierboven geschetste voorbeeld van zelfrelativering en zelfkritiek zou je met evenveel recht kunnen opvatten als een frappant staaltje van verkapte zelffelicitatie, want diegene suggereert óók: moet je nou toch eens kijken hoe goed ik mijn negatieve gevoelens onderken en beheers, en daar zelfs met enige ironie over kan praten, want ik lijd natuurlijk niet aan zoiets kinderachtigs als zelfoverschatting en zelfbedrog: ik weet best hoe ik in elkaar zit. Als je goed luistert zul je horen dat zo iemand zichzelf wel degelijk ‘genereus’ vindt, want hij heeft iets moeten overwinnen toen hij die bos rozen kocht, en dat maakt zijn gedrag dus juist dubbel deugdzaam.

Wie de geschiedenis niet kent, is gedoemd om haar te herhalen, is een gevleugeld woord van de Spaans-Amerikaanse schrijver George Santayana, die geschiedenisonderwijs vooral belangrijk vond uit een oogpunt van pragmatisch denken. Je zult eerst moeten onderkennen hoe je in het verleden op bepaalde prikkels hebt gereageerd, en welk ‘systeem’ daarin zat, om tot de conclusie te kunnen komen dat die strategie misschien niet in alle gevallen succesvol was, en dat er misschien ook een andere reactie denkbaar zou zijn geweest. Pas als je daar zicht op hebt gekregen, kun je proberen om je gedragsrepertoire uit te breiden en eens een ander coping mechanism in stelling te brengen.

Dat klinkt simpel, maar is het niet, omdat mensen vaak koppig blijven vasthouden aan een manier van denken en doen die ze in het verleden goede diensten heeft bewezen, maar die in het latere leven – onder gewijzigde omstandigheden – niet langer van nut is, of zelfs contraproductief, zonder dat ze dat zelf in de gaten hebben. Psychiater Louis Tas placht dat bij leven en welzijn bondig samen te vatten als: ‘Een neurose is in feite niets anders dan herhalingsdwang.’

Dat pleit dus voor het nut van psychotherapie along analytic lines, zoals de vereenvoudigde en minder tijdrovende vorm van de klassieke psychoanalyse heet, want daarin leert de patiënt om betekenisvolle verbanden te leggen tussen heden en verleden. Wat nog niet automatisch betekent dat hij zich ook naar dat nieuw verworven inzicht gaat gedragen, want daarvoor is nodig dat hij niet alleen op cognitief niveau begrijpt hoe het zit, maar ook gevoelsmatig rijp is om iets aan zijn gedrag te veranderen.

Want waarom bleek het in de drie bovengenoemde speelfilms, waarin schuldgevoel het kernthema is, zo moeilijk te zijn om dat schuldgevoel los te laten? Omdat zelfkennis altijd iets ‘kost’, hebben we al geopperd. Maar waarschijnlijk ook – pervers als het mag klinken – omdat schuldgevoel niet zelden een functie heeft die maakt dat wij eraan gaan ‘hechten’.

In het geval van de jongste, overlevende zoon in Ordinary People speelt het besef dat hij onmachtig was om het ongeluk te keren – dat hij er letterlijk ‘niets aan kon doen’ – bijvoorbeeld een belangrijke rol, omdat hij die hulpeloosheid nog onverteerbaarder vindt dan de notie dat hij te kort is geschoten en niet aan de verwachtingen heeft voldaan. Vooral niet aan zijn eigen veel te hoog gespannen verwachtingen. Soms verkiezen mensen het gevoel dat ze ergens schuldig aan zijn, hoe onterecht misschien ook, boven de erkenning dat ze in feite geen controle hadden over de situatie en aan de grillen van anderen – of die van het lot! – waren overgeleverd.

Om van zijn schuldgevoel te genezen moet deze jongen dus afstand doen van de kinderlijke fantasie dat hij almachtig is, en leren dat het niet altijd in zijn vermogen zal liggen om de mensen van wie hij houdt te ‘redden’ en gelukkig te maken: noch zijn broer, noch zijn ouders. Zoals ook Will Hunting moet leren dat hij zijn beste vriend niet kan ‘redden’ van een uitzichtloos bestaan in een achterstandsbuurt door zijn eigen talent te verloochenen.

Het pragmatische antwoord op de vraag hoe je het waarheidsgehalte van zelfkennis zou kunnen toetsen luidt dus simpelweg: kijk maar gewoon of het ‘werkt’. Of in ieder geval een tikkeltje beter werkt dan de strategie die je daarvóór had, want zelfkennis is een proces, een manier van denken, en er niet voor terugdeinzen om ook het tegenovergestelde te durven denken – het is nooit een eindstadium.

Wat niet wegneemt dat het zinvol is om ernaar te blijven streven, want een alternatief is er niet: dit onnauwkeurige kompas is nu eenmaal het enige instrument dat je ten dienste staat bij het uitstippelen van de koers die je wilt varen. We zijn ermee opgescheept.


Emma Brunt is publiciste, Alex Korzec is psychiater

Beeld: (1) Spellbound, regie Alfred Hitchcock, 1945. Michael Chekhov als dr. Alexander Brulov en Gregory Peck als John Ballantyne (Archives du 7e Art/Dr/HH). (2) Good Will Hunting, regie Gus van Sant, 1997. Geheel rechts Matt Damon als Will Hunting (RCV Film Distribution). (3) Ordinary People, regie Robert Redford, 1980. Mary Tyler Moore als moeder Beth en Timothy Hutton als jongste zoon Conrad (Paramount Pictures).