The Iron Lady is niet meer

Op eenzame hoogte

De staat, dat was zij. En Engeland redden, dat was haar taak. Elf jaar regeerde ze, met harde hand, en dat hebben de Britten geweten. Genegenheid wekte ze niet op, wel respect en bewondering. Zoals geestverwant Ronald Reagan zei: ‘The best man in Britain’.

Drie dagen voor de 77ste verjaardag van Margaret Thatcher bezocht de journaliste Linda McDougall de voormalige premier in haar woning op 73 Chester Square, in de sjieke Londense wijk Belgravia. Rondkijkend zag McDougall op de schoorsteenmantel twee verjaardagskaarten staan. Toen ze een paar dagen later terugkwam, viel het haar op dat het aantal kaarten slechts was verdubbeld tot vier. Terwijl op het toneel toneelstukken over haar nalatenschap werden opgevoerd, de bbc docudrama’s over haar uitzond, Meryl Streep een dementerende Iron Lady speelde in een speelfilm, ziekenhuisopnamen voorpaginanieuws waren, Labour-politici hardop wensten dat ze zou branden in de hel, boekenplanken werden volgeschreven over haar nalatenschap, premiers haar uitnodigden op Downing Street en ze werd verkozen tot invloedrijkste vrouw in de wereld, raakte de hoofdpersoon op haar oude dag steeds geïsoleerder. De laatste jaren van haar leven bracht ze veel tijd door in haar leunstoel, luisterend naar klassieke muziek, kijkend naar Songs of Praise en bladerend door de dagbladen. Haar geheugen liet haar steeds vaker in de steek. Sinds eind vorig jaar logeerde ze in de Ritz, waar Denis en zij in 2002 hun vijftigste huwelijksverjaardag hadden gevierd.

Meer dan voor andere premiers was het verlies van het premierschap een klap voor Margaret Thatcher, die geen Hinterland had, een leven buiten de politiek. John Major kon terugvallen op cricket en Tony Blair op geld verdienen, maar Thatcher had alleen Denis. ‘DT’, zoals ze haar goedlachse eega, haar vaderfiguur, liefkozend noemde. Na de dood van Denis in de hete zomer van 2003 bleef er weinig meer over om naar uit te zien. ‘Soms vraag ik me wel eens af’, zo vertelde ze ooit, ‘welke dag het vandaag is. Op 10 Downing Street had ik dat nooit.’ Soms dook ze nog op in het openbaar, bijvoorbeeld om een schilderij van zichzelf te onthullen in de National Gallery, of een buste in het Lagerhuis, door haar bewonderaars omgedoopt tot The Adoration of the Maggie. Tevens onderhield ze contact met de journalist Charles Moore, die een geautoriseerde biografie over haar aan het schrijven was, om deze na haar dood te kunnen publiceren. De laatste jaren beleefde ze voornamelijk plezier aan het gezelschap van Mavin, een zwerfkat die ze uit een asiel van Battersea haalde, nadat de eigenaar in het gevang was beland.

Alleen zijn was geen nieuwe ervaring voor haar. Sinds haar jeugd in het provinciestadje Grantham, graafschap Lincolnshire, waar de eerste bioscoop door de ouders van Jane Birkin was geopend, heeft ze altijd het gevoel gehad een buitenbeentje te zijn. Op school viel ze op door haar leergierigheid en oratorische talent, waardoor ze door jaloerse klasgenoten voor uitslover werd uitgemaakt. In Oxford, waar ze scheikunde studeerde, was het niet anders. Terwijl haar studiegenoten aan het feesten waren, schreef de gedisciplineerde Margaret Hilda Roberts essays. Haar zelfverzekerdheid met betrekking tot haar eigen gelijk, vooral waar het haar politieke ideeën betrof, werd aangezien voor arrogantie. Het hielp niet mee dat ze uit een middenstandsfamilie kwam, daar de meeste studenten in de stad van de dreaming spires uit de gegoede klassen afkomstig waren. De vrienden die ze had, ontmoette ze via de methodistische kerk. Dat was ook de plek waar haar waardering voor hard werk vandaan kwam, en haar scepsis jegens de staat.

Bij haar eerste echte baan, in een laboratorium van BX Plastics, verrichtte ze puik werk, maar de omgang met collega’s bleef beperkt. Vrije tijd ging op aan de strijd voor een Kamerzetel in Dartford, het industriestadje ten oosten van Londen. Hoewel ze het aantal Conservatieve stemmen verdubbelde, wist ze de zetel niet te veroveren. Vervolgens besloot ze in de avonduren rechten te gaan studeren. Na haar huwelijk met de ondernemer, rugbyscheidsrechter en golfliefhebber Denis Thatcher, twee jaar later gevolgd door de geboorte van de tweeling, kwam ze terecht in de juridische wereld, weer een mannendomein. Vrouwelijke advocaten werden geacht te werken binnen het familierecht, maar Thatcher wist als een van de weinige vrouwen door te dringen in het belastingrecht.

Het masculiene karakter van de advocatuur in de jaren vijftig was nog niets vergeleken bij dat van de Conservatieve Partij. De regeringen van Winston Churchill, Anthony Eden en Harold Macmillan telden louter heren, de laatste vooral familieleden van de premier. In het bbc-drama The Long Walk to Finchley is te zien hoe Thatcher als kruideniersdochter, als lid van de vaak geminachte lower-middle-class, een plek bevocht in het Old Boys Network. Vloeken paste niet bij Thatcher, maar op een zeker moment zou ze ‘fuck the establishment’ hebben geroepen nadat ze weer was tegengewerkt door medailledragers in een selectiecommissie. In het najaar van 1959 werd ze eindelijk verkozen als Kamerlid, voor Finchley, een keurige, joodse wijk in Noord-Londen. Ze had een plekje in het Lagerhuis – The House, zoals ze het noemde, wat bij toehoorders soms verwarring opleverde, aangezien de meeste mensen hier hun eigen huis onder verstaan.

Haar strijd tegen de gevestigde orde was daarmee nog niet voorbij. De top van de ­partij was haar doel. Ze bouwde langzaam een machts­basis op binnen de partij. Haar eerste mentor was Edward Heath, de eerste Conservatieve premier die niet tot ‘the Great and the Good’ behoorde. Na zijn val in 1974, veroorzaakt door de mijnwerkers, en de daaropvolgende beslissing van Thatcher om zichzelf, met succes, beschikbaar te stellen voor het leiderschap, keerde Heath zich tegen haar. Als leider van de oppositie werd ze gesteund door haar trouwe plaatsvervanger William Whitelaw, wat haar verleidde tot de beroemde uitspraak: ‘Every Prime Minister needs a Willie’, waarbij ze zich niet bewust was van de dubbelzinnige betekenis. Een medailledrager die haar wel goed gezind was, was echter Airey Neave, de oorlogsheld die samen met Tony Luteijn twee keer was ontsnapt uit Slot Colditz. Vlak voor de verkiezingen werd hij in de parkeergarage van het parlement gedood door de ira, een terreurdaad die altijd een splinter in Thatchers ziel zou blijven en mee zou spelen bij haar compromisloze houding tegenover de hongerstakende republikeinen in Noord-Ierland.

Een gangbare wijsheid is dat Thatcher in haar eerste twee regeerperioden twee grote vijan­den had: het socialisme en de Argentijnse junta van Leopoldo Galtieri. Het meest interessant is de derde vijand: de regenten binnen haar eigen partij. In Thatchers visie waren deze kostschooljongens dankzij hun contacten en blauwe bloed, en niet door hard werken en doorzettingsvermogen, op hun positie gekomen. Het was een strijd tussen meritocratie en aristocratie, tussen het individualisme van de middenklasse en de gedeelde vrijetijdsbesteding in de herenclubs. De partijcoryfeeën waren paternalistisch en stonden ter linkerzijde van de partij, waardoor ze in het overzichtelijke wereldbeeld van Thatcher tot de onbetrouwbare ‘wets’ werden gerekend. Politiek inhoudelijk was Thatchers bezwaar dat ze de naoorlogse consensus in stand wilden houden, een status-quo die had geleid tot noodsteun van het imf en de Winter van de Onvrede van 1979.

De grandées zaten niet alleen in de politiek, maar ook hoog in de ambtenarij (met name op Buitenlandse Zaken) en in culturele instellingen. ‘Is he one of us?’ was meestal de eerste vraag wanneer ze door een vertrouweling werd geconfronteerd met een nieuwkomer. De meritocrate Thatcher geloofde heilig in de Amerikaanse droom van de self-made man. Onder meer door belastingmaatregelen en deregulering gaf ze vrij baan aan de zakelijke avonturiers, de Richard Bransons en Alan Sugars. En Rupert Murdoch natuurlijk, die haar hielp bij het breken van de vakbondsmacht. De achterban van Thatcher bestond niet zozeer uit de hogere maatschappelijke klassen, als wel uit ‘working-class Tories’ die zich wisten op te werken tot de middenklasse en hun sociale huurwoningen kochten. Tegelijkertijd was het feest in The City waar de aandelenhandelaren en zakenbankiers, dansend op hits van Spandau Ballet, profiteerden van Thatchers neoliberale uitgangsprincipe ‘greed is good’.

Zelf heeft Margaret Thatcher zich altijd geprofileerd als een zuinige, behoudende huisvrouw. Amusant is de anekdote over een vergadering die ze vroegtijdig verliet om schouderham te kopen voor Denis. Gevraagd of een bediende dat niet kon doen, meldde ze dat alleen zij wist welk stukje spek het juiste was. Het maken van winst interesseerde haar niet zoveel. Enerzijds was er dankzij Denis, een self-made miljonair uit het Zuid-Londense Lewisham, geld genoeg, anderzijds zou ze geen idee hebben waar ze het geld aan zou moeten uitgeven. Vakanties beschouwde ze als een onnodige onderbreking van haar missie. Vrijetijdskleren bezat ze niet. Het dichtst bij een hobby kwam de inrichting van de ambtswoning. Ze wist precies hoe die eruit moest zien en betaalde de renovatie uit eigen zak, iets wat hedendaagse politici niet snel zouden doen. In kunst had ze matige interesse. Een curator herinnert zich dat ze bij een opening van een expositie op een kunstwerk af liep en de materialen analyseerde, alsof ze nog bij BX Plastics werkte. Een cultuurpaus noemde de ijzeren poorten voor Downing Street op spottende wijze haar voornaamste erfenis op kunstgebied.

Het huisvrouwenimago geeft al de indruk dat Thatcher eerder feminien was dan feministisch, een beeld dat werd bevestigd door haar liefde voor modieuze handtassen. Uiteenlopende mannen als de politicus Alan Clark (‘I got a full dose of personality compulsion, something of the Fuehrer Kontakt’), Francois Mitterrand (‘Mrs. Thatcher has the eyes of Caligula and the mouth of Marilyn Monroe’), Ronald Reagan (‘The best man in Britain’), Geri Halliwell (‘She was the first Spice Girl’), Paul Gascoigne (‘She is nice and cuddly’), Philip Larkin (‘Her great virtue is saying two and two makes four, which is unpopular nowadays’) en Jim Ballard (‘I believe in the mysterious beauty of Margaret Thatcher’) raakten danig onder de indruk. Feministen hebben altijd een dubbel gevoel gehad over de eerste vrouwelijke premier van het Verenigd Koninkrijk. Ze placht graag op te merken dat wanneer men iets gezegd wil hebben men een man nodig heeft, maar dat wanneer er iets gedaan moet worden vrouwelijk leiderschap geboden is. Bij de kroning van Elizabeth II had ze ‘haar zusters’ opgeroepen om wakker te worden nu een tijdperk van vrouwen nakend was. Ze was populair bij de secretaresses van Downing Street en het andere vrouwelijke personeel, waaronder haar kapper, omdat ze altijd attent en meelevend was. Met de koningin kon ze goed overweg, al maakten de dames elk jaar weer ruzie over wie de afwas mocht doen na de barbecue tijdens de Braemar Highland Games in Schotland.

Op politiek niveau was het anders. Beroemd is de regeringsfoto waarop naast Thatcher alleen mannen zitten. Ze heeft in elf jaar tijd slechts één vrouwelijke minister opgenomen in haar kabinet. Behalve premier voelde ze zich ook moeder, van het land en van haar kabinet. ‘Boys will be boys’, zei ze op vertederende wijze als een minister weer eens een misstap beging. Zowel het Lagerhuis als het Hogerhuis bleef onder haar een mannelijk bolwerk en ze was tegen positieve discriminatie, omdat dit in strijd was met haar meritocratische principes. In haar autobiografie legde ze meer nadruk op het feit dat ze de eerste wetenschapster in Downing Street was dan de eerste vrouw. Hoewel ze als vrouwelijke leider een grote invloed zou hebben op andere vrouwen in de politiek, in binnen- en buitenland, links en rechts, is ze binnen feministische kringen nooit beschouwd als ‘one of us’. Sommigen spraken laatdunkend over een ‘suburban feminist’. De afkeer was wederzijds: ‘Feminism? What has it ever done for me?’ vroeg ze zich ooit af.

Een eenling was ze ook tussen haar Europese collega’s, ondanks de vleiende opmerkingen van Mitterrand aan haar adres. Thatcher heeft ‘Europa’ altijd beschouwd als een vervelende en vooral ook kostbare complicatie bij haar herstelwerkzaamheden in eigen land. Het ministerie van Buitenlandse Zaken beschouwde ze daarbij als een veredelde ambassade van de Europese Unie. Ze bezat een intuïtief wantrouwen jegens buitenlanders. Afgezien van Ruud Lubbers en Helmut Schmidt heeft ze in Europa niet veel vrienden gemaakt, tenminste niet in West-Europa. Anders dan bij haar ideologische neefje Tony Blair is populariteit nooit haar voornaamste ambitie geweest, in binnen- noch buitenland. Thatcher eiste (en kreeg) haar geld terug en probeerde de Europese integratie waar mogelijk tegen te werken, om er regelmatig achter te komen dat de Duitsers en Fransen haar in de val hadden gelokt. Van de Duitse gevoelig­heden omtrent de eenwording begreep ‘Atilla de Hen’, zoals Clement Freud (kleinzoon van) haar eens noemde, weinig. Niet zozeer de Tweede Wereldoorlog was op haar van invloed – zij was de eerste Britse premier die geen actieve rol in die tijd had vervuld – als wel de Koude Oorlog. Haar interesse lag meer aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, waar ze een warme vriendschap opbouwde met haar geestverwant Ronald Reagan, ondanks het feit dat zij twintig uur per dag werkte en hij, met het oog op zijn middagdutje, liever geen koffie bij de lunch nam. Met George Bush de Oude was de relatie moeizamer. De Texaan was maar wat blij toen John Major aan de macht kwam, iemand met wie hij wél gezellig bij het haardvuur kon keuvelen en kon hoefijzerwerpen.

Ze was uitgerekend bij een Europees overleg in Parijs toen haar eigen partij in opstand kwam, waarbij de toespraak van de aftredende minister van Buitenlandse Zaken Geoffrey Howe de prelude was. Op 13 november 1990 riep hij collega’s op hun eigen antwoord te formuleren op het ‘tragische loyaliteitsconflict waar ik misschien te lang mee heb geworsteld’. Howe doelde hierbij op de vervreemding van Thatcher van haar ministers, die overwegend Europa-gezind waren. Luisteren, toch al nooit een gave, ging haar steeds moeilijker af. Het deed denken aan een dialoog uit Spitting Image, waarbij Thatcher haar kabinet mee uit eten neemt. Serveerster: ‘Wat wilt u bestellen?’ Thatcher: ‘Ik neem een biefstuk.’ Serveerster: ‘Hoe wilt u hem hebben?’ Thatcher: ‘O, rauw, alstublieft.’ Serveerster: ‘En hoe zit het met de groenten?’ Thatcher (kijkend naar haar collega’s): ‘O, die nemen hetzelfde als ik.’

Stap voor stap was ze zich als een politieke diva gaan gedragen, en leek te geloven in bijnamen als The Iron Lady, The Great She-Elephant en The ­Bless’d Margaret. Soms sprak ze in het koninklijke meervoud, bijvoorbeeld toen ze oma was geworden. De makers van Spitting Image zagen het goed door haar Frank Sinatra’s volkslied My Way te laten zingen. Heilig overtuigd van haar eigen gelijk trok ze zich weinig aan van meningen van collega’s en adviseurs en al helemaal niet van de nu zo invloedrijke opiniepeilers. De enige naar wie ze luisterde was Denis, en die hield zich ver van politiek. Nadat ze tijdens de eerste twee termijnen haar grote vijanden verslagen had, ging ze rusteloos op zoek naar nieuwe uitdagingen. Ze leek, net als Trotski, te geloven in een voortdurende revolutie en verloor haar geduld met weifelende collega’s. ‘Ik geloof dat ík de rebel binnen het kabinet ben!’ riep ze op een gegeven moment uit. Overmoedig ging ze gevechten aan met onder anderen federalisten op het vasteland en leninisten in het plaatselijke bestuur. Dat laatste leidde tot de ongelukkige invoering van de poll tax. De theorie achter deze belasting was zo gek nog niet – het bestraffen van potverterende gemeentebesturen – maar de praktische invoering ervan betekende dat de rijken minder en armen meer gingen betalen. Dit druiste in tegen het diepgewortelde gevoel van fair play dat de Engelsen eigen is. Veel volksvertegenwoordigers beseften hoe fataal deze invoering was en dit leidde tot onrust binnen de partij. Ze was, zoals altijd, not for turning. Als het niet de poll tax was geweest, dan was er wel iets anders gekomen waarover Thatcher zou struikelen. Niet alleen was ze de houdbaarheidsdatum van een regeringsleider gepasseerd na haar derde verkiezingszege in 1987, de bevolking leek Thatcher-moe te worden.

Voor een traditioneel ingesteld volk als de Engelsen, bij wie het zoeken naar een compromis en inventief voortmodderen in het bloed zit, was haar dadendrang uiteindelijk te veel van het goede. Daarom was de opluchting voelbaar toen John Major haar opvolgde, een praktisch ingestelde politicus die met zijn liefde voor Merry Old England, cricket en warm bier in vele opzichten veel Engelser was dan Thatcher. Waar Thatcher zich spiegelde aan ‘Winnie’ (Churchill), daar deed Major denken aan de flegmatieke premier Arthur Balfour voor wie ‘nothing matters very much, and very little matters at all’. Met idleness, een kwaliteit die de Engelsen, vooral de leden van de upper-class, hebben geperfectioneerd, had ze weinig op. In zijn dagboeken merkt Alan Clark ergens op dat Thatchter eigenlijk nooit echt deelnam aan een gesprek, maar stellingen en concepten poneerde. Ze toonde beperkte interesse in zaken die geen direct verband hielden met het redden van het land, een taak, en daar was ze tot lang na haar dood heilig van overtuigd, die alleen zij kon vervullen. Tijdens borrels in de achtertuin van Downing Street sprak ze, in strijd met de etiquette, over politiek. ‘Freedom under the law…’ konden de aanwezigen in een straal van tien meter rondom Thatcher horen. Op een zomeravondfeest kreeg minister van Defensie Michael Portillo, ooit haar beste leerling, te horen: ‘Michael, heb jij ooit een oorlog gewonnen? Ik wel.’ Verderop stond Denis ontspannen te drinken, te roken en grappen te maken.

On-Engels was ook Thatchers moeizame relatie met ironie. Ferdinand Mount, een van haar adviseurs en een oom van David Cameron, noemde de Thatcher-jaren de langste vakantie die ironie ooit heeft genomen. Denis merkte dat toen hij voor het eerst met haar naar Grantham ging. Bij de aanblik van het in gotische stijl opgetrokken stadhuis zei hij sarcastisch: ‘I bet they’re awfully proud of that.’ Hierop zei Thatcher dat het volgens haar vader Alfred inderdaad een fenomenaal bouwwerk is. Tijdens een kabinetsvergadering stelde haar favoriete minister Nicholas Ridley voor alleenstaande moeders samen te brengen in speciale tehuizen. Minister David Mellor kon zijn oren niet geloven en zei: ‘Dan hangen we meteen rode lampen boven de ramen.’ Ridley ontstak in woede, waarna Thatcher sussend zei dat ze op die manier de weg weten te vinden. Een van haar adviseurs had ooit een verwijzing naar de Dead Parrot Sketch in een toespraak gezet. Thatcher bleek niet op de hoogte te zijn van deze Monty Python-sketch en keek er met een stalen gezicht naar toen haar adviseurs hem tot lering ende vermaak toonden. De enige komedie waar ze van hield, en die ze begreep, was Yes Minister en tijdens een prijsuitreiking speelde ze een door haarzelf geschreven sketch waarin ze de spot dreef met economen die laatdunkend hadden gesproken over haar ‘Enid Blyton-economics’.

Immers, de meeste economen waren keynes­ia­nen, die lijnrecht tegenover Thatchers monetarisme stonden, bedacht door de Chicago School van Milton Friedman. Het was een van de vele Amerikaanse invloeden op Thatcher, van materialisme tot de ongevoeligheid voor ironie, van functionalisme tot de liefde voor plastic. Ze geloofde heilig in the American way of life. ‘Ik kan niet begrijpen’, verklaarde ze ooit, ‘dat een Engelsman rustig gaat leven wanneer hij twee miljoen heeft, terwijl een Amerikaan niet rust totdat hij er twintig heeft.’ Ideologisch stond ze dichter bij het neoliberalisme dan bij het conservatisme, dichter bij de Amerikaanse Republikeinen dan bij haar eigen partij. ‘Het feit is dat Thatcher nooit een echte conservatief was’, zei haar partijgenoot Robert Rhodes James, een historicus. Onder haar elf jaar durende regeerperiode is de Britse samenleving dan ook sterk veramerikaniseerd, compleet met een gapend gat tussen rijk en arm. Veel mensen hebben meer geld tot hun beschikking, maar het Bruto Nationaal Geluk is niet automatisch mee gestegen. In vrijwel elk onderzoek naar een gelukkig bestaan in de westerse wereld bungelen de Angelsaksische landen onderaan. Er zijn onderzoeken die uitwijzen dat de Britten, ondanks alle stakingen en stroomuitvallen, gelukkiger waren in de jaren zeventig.

Haar benthamiaanse intenties ter bevordering van het algemeen geluk waren ongetwijfeld nobel. Mensen die haar ontmoet hebben spreken over de interesse die ze toonde en dat ze niet de hand schudde, maar een hand met beide handen vastgreep. Ze nam uitgebreid de tijd om schoolklassen rond te leiden in haar ambtswoning en alle vragen van de kinderen te beantwoorden. Een probleem was dat ze moeite had om zich in te leven in andere mensen, te begrijpen dat niet iedereen even blij was met de tucht van de vrije markt, dat niet iedereen er op uit was om miljonair te worden, dat niet iedereen de prijs belangrijker achtte dan de waarde. Net als Charles de Gaulle begon ze zichzelf als verpersoonlijking van de staat te zien. Margaret Thatcher heeft bewondering geoogst en respect opgewekt, wat iets anders is dan genegenheid. Met haar overtuiging van het eigen gelijk, gebrek aan zelfspot, ongekende werklust en liefde voor verandering is Thatcher nooit iemand geweest met wie haar landgenoten zich automatisch konden identificeren. Ze is door hen nooit écht beschouwd als ‘one of us’.