Fassbinders scripten en scenario’s

Op eigen kompas

‘Nazischweine’, ‘Drecksjuden’. Aan Fassbinders scripten en scenario’s gingen vaak morbide en venijnige tirades vooraf. Doodszuchten uit een ‘censuurstaat’.

HET MOET IN HET najaar van 1978 zijn geweest — in ieder geval in de nacht na de première van zijn film In einem Jahr mit 13 Monden — dat Rainer Werner Fassbinder, zijn collega Walter Bockmayer, diens manager Rolf Bührmann, de filmacteur Udo Kier (L’histoire d’O) en ik van Frankfurt naar Keulen reden. Fassbinder haatte groot vertoon na een première. Hij begaf zich met enkele intimi en nog wat extravagante nachtvlinders naar een smoezelige bar in het hart van de Main-metropool, waar rijkelijk gedronken, duchtig geïnhaleerd en veel gescholden werd. Als uitvloeisel van de vrijwel permanente roes waarin de hypercreatieve filmmaker placht te verkeren, kende zijn verbale virtuositeit zelden betamelijkheidsgrenzen. In de kroeg en op het traject Frankfurt-Keulen tierde Fassbinder er lustig op los. De masochist Udo Kier, met wie de filmmaker een haat-liefderelatie had, moest het als ‘schwule Sau’ ontgelden. Nog heviger ontlaadde zich echter zijn banvloek over de stad Frankfurt, de meer verkwanselde dan verkavelde city, het daarbij betrokken netwerk van woekeraars en speculanten en de daaraan inherente materiële en morele verloedering van de politieke en administratieve zeden. Fassbinder ging zo ver dat hij de Frankfurter vastgoedmaffia als ‘Drecksjuden’ categoriseerde. Feit is dat diegenen die het daar naar het principe van divide et impera als makelaar voor het zeggen hadden merendeels joden waren. De integere Ignaz Bubis was onder hen; zijn naam is met de gedepersonaliseerde rijke jood in Fassbinders gewraakte toneelstuk Der Müll, die Stadt und der Tod in verband gebracht.


Fassbinders tirades — hoe morbide, vals en venijnig ook — bleken niet zelden het begin van de barensweeën die de geboorte van een nieuw script of scenario inleidden. Het staat voor mij als een paal boven water dat de verwensingen die hij debiteerde in het kielzog van de première van In einem Jahr mit 13 Monden jegens Frankfurt en de puinhoop die sjacheraars en woekeraars van de binnenstad hadden gemaakt, de dramaturgie hebben bepaald van Der Müll, die Stadt und der Tod. De woede waaruit het stuk is voortgekomen, markeert zijn structurele en inhoudelijke beperkingen. De levensbedreigende pepdoses die Fassbinder allengs verteerden, degradeerden de dramatis personae tot Bargoense prototypen met alle suggestieve of banale associaties van dien. De evolutie van ‘Judd Süss’ naar ‘reicher Jude’ impliceert in alle gevallen het historische feit van een Tweede Wereldoorlog, die Fassbinder ontegenzeggelijk heeft getraumatiseerd.



MIJN CONTACT MET Rainer Werner Fassbinder dateerde uit het midden van de jaren zeventig, toen hij nog in de Münchener Reichenbachstrasse woonde, tegenover het roemruchte bohémien-café Deutsche Eiche. De intendant van de Beierse Staatsopera, de fameuze regisseur Günther Rennert, vond op een dag in een lade van zijn schrijftafel een notitie die hem aan een gesprek met Fassbinder over een operalibretto herinnerde. Rennert achtte zich kennelijk moreel gebonden en stuurde mij naar Fassbinder om poolshoogte te nemen. Dat het uiteindelijk tot een eerste ontmoeting kwam had ik aan zijn lijfcomponist Peer Raben te danken. Aanvankelijk beperkte zijn interesse zich tot de ambities van ‘der Willy’, zoals Fassbinder Raben noemde, die wel eens een opera wilde componeren en dirigeren. Op zoek naar een pakkend motief werkten Fassbinder en ik ons door de literaire nalatenschap van Ernst Wiechert heen, een vrijwel in de vergetelheid geraakte auteur van subliem geschreven sprookjes, waarin de ongerepte natuur als metafoor voor een intacte en integere wereld dient. Wiechert (1887-1950) was door de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog tot een overtuigde pacifist gelouterd. In de jaren waarin het nationaal-socialisme met vliegend vaandel en slaande trom aan de bezetting van Europa begon, had hij de moed om met de parabel als wapen tegen het Hitler-regime ten strijde te trekken.


Op een vergeeld papiertje in Wiecherts Missa sine nomine — zijn enige roman en magnum opus — trof ik een uit Fassbinders mond opgetekende uitroep aan: ‘Dieser Zensur- und Inquisitionsstaat!’ Een ondubbelzinnige vervloeking van het oude en nieuwe fascisme waarmee hij in München vrijwel dagelijks werd geconfronteerd. Want het politieke en maatschappelijke klimaat in de hoofdstad van de ‘Freistaat Bayern’ in de jaren zeventig had veel weg van een ietwat verbleekt maar desalniettemin nog duidelijk herkenbaar plaatje van een broeierige biotoop die Hitler ooit een hartelijk welkom bereidde en vervolgens de ‘Reichskristallnacht’ voor zijn rekening nam. In het bureel van de ‘Betriefsdirektor’ van de Beierse Staatsopera was diens Wehrmachtuniform een opvallende decoratie. In staat van dronkenschap bracht hij wie hem ontmoette de Hitlergroet. De inmiddels overleden Wagner-bas Karl Ridderbusch getuigde onverholen van zijn neofascistische sympathieën en in de kantine werd bij tijd en wijle het Horst-Wessel-lied aangeheven.



FASSBINDER IS NOOIT een brave jongen geweest. Zijn opvoeding in een beschermd maar geenszins onproblematisch oorlogsmilieu in een uithoek van Beieren is hem al vroeg opgebroken. Het had maar een haar gescheeld of hij was als puber al in het kielzog van het fascisme terechtgekomen. Een op eigen kompas uitgezette reis in het verleden liep aanvankelijk op niets uit. Talloze kruisverhoren met zijn moeder leverden een moeizame maar nauwelijks bevrijdende reconstructie op. Fassbinder leek in een zwart gat terecht te komen, ware het niet dat zijn bijtijds ontdekte theatertalent hem tot een persoonlijke versie van À la recherche du temps perdu dwong, die in een later stadium een reeks opmerkelijke films rond het thema ‘Volg het spoor terug’ opleverde. Fassbinder (1946) was niet bang voor ironie en overdrijving, maar hij zou zich nooit hebben herkend in de van farizeïsme doortrokken frase ‘Gnade der Spätgeburt’, waarmee Helmut Kohl zich ooit van zijn oorlogstrauma ontdeed. Zijn leven werd gaandeweg normlozer, zwalkte vaag tussen Nietzsche en Sartre, en vegeteerde ten slotte op last van zijn loopbaan als gevierde filmmaker. Uiteindelijk wist hij zich als cineast alleen nog met exhibitionistische scenario’s en dankzij drugs, nicotine en een vrijwel permanente staat van dronkenschap te handhaven. Zijn ‘Todessucht’ culmineerde in een ultieme daad van zelfdestructie.


In München pakte Fassbinder woedend zijn biezen nadat de Beierse Staatsopera het Wiechert-project op de lange baan had geschoven. Hij was niet zozeer in zijn ijdelheid geraakt als wel geschoffeerd door de door opportunisme ingegeven Wiedergutmachungs-manoeuvre, die een opdracht aan twee Israeli’s tot gevolg had. Wie spontaan vloekt, vloekt Bargoens en bedient zich in zo’n situatie van het alledaagse antisemitisme. Fassbinder deed het en vloog vervolgens naar Berlijn.



MET PEER RABEN als postillon d’amour werd de relatie weer hersteld nadat ik in 1979 in Essen directeur was geworden van het muziektheater binnen de ‘Bühnen der Stadt’. En hoewel het voor de hand had gelegen op het Wiechert-project voort te borduren, bleek Essen Fassbinder tot een nieuw idee te inspireren: een muziektheatraal epos over de Krupp-dynastie. Dat was destijds in de Roer-metropool zoveel als vloeken in de kerk. Na een periode van brainstormen was de tijd rijp om in Essen een voorlopig script te presenteren, dat als titel Dolci canti di cancro droeg.


Bernd Krupp von Bohlen und Halbach is aan kanker bezweken, maar Dolci canti di cancro — ‘Zoete liederen over kanker’ — was natuurlijk een metafoor. De Krupps hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog het staal gesmeed waaruit het leed dat Hitler heet zich als een kankertumor over Europa zou uitzaaien. Wanneer hij min of meer clean was, bleek Fassbinder een erudiet zonder weerga die met een virtuoos uit geschiedenis en wijsbegeerte puttende eloquentie de dramaturgie van zijn operalibretto aan de Essener intendant voordroeg. Uit pure opgetogenheid werd er meteen een datum voor de première vastgesteld: 21 juni 1980. Fassbinder verdween vervolgens in het weinig pittoreske nachtleven van Essen; de intendant ontwaakte uit een klamme nachtmerrie. Niet de reminiscenties aan een kwaal, die hem zelf bijna het leven had gekost, maar de consequenties voor een volgende ambtstermijn dreven hem naar zijn politieke achterban. De kolen- en staallobby van Essen maakte het de politici niet moeilijk. Fassbinders libretto verdween in de prullenbak. ‘Diese Nazischweine und Dreckssäuern!’ was zijn reactie nadat ik hem telefonisch van de gang van zaken op de hoogte had gesteld.