TONEEL

Op eigen kracht

Mijn Moeder Medea

Voor een toneelspeler is het een van de mooiste klussen die je kunt krijgen: één op één, oog in oog met je publiek staan en een goed verhaal geven, letterlijk doorgeven. Voor de duur van de vertelling word je ‘beschermd’ door niet meer dan het personage. Iedere geeuw van een toeschouwer is moordend, elke staar naar buiten een potentieel slopende mokerslag. Maar ook: iedere blik van herkenning, elke gulle lach ververst de adrenaline en voedt de speeldrift. Is het publiek een klas pubers en de speelplek een schoollokaal, dan geldt het voorafgaande in het kwadraat. Toneelspelers die zoiets een poos doen horen tot de moedigsten in hun vak. En de gelukkigsten. Langer dan vijftig minuten duurt Mijn Moeder Medea niet, tussen twee belsignalen in. Ik ging kijken op een school in Hoorn. De jonge spelers hebben een Aziatisch uiterlijk (Phi Nguyen) en een Vlaamse tongval (Hanne Struyf), het zijn vreemde kostgangers, ze zijn de kinderen van de bedrogen tovenares (zeg maar rustig: heks) uit de Griekse mythologie Medea, in de gelijknamige tragedie van Euripides hebben ze maar één zin, ze hebben nooit een kans gehad, ze zijn vermoord voor ze iets hadden kunnen zeggen. Ze waren eerder onderwerp van toneelstukken voor kinderen en pubers.
Het Zweedse duo Osten en Lysander presenteerde in 1980 Medea’s kinderen, Pauline Mol schreef in 1995 voor haar groep Artemis Vertel Medea vertel; dat waren toneelstukken waarin het verhaal van Medea werd gespeeld vanuit het perspectief van de kinderen. Nu zijn de kinderen op zichzelf aangewezen. Ze hebben continu ruzie. En ze hebben een probleem. Het verhaal is gedaan. Zij zijn dood. Ze komen in de klas spoken omdat ze pas de rust van het graf vinden als hun verhaal is verteld. Aan ons. Dat wordt overigens pas in de laatste ogenblikken van deze prachtige voorstelling duidelijk. Het zijn de twistgesprekken die het ’m doen. Het Vietnamese joch Polyxenos verdwijnt als het ware permanent in zijn donkere haardos, of achter zijn uilenbril en in zijn te strakke zondagse pak. En de Vlaamse Eriopis is een meid met haar op de tanden en een groot hart in haar tengere torso. De pijn onder hun verbale martiale vechtsport zit in dat eindeloos overleven als vreemde in het eigen pakhuis, als dolende ziel in een mythe waar ze nooit voor gekozen hebben. Vaderloos geboren zijn ze, moederziel alleen, de eeuwige slachtoffers van de vernietigingsoorlog waarin een huwelijk kan ontaarden en waar je als broze puber zo bitter en zo hard van kan worden dat je er zelf nog het meest van schrikt - de schamele redding die je als kind nog hebt en waar de ruziënde ouders al lang aan voorbij zijn.
De Medea-Jason-mythe wordt hier verbonden aan een overlevingsstrijd die veel pubers, ook die van wie de ouders nog bij elkaar zijn, kennen. Dus klonken er veel blijken van herkenning en werd er, al dan niet uit schaamte, veel gelachen in die schoolklas in Hoorn. De Toneelmakerij produceert, de tekst is van Holger Schober uit Heidelberg, Paulien Geerlings en Paul Knieriem hebben het stuk vertaald, en die laatste heeft de onderneming scherp en puntig geregisseerd, waarbij iPad-beelden en een soms bijna filmische muzikale ondersteuning slim helpen. En Phi Nguyen en Hanne Struyf, die tonen op energie en met plezier dat het spelersvak in schoonheid groeit wanneer de omringende middelen minimaal zijn en toneelspelers het helemaal op eigen kracht mogen doen.

Inlichtingen over Mijn Moeder Medea (voorstellingen t/m eind december): www.toneelmakerij.nl