Op eigen terrein verslagen

‘Zoals die spelen kon… nou, jongen, die speelde-n-’t bloed uit z'n vingers.’ Met enige bitterheid herinnert de zoon zich hoe zijn vader telkens met diezelfde woorden het uithoudingsvermogen van Frederic Chopin meende te moeten roemen.

Als jongeman had de vader eens een film gezien over het leven van de tuberculeuze kunstenaar die ondanks zijn ziekte bleef doorspelen tot hij tijdens een concert bloed opgaf. Ondanks de correcties van zijn zoon - ‘Nee, papa, dat bloed kwam uit zijn longen’ - houdt hij vol dat het bloed uit zijn gekloofde vingers kwam. Hij wil namelijk helemaal niets weten van Chopins zieke longen, gezien zijn eigen lot: 'Hij was bezig de dood in zichzelf te ontkennen. Geboren met zwakke longen, met chronische bronchitis; roker vanaf zijn elfde; altijd hoestend, niesend, snuitend, fluimen opgevend… Voor zo iemand was dat beeld natuurlijk onverdraaglijk en ontoelaatbaar: bloed uit de longen op het ivoor.’

Piet van der Heijden was ziek, hij was 'een fluimenfabriek’. Uiteindelijk verdronk hij in zijn eigen vocht. Het had zich in zijn longen opgehoopt, zodat hij een Michelinmannetje werd, een 'witte buidel vol vocht’.

IN ZIJN NIEUWE roman, Asbestemming, neemt A. F. Th. van der Heijden afscheid van zijn vader, die op zevenenzestigjarige leeftijd overleed aan een longziekte, en tracht hij tegelijkertijd zijn eigen leven te traceren. Zoals de stoffelijke resten van de gecremeerde dode ergens hun laatste plek moesten krijgen - in zee, in een urnenga-lerij -, zo ook diende de geest van de overleden vader naar zijn eindbestemming te worden geleid. Die laatste verblijfplaats werd een boek, een requiem dat leven en sterven bezingt van de verwekker van de schrijver.

Chopins toestand wilde hij niet onder ogen zien, die werd verdrongen 'uit behoud van moreel’. De vader klampt zich vast aan de illusie dat zijn longen nog voldoende functioneren. Maar hoe ziek hij ook was, nooit dacht hij erover te stoppen met roken. Hij joeg zichzelf met die gewoonte de dood in.

Zijn liefde voor de tabak heeft hij niet op zijn zoon overgedragen, maar zijn andere favoriete roesmiddel, de alcohol, kreeg wel een belangrijke plaats in het leven van Adri van der Heijden. Hij beschouwt het drinken als een erfenis. Hij moet het familiefortuin vergroten en verder gaan dan zijn voorvaderen, de grote drinkers die in hem voortleven. De enige manier om te ontkomen aan een identificatie met zijn vader is het drinken te vervolmaken en zijn erflater op eigen grond te verslaan. Wat de oude man altijd aan agressie tentoonspreidde na een van zijn vele (vooral zaterdagse) drinkgelagen, wil de jonge omvormen tot zijn tegendeel. En dat lukt: 'Het drong tot me door dat ik mijn ouwe bij de kloten had. Ik had de Toverdrank durven drinken, ik was, zoals het hoorde, in een andere persoon veranderd, maar in plaats van te vechten had ik gedanst, in plaats van te slaan gestreeld, in plaats van te schreeuwen georeerd, en in plaats van te spuwen gelachen. Alles was in een chaotisch, surrealistisch tafereel ontaard, maar waar ik ook keek: hysterische vrolijkheid. Ik had mijn vader tot op de bodem van zijn ziel gecorrigeerd. Ik had hem op zijn eigen morsige terrein verslagen, sierlijk, lichtvoetig, lachend als d'Artagnan, met een degen die vrolijk door de lucht zong. De goede dronk had het van de kwade dronk gewonnen.’

Het inzicht van de zoon is exemplarisch voor de relatie tussen de twee. Nooit begrijpen ze elkaar. Ze leven in verschillende werelden en willen daar eigenlijk geen verandering in brengen. Het onbegrip en de afstand die vader en zoon scheiden worden niet kleiner in de loop der jaren, waardoor het ongemakkelijke gevoel de overhand krijgt dat ze tegen wil en dank samen zijn.

Vader en zoon hebben nooit echt een verstandhouding gehad, maar eerder een zintuiglijke relatie. Het zijn vooral de geluiden en de geuren die hen verbinden. Wanneer de zoon met de uitvaartleider praat over de crematie, valt hem direct de scherpe nicotineadem op die uit een mond vol bruine tanden walmt. Ook als hij een toespraak houdt, staand naast de kist, is die geur weer pregnant aanwezig, alsof het dode lichaam van zijn vader alle nicotine uitwasemt die een leven lang is ingezogen: 'Ruim vijfenvijftig jaren van onafgebroken sigaretten roken die loskwamen, door geen kist tegengehouden…’

EEN VAN DE grootste angsten van de zoon is als zijn vader te zijn. Het was geen aardige vader, hoewel 'in de man poezie school’. Hij snauwde tegen zijn vrouw als zij eens wat minder goedgehumeurd was: 'Hedde de mont soms?’ - 'Heb je de maand?’ Hij groette zijn kinderen nauwelijks als hij ze op straat of in de tuin tegenkwam. Hij schold. Hij was agressief. Hij misdroeg zich. Hij interesseerde zich niet wezenlijk voor zijn kinderen.

Door herinneringen op te halen bouwt de zoon stukje bij beetje een beeld van zijn vader op, om uiteindelijk te ontdekken dat hij een ontluisterend portret heeft gecreeerd. Stilaan krijgt de vertelling het karakter van een strijd. De zoon wil met zijn requiem meer dan alleen zijn vader herdenken of om hem rouwen: 'Ik zoek naar bevrijding. Ik wil hem van me afschudden. Hoe? Door desnoods zijn gruwelijkste wapenfeit te noemen.’

Lang geleden is er iets voorgevallen dat tot op de dag van vandaag een 'schanddaad’ mag heten. De herinnering daaraan is pijnlijk, maar het verhaal dient te worden verteld. Het slothoofdstuk waarin dat gebeurt draagt als motto het gedicht 'Futurologisch’ van Jan Emmens: 'Mijn vader was verhuisd, verschoven/ door een mij onbekende macht./ Ik zocht hem jaren, lusteloos,/ tot ik hem aantrof op mijn knie:/ hij was mijn kind geworden.’ De vader is kind geworden, en heeft daarmee zijn macht overgedragen. In het begin van het boek wordt beschreven hoe de zieke man een wegwerpluier draagt, en daarmee een cirkel heeft volgemaakt: 'Als zuigeling begonnen, ligt hij hier nu, op z'n zevenenzestigste, weer geproportioneerd als een pasgeborene en gehuld in een luier met zijn mollige benen te trappelen.’ Nu hij gestorven is kan hij niemand meer zijn wil opleggen. Zijn zoon deelt nu de lakens uit. Hij onthult zijn 'ergste wapenfeit’ (wat ik hier niet wil doen) en wil hem desondanks heilig verklaren: 'Ik vermoed dat heiligmaking voor mij de enige manier is zijn gruwelijkste wapenfeit om te smeden, het in zijn tegendeel te doen verkeren, opdat we niet alleen de schande te boven komen, maar deze ook kunnen verzilveren - voor een dosis achterstallig geluk, bij voorbeeld, of wat ook maar in ons straatje te pas komt.’

Dat levert een prachtige apotheose op waarin de liefde en de wreedheid die tussen de twee mannen bestonden, een beetje pijn gaan doen. De gruwelijkheid omsmeden en de schande te boven komen, dat kan alleen door Tot, de vijfjarige kleinzoon van de stervende man. Tot is de 'herstellende schakel’ tussen vader en zoon, de 'reddingbrengende go-between’. Hij is in staat goed te maken wat er jarenlang mis is geweest tussen de twee volwassenen. Zijn onschuld en zuiverheid vormen de stille kracht die zijn vader en grootvader bindt, ondanks alles.

De sterfdag van zijn vader valt samen met de vijfde verjaardag van zijn zoon, wat volgens de verteller 'geen toeval’ kan zijn. In de liefde van de vijfjarige Tot ziet hij 'dat in de man geen kwaad school, of liever: dat het kwaad uit hem verdampt was. Het kind vertegenwoordigde zijn volle aflaat (…). (Nu wist ik het: door deze “volle aflaat” zou ik ook het ergste, het allerergste onder zijn wapenfeiten durven memoreren, als dat nodig was.) Het engeltje was nu vijf en oefende zich, een oog op het videoscherm gericht, in de achterwaartse moonwalk van Michael Jackson, dit ten nadele van de staande schemerlampen.

A. F. TH. van der Heijden schreef met Asbestemming een zeer persoonlijke, intense roman over de man die zijn vader was. Het is geen heiligverklaring, het is geen afrekening. Het is een veelzijdig beeld, een schitterend document van een veelzijdige verhouding. Het rouwproces - en het proces van het zich herinneren - levert een scala aan stemmingen op: 'Woede, gelatenheid, afkeer, compassie, verongelijktheid, verdriet, nogmaals woede, zelfmedelijden, afgrijzen, droefheid, haat, sympathie, berusting… alles in bonte en zwartwitte afwisseling. Stemmingen over elkaar heen struikelend, parend, bekvechtend, elkaar afstotend en vernietigend en opvretend…’

Door de uiterst precieze en beeldende manier waarop ze zijn beschreven worden al die stemmingen navoelbaar. Soms melancholiek, soms bitter of grimmig, altijd oprecht en zonder terughoudendheid heeft Van der Heijden zijn requiem geschreven, het ontroerende boek waarin zijn vader kan en zal voortleven, en waarin zijn zoon kan opgroeien.