‘op engagement zul je mij niet betrappen’ peter verhelst

Interview met de auteur van De kleurenvanger. Uitgeverij Prometheus. 299 blz., 339,90
TE BRUGGE ontmoet een jongen zijn grote liefde. Na enkele gelukkige dagen valt het meisje van een brug. Of ze werd geduwd. Of ze sprong zelf. Hoe dan ook, ze verandert in een zeemeermin. Ernstig in de war begint de jongen aan een dwaaltocht door Europa, niet wetend dat zijn geliefde hem door rivieren, zeeën en riolen volgt en beschermt. En dat laatste is nodig ook, aangezien zijn tocht hem langs een groot aantal kunstenaars brengt die allen bezig zijn met het thema van de vernietiging. In Venetië vindt de jongen zijn geliefde uiteindelijk terug op de bodem van een lagune. Maar het kan ook zijn dat hij er zelfmoord pleegt.

Peter Verhelst, de schrijver van De kleurenvanger, is er niet zeker van. Soms denkt hij dat de jongen op zoek is naar zijn eigen vernietiging. Maar je zou evengoed kunnen zeggen dat het joch juist de liefde vindt, denkt Verhelst wel eens.
Verhelst: ‘Lezen is eigenlijk net patience spelen. Verhalen zijn zinloos omdat ze niet tot een inzicht leiden. Wel nodigen ze uit tot spelen, tot het maken van nieuwe reeksen, met misschien wel als enig nut het verdrijven van de verveling. Persoonlijk ingrijpende boeken? Ik denk niet dat die bestaan. En een nuttig boek? Ik ken er geen een. De mensen mogen mijn boeken naar eigen goeddunken begrijpen. Van eenduidigheid heb ik de buik vol. Schud de elementen uit mijn boeken als een pak kaarten door elkaar en speel er net zo lang mee tot je een eigen duiding aan het verhaal hebt gegeven.’
En dat doet Verhelst zelf ook. In zijn zeven dichtbundels en twee eerdere romans waren telkens dezelfde zeven thema’s aanwezig die ook in De kleurenvanger domineren. De verschillende wijzen waarop ze gecombineerd kunnen worden, vrijwaren de Vlaamse schrijver van de vloek van de eenduidigheid. Hij analyseert: 'Decapitatie zit er altijd in. En castratie - is het niet met een mes, dan wel met een gebit. Transformatie, van de sekse natuurlijk. Tauromachie, het stierengevecht. Reflectie in de spiegel, altijd. En de religie natuurlijk, het katholicisme. Het zevende, ook altijd aanwezige thema is dat van een geheel dat zichzelf vernietigt.’
'DE ENIGE structuur waar ik deze thema’s in kan plaatsen, is die van het pentagram, dat ook altijd present is. Een pentagram, een vijfpuntige ster, kan onderverdeeld worden in zes vlakken. Worden deze opgevuld door de zes thema’s , dan staat het zevende klaar om de boel weer kapot te maken. Want een concept is zinloos en dient altijd weer te worden vernietigd. In De kleurenvanger maakt het jongetje ook een vijfhoek. Hij reist langs de lijnen van een pentagram. Van Brugge naar Barcelona, Berlijn, Bordeaux en Venetië. En hij gaat niet terug naar Brugge, dus het pentagram wordt nooit volmaakt. Voilà de structuur van mijn boek. Zo simpel is dat. Kinderachtig is het wel, zulke zinloze concepten.
Het pentagram kan niet alleen op de afzonderlijke werken worden toegepast, maar ook op de gehelen. Ik wilde een cyclus maken van zes dichtbundels. Bij het zesde moest het gedaan zijn met de poëzie. In het laatste gedicht van die bundel staat ook letterlijk “einde”, en het staat in het Latijn, want dat is een dode taal. Maar ik merkte dat ik toch nog niet echt die bundel had gemaakt waarmee ik de poëzie kapot had gekregen. Dus was het weer zinloos geweest en moest ik het pentagram nog stukmaken. Dat deed ik door een zevende bundel te schrijven.
Nu kan ik nooit meer een bundel schrijven die verder gaat met de taal, waarin de poëzie zichzelf zo ontzettend ontkent. Die bundel was precies zoals ik heb gewild. Ik kan dan nog wel elk jaar een nieuwe gaan maken, maar dat heeft geen enkele zin. Elk concept is labiel en dient door mijzelf vernietigd te worden.’
Ja, het volmaakte wordt slechts in de vernietiging bereikt: 'Een glimp van het sublieme, dat ene moment dat je nooit kunt vatten, kun je pas opvangen wanneer het weer verdwijnt. Dat verlangen naar het volmaakte schuilt ook in het beeld van de gecastreerde jongen dat ik altijd weer gebruik. De prachtige onvruchtbaarheid der geslachtslozen is iets wat mij eindeloos fascineert. In het fin de siècle schreef men over de androgynen, dubbelslachtige wezens. Maar mijn engelen zijn negatieve engelen. Het zijn gecastreerde jongens of meisjes die onvruchtbaar zijn geworden en verder ook weinig vrouwelijks meer over hebben. Non-geslachtelijke wezens eigenlijk. Vanaf toen ik heel klein was, zag ik het volmaakte lichaam al als compleet geslachtsloos. Maar dat was puur esthetisch hoor, ik ben geen pathologische gek.
De jongen en het meisje uit De Kleurenvanger zoeken ook voortdurend situaties op waarin ze zich kunnen bevrijden van hun eigen lichaam. De jongen probeert zichzelf bijvoorbeeld tijdens lange tochten bewusteloos te wandelen. Mijn boeken zijn altijd sterk lichamelijk. Ik schrijf ze ook bijna zonder mijn hersenen te gebruiken en door alleen mijn zintuigen aan te wenden.
Eigenlijk gaat dit boek over kunst. Wat is kunst? Schakelt ze de realiteit uit? Is alle kunst performance? Dat soort vragen. En het gaat over Icarus natuurlijk. Mijn favoriet, die uit pure wil om te vallen de zon opzoekt. Hij wíl vallen. Die oude mythe is zo zielig. Het zou om jeugdige overmoed gaan. Nee, natuurlijk niet. Icarus vliegt net zo hoog tot eindelijk de was van zijn vleugels begint te smelten en hij naar beneden dondert. Net als een kunstenaar. Beiden willen bewust altijd te ver gaan.
Hier in Vlaanderen is mij dat goed gelukt, men vindt dit boek allemaal maar te. Normaal krijg je in Nederland te horen dat het oeverloos en zwelgend is, maar nu vond men dat hier en kreeg ik in Nederland goede kritieken.’
'Op een nacht rukte ik een lang, goudkleurig haartje uit haar hoofd terwijl ze sliep. Ik wreef het in mijn handpalm tot een bolletje en stopte het in een holle kies. Ze werd niet eens wakker.’
'Dat vind ik mooi. Eigenlijk laat alles wat met de liefde te maken heeft, zich door mij niet anders beschrijven dan in een kitschvorm. Ik schaam me ervoor, maar natuurlijk doe ik het wel. De enige manier waarop de liefde beschreven kan worden, is de sentimentele. En toch probeer ik erbij te blijven spelen, dingen bewust sentimenteel te maken. Schrijven over de liefde is waardevol, maar tegelijkertijd natuurlijk onoverkomelijk ironisch. Hoewel, misschien is kitsch wel de enige vorm van ernst.
De relatie tussen de jongen en het meisje is ook een spel. Wie leidt er wie? Zij trekt hem mee en hij haar. Er ontwikkelt zich een soort onbewust machtsspel. Liefde is macht, maar dan wel mooie macht, het overleveren van macht, van zeggen: “Ja, leid mij maar. Gebruik mij maar.” Dat soort zaken vind ik nou mooi. Je kunt het boek ook zo lezen dat het perfect afloopt. Op de bodem van de lagune komen ze eindelijk samen en dan zijn ze ook werkelijk exclusief samen. Per definitie zijn ze voortaan op elkander aangewezen. En zo is het ook. Liefde moet zich altijd in exclusiviteit afspelen.’
'OVERAL verdwenen tijdens dat jaar meisjes spoorloos van de aardbol. Overal werden vruchteloze zoekacties op touw gezet. (…) Soms werd een meisje teruggevonden. Dood. Met verbrijzelde schedel en geroofde ogen. Meestal werden ze niet teruggevonden. Ergens, in de Europese grond, gistten en bloeiden meisjeslichamen op.’
'Toen ik hoorde dat die verdwenen meisjes hier in België waren teruggevonden, heb ik gelijk mijn uitgever gebeld. Weg met die passage, riep ik. Maar de drukproef was al gezet. Gelukkig heeft niemand het gemerkt, want ik schaam mij er diep om. Het is echt zo goedkoop, veel te plat realistisch. Ten eerste lijkt het alsof ik die Dutroux-affaire zou willen gebruiken, maar het ergste is nog wel dat het lijkt of ik geëngageerd probeer te schrijven - en dat wil ik ten ene male voorkomen.
Hoogstens kun je in hogere sferen iets aanwijzen; mijn boek speelt in een van bloed doortrokken, zichzelf vernietigend Europa. Maar op een direct engagement zul je mij niet kunnen betrappen. Dat leidt slechts tot beperkte, want bevooroordeelde literatuur die nog het meeste weg heeft van fundamentalistisch pamflettisme. Engagement leidt tot eenduidigheid.’