Langs de grens van de penoze, of: schone handen, kwade zaken

Op het erf van de advocaat

Bij elke strafzaak loert het gevaar dat een advocaat te dicht bij zijn cliënt komt te staan. Maar bij georganiseerde misdaad bestaan er extra risico’s. «Ervaren criminelen weten hoe ze moeten proberen een advocaat over de lijn te trekken.» Plus: negen situaties waarin een advocaat vooral moet oppassen.

AMSTERDAM – Advocaten die verdachten van georganiseerde misdaad bijstaan, kunnen een nieuw risico aan hun gevarenlijstje toevoegen: dat ze in het strafdossier tegen hun klant als maffiahulpjes en bedrogen echtgenoten naar voren komen. Dat overkwam Bram Moszkowicz, de advocaat van Heineken-ontvoerder en sindsdien onbekeerd crimineel Willem Holleeder. Het moet een onaangename leeservaring zijn geweest toen Moszkowicz jr. in maart het dossier tegen Holleeder doornam. Hij vond daarin niet alleen belastende en pijnlijke informatie over zijn cliënt, maar kon ook lezen over een buitenechtelijke affaire van zijn vrouw, over misbruik van zijn kantoor voor criminele activiteiten en over zijn eigen, vergaande hand- en spandiensten voor Holleeder.
Moszkowicz werd zelfs in een uitgeschreven gesprek met twee hoge ambtenaren – dat als vertrouwelijk bedoeld was – als een soort karaktergetuige opgevoerd tegen de man die hij zelf moest verdedigen. De relatie met Holleeder «voelt niet altijd goed»: een uitspraak die – waar of verzonnen – instant cultstatus verdient in verband met iemand wiens naam opduikt bij twee dozijn moorden, bij afpersing, aftuiging en liquidatie van zakenpartners uit de bovenwereld, en wiens toegeschreven uitspraken in het strafdossier een nieuwe invulling aan het begrip «meedogenloos» lijken te geven. Een understatement, dat zeker niet mag ontbreken als Holleeders opkomst, hoogtij en val in de toekomst worden verfilmd.

Maar om bij het strafdossier te blijven: door belastende informatie over een advocaat toe te voegen en door het dossier daarna vermoedelijk te lekken naar de media heeft het openbaar ministerie de zaak-Holleeder nu al tot een mijlpaal gemaakt in de Nederlandse rechtsgeschiedenis, nog voor er één woord in de rechtszaal is gesproken. De opwinding onder advocaten was groot toen details over het dossier via dagbladen naar buiten kwamen. Er werd gesproken van een «onbegrijpelijke» tactiek van het OM, een «vuile oorlog», over een «enorme verharding» van de verhoudingen tussen OM en advocatuur.

Nu is «strategisch lekken» in de rechtspraak aan de orde van de dag en wordt vaker op de man gespeeld. Maar door Justitie en gericht tegen een advocaat? «De overheid moet zich nooit schuldig maken aan zaken waarover zij klaagt», vindt advocate Bénédicte Ficq. «Een overheidsdienaar moet van onbesproken gedrag zijn. Een advocaat moet ook dergelijke dingen niet doen, maar je kunt een overheidsdienaar niet zo op één lijn plaatsen met advocaten.»

Daar heeft het OM duidelijk geen zin meer in. Op verzoek van twee all stars van het OM, de officieren Koos Plooy en Fred Teeven, werd het strafdossier aangevuld met informatie die – hoewel vaak onbewezen – een patroon moest aantonen van de wijze waarop Holleeder zijn zakenpartners langzamerhand voor zijn karretje wist te spannen.

Op grond van wat naar buiten is gekomen uit het dossier-Holleeder zou het bij Moszkowicz gaan om vaak kleine zaken, zoals hulp aanbieden bij het zoeken naar een aannemer, de advocaat «bij toeval» in het buitenland ontmoeten, vaker dan nodig is op kantoor verschijnen, eerst incidenteel en daarna toenemend gebruik maken van werkruimte, telefoon en postadres van de advocaat. Via kleine stapjes en omwegen steeds verder het erf van de advocaat op, tot je binnen staat.

’s Lands bekendste strafrechtadvocaten zijn niet eensgezind over de vraag of zo’n «glijdende schaal» bestaat waarop een advocaat niets vermoedend de eerste stapjes zet en te laat doorheeft dat hij afglijdt naar de rand. «Een advocaat weet intuïtief meteen wat kan en wat niet kan als een cliënt met een verzoek komt. En dan moet je direct weigeren», stelt Ficq. Afstand houden: het belangrijkste devies voor een advocaat in de omgang met zware criminelen.

Maar volgens advocaat Peter Plasman is de lijn niet zo scherp. «Zeker bij georganiseerde misdaad kun je er langzaam inrollen», zegt hij. «Het begint met geoorloofd glijden, maar het is vaak onduidelijk wanneer je over de grens gaat. Dat glijden kun je zien aankomen als je een ervaren advocaat bent. Maar beginners staan soms nog naïef in hun vak. Zij zijn kwetsbaar voor misbruik.» Dat weten sommige criminelen maar al te goed. Plasman: «Ervaren criminelen weten hoe ze moeten proberen een advocaat over de lijn te trekken van wat nog toelaatbaar is.»

Hoe dat precies gaat, is elke keer anders. Daarom is het zo moeilijk er sluitende gedragsregels voor op te stellen. Maar een rondgang langs strafrechtadvocaten leert dat er wel een aantal situaties is waarin een advocaat extra op zijn tellen moet passen in de omgang met verdachten van georganiseerde misdaad. Plasman noemt er zes.

Een gevoelige situatie voor een advocaat is wanneer een verdachte ‹in beperkingen› zit», stelt Plasman: als een verdachte in voorlopige hechtenis zit en geen contact mag hebben met de buitenwereld. «Een verdachte mag dan wel spreken met zijn advocaat, maar die mag geen contactpersoon zijn met mensen buiten de gevangenis. Maar wat als een verdachte vraagt zijn moeder te bellen om haar gerust te stellen? Je moet ook een vertrouwensband hebben met een verdachte, en in praktijk zal een advocaat dat meestal wel doen. Maar als de verdachte nu vraagt of je zijn broer wilt doorgeven dat hij niet vergeet het huis af te sluiten of de honden uit te laten? Misschien geef je dan een boodschap door in code. Als je dat doet, heeft een crimineel al beet.»

Een andere precaire situatie is wanneer een derde persoon een advocaat regelt voor een verdachte die al vastzit. Dat kan met goede intenties zijn, maar iemand kan ook een advocaat regelen voor een verdachte om hem te intimideren. Een verdachte kan dan het gevoel krijgen dat wat hij zegt direct terechtkomt bij degene die de advocaat regelde. En die derde persoon kan dat ook werkelijk gedaan proberen te krijgen, of proberen te achterhalen of de verdachte over zijn criminele organisatie praat, of bereid is te getuigen. Zeker als de derde persoon al heeft betaald, kan een advocaat in het nauw worden gebracht.

Een derde lastige situatie is als een advocaat optreedt voor verschillende personen die criminele banden met elkaar hebben of in één organisatie zitten. Dan kan het gebeuren dat hun belangen niet parallel lopen als ze worden opgepakt: ze kunnen er bijvoorbeeld belang bij hebben te getuigen tegen de ander. Maar hoe kun je dat als advocaat bespreken met een cliënt als je ook de ander vertegenwoordigt? En hoe zal de ander reageren als hij erachter komt dat de advocaat dergelijk advies heeft gegeven?

Een vierde risico ligt in de telefoon. «Je moet altijd nee zeggen als een verdachte vanaf je kantoor wil bellen – verdachten gokken nu eenmaal dat een advocaat een veilige lijn heeft», zegt Plasman. Als een crimineel, ook al is het incidenteel, «zaken» doet vanaf een advocatenkantoor, is hij de advocaat al veel te dicht genaderd. Maar weigeren van een telefoontje komt de vertrouwensrelatie bepaald niet ten goede. Hetzelfde risico ligt in het gebruik van het postadres.

Een vijfde risico is volgens Plasman dat het optreden voor verdachten van georganiseerde misdaad boeiend kan zijn. «Het zijn voor een advocaat vaak spannende en interessante zaken om te doen. En de cliënten zijn ook vaak interessant. Criminelen onderscheiden zich niet van andere mensen in aardigheid, charme en gezelligheid, maar het zijn wel vaak persoonlijkheden, karakters. Dat creëert een verlokking om meer contact met ze te hebben dan nodig is en de relatie minder zakelijk te houden. Maar daar zijn criminelen juist naar op zoek. Het is in zo’n relatie, en bij de keuzes waar een advocaat voor kan komen te staan, absoluut niet waar dat altijd duidelijk is waar de grens ligt. Vraag tien advocaten waar ze precies de grens trekken in het persoonlijk contact met een cliënt en je krijgt tien verschillende antwoorden: een biertje buiten de deur? Laat je de verdachte betalen als die dat aanbiedt? Een wandeling? Een restaurant, café, terras? Iedereen trekt zijn eigen lijn en het is niet te voorspellen hoe dat elke keer uitpakt.»

Absolute grenzen bestaan volgens Plasman ook niet omdat het juist bij het vak hoort dat je grenzen opzoekt: «Je test als advocaat steeds hoe stevig je iets kunt beweren in de rechtszaal, hoe hard je een getuige kunt aanpakken, hoe sterk je je kunt maken voor je cliënt. Als je geen risico’s wilt lopen, haal je niet het uiterste uit je vak.»

Een zesde risico dat Plasman noemt is dat criminele verdachten vaak denken dat ze vrijuit gaan als ze een getuige produceren die hen vrijpleit, bijvoorbeeld iemand die een alibi verstrekt. «Als advocaat weet je het doorgaans meteen als het niet deugt», zegt Plasman. «Daar krijg je wel gevoel voor.» Maar dan is het soms nog lastig uitleggen aan getuige en verdachte dat je niet gebruik wenst te maken van de ontlastende getuigenis.

Een zevende risico wordt genoemd door Gerard Spong. Strafrechtadvocaten, zeker degenen die werken met verdachten van georganiseerde misdaad, zijn vaak wel op hun hoede bij ongebruikelijke verzoeken van een cliënt. Maar dat geldt niet altijd voor advocaten in andere sectoren. «Mijn ervaring is dat met name civielrechtelijke advocaten vatbaar zijn voor misbruik door ervaren criminelen», stelt Spong. «Zij realiseren zich soms te laat dat een cliënt met uitgebreide financiële constructies criminele bedoelingen heeft.»

Een achtste risico ligt simpelweg in tijdsdruk. Spong: «Als iemand dringend juridische bijstand nodig heeft, moet een advocaat binnen korte tijd beslissen of hij die geeft. Maar een advocaat kan doorgaans niet binnen enkele uren achterhalen of hij met een crimineel van doen heeft.»

Een negende specifiek risico voor advocaten wordt genoemd door Els Unger. Wat wel gebeurt, stelt zij, is dat een advocaat misbruikt wordt om geld wit te wassen. «Een bekende methode is bijvoorbeeld dat een cliënt een advocaat benadert om een claim in te dienen tegen iemand die hem geld schuldig zou zijn», aldus Unger. «De advocaat begint een procedure en krijgt na verloop van tijd een bedrag op zijn derdenrekening gestort uit Zwitserland of Monaco, met de mededeling dat het de aflossing van de schuld betreft. De advocaat maakt het over naar zijn cliënt. Als het een valse claim betrof, is het geld daarmee witgewassen.»

Al deze risico’s zijn natuurlijk bekend bij de Nederlandse Orde van Advocaten, waarvan Els Unger algemeen deken is. De Orde probeert beginnende vakgenoten de risico’s in te prenten. «In de opleiding staat centraal dat advocaten altijd hun onafhankelijkheid en distantie moeten bewaren», zegt Unger. Maar daar is een probleem bijgekomen, stelt zij. «Een advocaat moet nu ook oppassen op wat naar buiten de indruk wekt van te weinig distantie tot een cliënt. Het optreden van het OM in de zaak-Holleeder illustreert dat je als advocaat moet opletten wat je doet. Ook als je eigen inschatting is dat je de zaken onder controle hebt, kan iets tegen je gebruikt worden.»

In de zaak-Holleeder wordt zo’n indruk van onvoldoende afstand gewekt door Holleeders gebruik van Moszkowicz’ kantoor als postadres – iets wat door Moszkowicz in de media is bevestigd. Unger wil niet oordelen over wat er in het strafdossier staat, maar verbaast zich wel over het adresgebruik. «Dat is niet de normale gang van zaken in een strafzaak», zegt ze. «Als het waar is – en dat lijkt zo – is het onverstandig.»

Unger kwam de afgelopen weken in het nieuws, omdat zij stelde dat Nederland honderd tot tweehonderd advocaten telt die banden hebben met criminelen, zich verrijken ten koste van hun cliënt of op andere manieren de beroepsnaam te grabbel gooien. Ze kondigde hardere actie aan.

«Het optreden tegen disfunctionerende advocaten is nu belangrijker dan ooit, want het probleem groeit», stelt Unger. «In de jaren zeventig telde Nederland tweeduizend advocaten, van wie een handvol strafzaken deed – en die waren doorgaans ook van het niveau dat wij schoorsteeninbraken noemen. Negentien dekens hielden toezicht op de advocatuur. Nu zijn er veertienduizend advocaten, met nog steeds die negentien dekens om toezicht te houden – Amsterdam heeft er één op vierduizend advocaten. Dan is toezicht houden natuurlijk moeilijk.»

Daarbij komt er nu veel meer op een advocaat af dan dertig jaar geleden. Unger: «De maatschappij is de afgelopen drie decennia enorm veranderd. De criminaliteit is grootschaliger en georganiseerder geworden en de geldstromen die erin omgaan zijn gegroeid. Er worden nu enorme bedragen zwart geld verdiend die witgewassen moeten worden. En de maatschappij als geheel is ook complexer geworden en meer gejuridiseerd, onder meer doordat de Tweede Kamer die complexere maatschappij in regeltjes probeert te vangen. De advocatuur moet met die nieuwe situatie leren omgaan. Dat is niet goed of slecht, het is niet anders.»