Pilllage of the Sea, Rosa Barba, 2021, Oostende © Filip Claessens

De Vlaamse kust, zo spectaculair in zijn vergezicht, zijn strand en zijn licht, is door twee wereldoorlogen en de sloop- en bouwlust van de Belgen verruïneerd, maar de Belgen én de Nederlanders komen er toch graag, verheugen zich in de garnalenkroketjes en de mosselen, rijden in malle trapwagentjes over de boulevard en laten zich in de Kursaal vaccineren.

Bij dat strandvermaak horen vanouds kunsten. Sinds 2000 is hier de driejaarlijkse sculptuurtentoonstelling Beaufort te zien, nu aan haar zevende editie toe. Dat is een aardige tentoonstelling waar je de hele kust van Knokke tot De Panne voor kunt afrijden, en dan kom je ook een dertigtal overgebleven stukken uit eerdere edities tegen. Aan de kop van het Oostendse havenhoofd staan bijvoorbeeld nog de grote rode geblutste blikken dozen van Arne Quinze, Rock Strangers, die ’s avonds schitterend oplichten en in hun gedeuktheid mooi contrasteren met de hersendode architectuur van de boulevard. Natuurlijk heeft een artistiek programma anno 2021 een karrenvracht Goede Bedoelingen nodig – zo hebben de werken kennelijk allemaal te maken met klimaatverandering – maar dat hoeft het plezier niet in de weg te zitten, bijvoorbeeld in de gestapelde (betonnen) zandzakken van Rosa Barba, Pillage of the Sea, die midden op het strand een kranige pijler vormen, én een peiler, want ze staan twee maal daags half onder water, wat de steden, die op de zakken worden vermeld (Rio, Djakarta, Miami, Bangkok) allemaal in het vooruitzicht hebben. Een coherent en stoer stuk werk, en nog plezierig ook.

In Oostende werden ooit twee collecties Belgische kunst, de provinciale en de stedelijke, samengebracht in één gebouw. In de eerste collectie lag het zwaartepunt op de negentiende eeuw, in de tweede op de twintigste, bij elkaar achtduizend stuks van hoge kwaliteit. Dat huwelijk was in zichzelf gelukkig, maar de relatie met het gebouw – de ‘Spaarzaamheid Economie Oostende’, bijgenaamd ‘Coo’ – niet zozeer, want hoewel dat onmiskenbaar modernistische klasse heeft is het toch vooral een echt warenhuis, bedoeld voor hoeden, petten en dameskorsetten. Wat niet hielp was dat het door vorige directeuren tot in de kleinste uithoek werd volgehangen.

Voor de zoveelste keer is daar nu ingegrepen, vrijwel zonder middelen: in vier maanden zijn balkons en trappenhuizen opengebroken en bestaande kabinetten verzaagd tot nieuwe expositiewanden. In de verbeterde, maar nog altijd wat ‘industriële’ ruimte is een veel kleinere keuze uit de collectie nu veel beter zichtbaar. Geen Magritte, afgezien van één curieus abstract vroeg werk, maar wel topstukken van Spilliaert en Ensor (Grande Marine), Broodthaers, enzovoort. Dat is opvallend, omdat België eigenlijk niet echt een behoorlijk museum voor de kunst van de laatste twee eeuwen heeft. De Koninklijke Musea omvatten een Magritte-museum, een Fin-de-Siècle Museum en een Modern Museum, maar het Mu.Zee in Oostende biedt feitelijk het beste overzicht.

Dat ging niet vanzelf: de directie wilde na de heropening adverteren met ‘De beste kunst van België’ maar dat vond de Vlaamse regering, die meebetaalde, niet goed: de Vlamingen maken natuurlijk geen reclame voor de kunst van héél België. Dus adverteert men met ‘De beste kunst van bij ons’.

Beaufort t/m 7 november in Oostende; beaufort21.be. Mu.Zee, Oostende; muzee.be