Op hol geslagen speeldoosjes

Misha Mengelberg zei ooit over zijn collega-pianist Cecil Taylor: ‘Wat Cecil op piano speelt is dichte hagel. Heel mooi, maar het heeft mij niet beïnvloed zoals wel is beweerd. ’

Wie de twee cd’s beluistert die pas van Mengelberg zijn verschenen, begrijpt onmiddellijk wat hij bedoelt. Hoe reusachtig de verschillen tussen Who’s Bridge en Mix ook zijn, die kale, onttakelde stijl van spelen - nu eens verdwaalde kogels dan weer goed gerichte projectielen - verraadt meteen wie er achter de vleugel zit. Met zorg rijgt Mengelberg losse noten aan elkaar tot enkelvoudige lijnen en de enkele keer dat er een samenklank klinkt, lijkt het alsof hij er per ongeluk naast slaat.
Who’s Bridge is een hommage aan de klassieke bebop. Mengelberg wordt begeleid door bassist Brad Jones en slagwerker Joey Baron. Hij had zich voor dit repertoire geen beter gezelschap kunnen wensen. De walking bass van Brad Jones klinkt zoals een doorgewinterde danspartner over de dansvloer glijdt; Joey Baron laat op zijn drumstel een even soepele als subtiele swing horen. Binnen dit perfecte gezelschap is Misha Mengelberg de grootste stoorzender. De nummers (allen door Mengelberg geschreven) lijken standaard en zijn het eigenlijk ook, maar voortdurend gaat er wel iets mis. De niets-aan-de-handmelodieen worden even gekieteld met een scherpe secunde, een noot wordt net iets te vaak herhaald, een onverwachte syncope doet het perspectief een moment kantelen, een zijspoor wordt net iets te lang bewandeld, een tegenstem in de linkerhand of een vreemde inkleuring die een fractie van een seconde duurt. Het zijn kleine weerhaakjes in een muziek die op het eerste gezicht cool en easy going klinkt.
In ‘Romantic lump of Hares’ bijvoorbeeld is het het begin dat de luisteraar op het verkeerde been zet. De knoestige inzet met akkoorden die in willekeurige volgorde over het klavier lijken te tuimelen, doen niet vermoeden dat dit de intro is voor een melancholisch, van een ouderwets soort spleen doortrokken thema. Niet alleen betoont Mengelberg zich op het klavier buitengewoon pianistisch, ook muzikaal speelt hij een zeer geraffineerd spel.
Hetzelfde geldt voor de cd Mix de neerslag van twee solo-optredens in 1994: Mix Azure en Mix Canary. Maar zo verleidelijk en overlopend van een jofe de vivre als Who’s Bridge, zo hermetisch en streng zijn deze mixages. Het is een soberheid en barsheid die sterk calvinistische trekken heeft - mij doet het althans denken aan karige maaltijden, slecht verwarmde vertrekken en kriebelige wollen truitjes. Oncomfortabel.
Tegelijkertijd is dat de charme van Mengelbergs noten: de muzikale gedachten zijn tot op het bot uitgekleed en tot pure abstractie bevroren. Je krijgt het gevoel dat hij tot de kern, tot de essentie probeert door te dringen - of dat nu is door
nootje voor nootje verder te ploegen, door kleine sprintjes te trekken, door sluipende bewegingen te maken of door af en toe eens flink te hameren.
Het noot-voor-nootrantsoen in Mix Azure wordt onderbroken na precies vijftien minuten. Hoe minimaal ook duiken dan een paar flarden Stravinsky op. Het is alsof de lucht opeens opklaart en de simpele tweestemmigheid lijkt buitengewoon gecompliceerd. Twaalf minuten later doet zich opnieuw zo'n moment voor dat in deze sobere context wereldschokkend is: als een naald die in de groef van een plaat blijft steken, worden een paar intervallen hardnekkig herhaald.
Je raakt een beetje gedeformeerd door dit soort muziek. 'Mix Canary’ lijkt, vergeleken met 'MixAzure’, een gekkenhuis. Hoewel Mengelberg zijn kale speelstijl handhaaft, lijkt hier een speeldoosje op hol te zijn geslagen en de doldraaiende nootjes doen je de nerveuze kriebels uitslaan.
In tegenstelling tot Who’s Bridge luister je niet echt voor je lol naar het stijflkoppige Mix. Maar de twee cd’s geven een prachtig beeld van de muzikale identiteiten die Mengelberg in zich verenigt.