Op ijsland

Het is voor een beroepslezer een vreemde gewaarwording meer dan tien dagen lang nauwelijks méér te lezen dan onderschriften van verkeersborden, spijskaarten en gebruiksaanwijzingen op verpakt voedsel. En dat op een eiland dat er prat op gaat ’s werelds meest belezen natie te zijn. Maar noch het landschap noch het weer nodigt tot lezen uit. Miezerige regen en vooral de woestheid van een land dat met zijn voortdurende erupties en aardverschuivingen nog steeds niet helemaal voltooid lijkt te zijn, vagen iedere gedachte aan een boek weg.
Het zal ook voor de IJslanders vooral op de etmaal-lange winternachten aankomen om hun reputatie van top-lezers te bewijzen. De zomerdag, die eigenlijk alleen maar ophoudt om plaats te maken voor een halfslachtig soort schemering en direct daarna zijn rechten weer op te eisen, vraagt om fysiekere uitdagingen.
Alles in het land ademt een frontier-mentaliteit: IJsland als de verst vooruitgeschoven voorpost van de Europese beschaving. Het geeft veel van de stadjes iets Amerikaans. Zelfs Reykjavik vertoont dat mengsel van charme en lelijkheid: traditionele huizen, met bontgeschilderde golfplaat bedekt, naast de nu al vervallen bouw uit de jaren zeventig. De enige boekhandel die ik in de stad binnenga is een kleine uitvoering van wat in Nederland een Selexyz-vestiging zou zijn. Inclusief koffiebar, kantoorbenodigdheden en veel Engelstalige pockets. Er moeten aardiger winkels in de stad te vinden zijn, zo weet ik uit de bijdrage van Nausicaa Marbé in de bundel Uit liefde in boeken: Vijftien schrijvers op zoek naar een boekhandel. Maar ik heb ze niet gevonden en eerlijk gezegd ook niet gezocht.
In het IJslandse gedeelte van de winkel staan pront de klassieke uitgaven van de nationale sagen en verder veel bestsellers volgens internationaal, dus Angelsaksisch recept. Uit Nederland de onvermijdelijke Hirsi Ali. En overal op de toontafels het onuitputtelijke thriller-oeuvre van Indridason, mijn literaire gids tot het eiland, wiens titels zich maar niet in verband laten brengen met de Nederlandse vertalingen die ik gelezen of nog in de reiskoffer heb.
Ook de wereld die erin beschreven wordt, detoneert nogal met de toeristische vriendelijkheid van het uit zijn krachten gegroeide provinciestadje Reykjavik. Drugsverslaafden, neo-nazi’s, ontspoorde jeugd: in het centrum van de stad lijken ze niet te vinden. Zoals altijd moet de politieroman het ook hier van de perifere wijken hebben.
Als zich tijdens mijn verblijf iets onguurs opdringt, dan is het de alomtegenwoordigheid van tatoeages op zowel mannen- als vrouwenlijven. Het is een universeel modeverschijnsel, maar onwennig blijft het en ik ontkom niet aan associatie met het soort lieden dat er tot voor kort het overjarige patent op had: zeelieden, bajesklanten, handelaren in tweedehands ijzerwaren, gangsters. Op IJsland roepen de in het vlees gegraveerde runen, doornenkransen en arabesken eerder een rauw soort Viking-wereld op die naadloos harmonieert met het landschap en waarop de inwoners trots lijken. Dorestad is plotseling heel ver weg – en het lijkt niet eens zo’n vreemd idee om af en toe de oversteek te wagen en daar wat te gaan plunderen en verkrachten.
Zichtbaar worden al die ornamenten pas in volle glorie in de ontelbare heetwater-zwembaden. Allemaal in de open lucht – waar je na enige onderdompeling in een hot-spot van veertig graden zelfs met een nat lijf geen last meer hebt van de koude wind. Gaandeweg groeit de Viking in mij, ter ere van wie ik besluit voorlopig ook mijn baard te laten staan. Hierop had Indridason me niet voorbereid – hoe ‘IJslands’ een titel als Moord in de hot-spot ook had kunnen klinken.
Dan ligt Reykjavik inmiddels al achter me. Overal langs de weg worden zwembaden aangekondigd met borden die ik nooit elders heb gezien, terwijl het landschap steeds verlatener wordt. En dan komt eindelijk de eerste herkenning. In deze onherbergzaamheid moeten mensen inderdaad spoorloos kunnen verdwijnen wanneer eenmaal de winter en de sneeuwnacht invalt. Een ideaal land voor moorden die dat niet lijken te zijn, zo laat Indridason zijn speurders opmerken. Kloven, noodweer, watervallen, afgronden: dit land is van zichzelf levensgevaarlijk. Wie denkt er dan nog aan kwade opzet?
Rond die onbestemdheid weeft Indridason graag zijn intriges. Een lijk dat bloot komt te liggen bij een bouwproject of omdat de waterspiegel van een meertje plotseling gedaald is. En dan de ontdekking dat er geen sprake is van een gewone verdwijning, tot voor kort een nauwelijks opzienbarende gebeurtenis in de frontier-samenleving die IJsland was. Mensen verdwenen in de sneeuw, het ijs, de zee: zo was het altijd al geweest.