Op kamp met kok

De colijnekse trekjes van Wim Kok werden tijdens de Algemene Beschouwingen van afgelopen week weer eens uiterst manifest. Opvallend vooral was het enthousiasme van de minister-president voor het werkkamp voor ontspoorde jongeren, voorheen bekend als de ‘Lubbers-kampementen’. Kok ging er eens echt voor staan toen dit idee in de Kamer ter sprake kwam, en hij leek het allemaal al tot in de details te hebben uitgewerkt. Minister van Justitie Korthals van de VVD beloofde de hartewens van de premier onverwijld uit te voeren, al sprak deze liever niet van een kamp maar van een ‘traject’. Binnenkort mogen we dus uitzien naar de eerste kolonne Marokkaanse en Antilliaanse straatjongens die uit de grote stad met een schep en een emmer naar de Hoge Veluwe worden gestuurd, en zijn we weer een flinke stap verder terug richting jaren dertig.

Het Kok-kamp is op zich geen noviteit in het sociaal-democratische gedachtengoed in Nederland. Al direct na de oorlog kwam minister J.G. van der Leeuw van Onderwijs, Kunsten & Wetenschappen in het kabinet-Schermerhorn met een pleidooi voor een ‘kampschen vorm van voortgezet onderwijs die avonduren en zaterdagen in beslag zou nemen en die zou kunnen aansluiten aan een voor alle jeugdbewegers en nihilisten verplichten arbeidsdienst’. Van der Leeuw was van de Nationale Volksbeweging, een zwaar autoritair gezelschap 'doorbraak’-pioniers dat in 1946 opging in de PvdA. Onder Den Uyl kon van dat soort kampromantiek geen sprake meer zijn. Maar in diens nadagen begon oogappel André van der Louw er wel voorzichtig naar te lonken. Kok voegt nu de daad bij het woord. De maakbare samenleving van de PvdA wordt omgrensd door prikkeldraad.