Op kruistocht met Thierry, Pim en Geert

Moeiteloos wijst Sander Rietveld de lijntjes aan tussen theologische opvattingen uit de protestantse kerk en het nationalisme van radicaal-rechts. Samen dromen ze van sterke mannen op witte paarden, die minderheden weren uit hun homogene koninkrijk.

Met caravans vol verborgen bijbels vertrokken christenen op kruistocht naar het goddeloze communistische Oost-Europa © Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad

Schrijf maar eens een boek over rechts-radicalisme dat verrast. Het fenomeen zoals we ons er ook na de laatste verkiezingen mee geconfronteerd zien is twintig jaar oud en slinkt of groeit niet: het is een constante. Een politieke factor die eindeloos is geduid, genegeerd of juist overgecompenseerd. Hebben we alles niet al lang gelezen? Weten we niet al lang hoe een gevoel van verweesdheid, een gebrek aan controle op een complexe wereld en verpaupering van regio’s de woede hebben gevoed? Schrijver en onderzoeksjournalist Sander Rietveld had nog iets toe te voegen. Iets wat in de afgelopen jaren weliswaar zijdelings opdook in analyses maar ook veel vraagtekens over liet: hoe zit het met die innige verstrengeling tussen orthodoxe christenen en radicaal-rechts? Wat bedoelt Thierry Baudet wanneer hij zegt een ‘cultuurchristen’ te zijn? En waarom trekken mannenbroeders als Kees van der Staaij, Gert-Jan Segers en hun prominente partijleden op met radicaal-rechtse figuren?

Voor de duidelijkheid: Nieuwe kruisvaarders is geen afrekening met het geloof. Rietveld verloor weliswaar zijn orthodoxie, maar is altijd mild-religieus gebleven. Hij bleef houden van het mysterie, de rituelen en de gemeenschap – waarin alle lagen van de samenleving samenkomen. ‘Achteromkijkend verbaas ik me wel over de granietharde opvattingen die ik ooit had.’ Hij noemt bewust de anti-racismebeweging binnen de kerk, de barmhartigheid richting vluchtelingen en laat niet na te benadrukken dat grote groepen christenen juist tegen de rechts-radicale stroom in zwemmen. Tegelijkertijd wil hij ook begrijpen: waarom vallen vrienden en docenten van vroeger voor de lokroep van populisten?

Om dat te begrijpen begint Rietveld zijn doorwrochte verhaal met een eigen kruistocht. Hij is nog een jongetje wanneer hij vlak voor het vallen van het IJzeren Gordijn met zijn ouders en zus Polen binnenrijdt. ‘Niet juichen, niet opvallen’, sommeert zijn vader wanneer ze na een urenlange controle eindelijk de grens mogen oversteken. Hun Kip-caravan is volgepakt met bijbels en cassettebandjes, weggestopt achter dubbele bodems en andere geheime ruimtes. Over de reis is vooraf nauwelijks gesproken, niet met vrienden en niet met familie.

Dit was een christenplicht en dat niet alleen. Terugdenkend aan die reis realiseert de schrijver zich dat hij is opgevoed met twee ideeën: het idee dat christenen slachtoffers zijn van onderdrukking en dat ‘links’ altijd de belangrijkste vijand is. ‘Het zijn denkbeelden die diep verankerd zijn in het collectieve bewustzijn van orthodoxe protestanten.’ Het prikkeldraad en de soldaten die hij dertig jaar geleden aantrof aan de randen van dat goddeloze communistische rijk onderstreepten dat.

Dat beeld is goed gekozen. Het is het soort belegeringsretoriek dat inmiddels doorklinkt in de rechts-nationalistische strijd tegen ‘cultuurmarxisme’ en andere vermeende liberale complotten. Het beeld vormt het hart van de analyse van Rietveld: de hang naar ‘natuurlijke orde’, overzichtelijke rolpatronen en autoritair ‘goddelijk’ leiderschap is in de tweede helft van de vorige eeuw verruild voor een liberaal en seculier Nederland. Een ten diepste conservatieve minderheid in Nederland heeft verlies op verlies moeten wegslikken. Maar terwijl zij slonken zijn er radicale nieuwe conservatieven opgestaan die net als zij slachtofferschap omzetten in strijd, mannelijkheid willen vieren en ook vrezen voor culturele verwatering. Denk aan het haast sacrale pleidooi van Pim Fortuyn voor een ‘vaderfiguur’ die als een herder het volk naar het ‘vaderhuis’ begeleidt, Baudets verhalen over zuiverheid of Wilders’ vurige verdediging van kerkklokken.

Een gereformeerde zaken­man hoopt dat FvD een ‘heidense variant’ van de SGP kan worden

Het gevoel van paranoia op de bible belt is niet nieuw, soms mondde het zelfs al uit in krankzinnig geweld. Oud-minister Els Borst werd vermoord door een psychisch verwarde jongen uit sgp-hoek die tegen de rechter zei een ‘goddelijke opdracht’ te hebben gekregen. Natuurlijk, die jongen was gek, maar Rietveld plaatst hem in een gesloten milieu waar conservatief-christelijke ‘familiezenders’ doordrenkt zijn van agressie en angst voor complotten als het gaat om de progressieve idealen van D66’ers als Borst. Die moord staat niet op zichzelf maar past in een lange historie van geweld. Wie weet bijvoorbeeld nog dat Gerbrandy, oorlogspremier vanuit Londen, in 1947 een staatsgreep beraamde? Bezorgd als hij was over de ‘rode pvda’ smeedde hij samen met ‘Soldaat van Oranje’ Erik Hazelhoff Roelfzema plannen om de regering omver te werpen. Gevangenissen voor ministers en staatssecretarissen hadden ze al uitgezocht.

In Nieuwe kruisvaarders wandelt Rietveld ogenschijnlijk vertrouwd door loopgraven waarin hij de weg goed kent. Zonder dat het op enig moment een egodocument wordt, is juist de manier waarop hij reflecteert op zijn eigen veranderende rollen interessant. Vanuit zijn jeugd beschrijft hij de verlangens, ideeën en verleidingen: het ressentiment. Dan is hij die jonge jongen in die caravan vol bijbels. Of later een puber op een zwartekousenschool en weer iets later beginnend redacteur bij de dan nog zeer conservatieve Evangelische Omroep, de EO.

Als lezer ben je zo dichtbij dat zelfs de koersverandering binnen de EO plots spannend aanvoelt. Het vermanende vingertje wappert minder en Andries Knevel zegt op televisie dat hij niet langer gelooft in de letterlijke interpretatie van het scheppingsverhaal. ‘Het is een ontboezeming waar niet-gelovigen hun schouders over ophalen, maar die in orthodox-protestantse kringen tot grote consternatie leidt.’ Een voorganger van Knevel noemt het een ‘daad van agressie’. Rond diezelfde tijd ontwikkelt de ChristenUnie zich van ‘klein-rechts’ tot christelijk links, dat opkomt voor vluchtelingen, strijdt tegen klimaatverandering en openstaat voor een samenleving met meerdere religies waaronder de islam. Als lezer diep in de orthodoxe denkwereld vraag je je inmiddels met mededogen af: hoe moet het nou met die kleine lieden op de Veluwe, nu zelfs hun eigen instituten salonfähig worden?

Het is het kantelpunt. De achterblijvers die niet mee willen met de moderne tijd worden ontvankelijk voor de lokroep van rechts-populisten. Wanneer Baudet Goede Vrijdag de belangrijkste dag van het jaar noemt en pleit voor het vieren daarvan, raakt hij volgens Rietveld een gevoelige snaar bij teleurgestelde EO-aanhangers. Het is hier waar de rolvermenging van de schrijver goed uitpakt: hij blijft zacht en begripvol voor de zielenroerselen van de inmiddels bonte stoet van fundamentalistische christenen die door het boek marcheren, maar is onverbiddelijk in het aanwijzen van opportunisme.

Niet alleen Baudet profileert zich expres steeds religieuzer; rijke gereformeerden tonen interesse in de jonge conservatief die het achterhoedegevecht misschien kan keren. Zij halen geld voor hem op, regelen een partijkantoor en wanneer hij over debatthema’s geen standpunt heeft – zoals Israël – gaat hij bij hen te rade. Een van de gereformeerde zakenmannen spreekt tegenover Rietveld de hoop uit dat Forum voor Democratie een ‘heidense variant’ van de sgp kan worden, waarin conservatieve bondgenoten die minder expliciet christelijk zijn zich thuis voelen.

‘Als ik thuis de heer des huizes wil blijven, moet ik daarvoor vechten’

De goedlachse heren in stemmige pakken praten graag met Rietveld. Of omdat ze hem kennen uit dat gedeelde verleden, óf omdat – zo vul ik zelf in – hij ze open tegemoet treedt. Keer op keer vertellen ze de schrijver ‘niets kwaads in de zin te hebben’, al contrasteren ze steeds feller met de geprofessionaliseerde en radicale machine die ze zelf besturen. Het is misschien de zorgwekkendste lijn in het boek: terwijl de kerk afbrokkelt herrijst er een steeds imposantere zuil waar orthodoxe christenen onderdak vinden bij rechts-radicalen. Of het nou kleine katholieke kantoortjes zijn in Nijmegen, reactionaire studio’s in Groningen of een anti-abortuslobbyist waarmee Rietveld koffie drinkt op Utrecht Centraal, ze hebben allemaal geld. ‘Er moet gestreden worden. We moeten de barricaden op’, zegt een sgp’er die naar eigen zeggen fulltime cultuuroorlog voert en machtige Republikeinse vrienden heeft zoals onderwijsminister Betsy DeVos en VS-ambassadeur Pete Hoekstra. ‘Ik ervoer de hartstochtelijke ijver van tegenpartijen om hun mens- en wereldbeeld tot algemeen geldende norm te verheffen. Maar als ik thuis de heer des huizes wil blijven, moet ik daarvoor vechten.’ De man kan inmiddels leven van de vele dollars die vanuit Amerika naar Europa stromen om de goede zaak te bespoedigen. Het zijn dezelfde geldstromen die in Afrika de inmiddels overleden dictator Robert Mugabe, maar ook een land als Oeganda aansporen om homo’s agressief te vervolgen.

Rietveld heeft op dit punt in het boek inmiddels zijn belangrijkste rol aangenomen: die van onderzoeksjournalist die op follow the money-achtige wijze de wereld over reist om de hechte samenwerking tussen radicalen en christenen te beschrijven. Dat levert hallucinante beelden op van heren die in tie and jacket vergaderen over abortus, in hoge torens van Londense hedgefunds of tijdens luxueuze diners in het Azerbeidzjaanse Bakoe, met kilo’s kaviaar. Keer op keer brengt Rietveld die bevreemdende uitstapjes terug naar huis door fijntjes te wijzen op de aanwezigheid van vooraanstaande sgp- en ChristenUnie-leden. Die in Nederland op hun beurt de banden steeds nadrukkelijker aanhalen met vooral Thierry Baudet maar ook Geert Wilders.

Toch is het allerminst een gelegenheidsalliantie – nationalisme en spiritualiteit kunnen hand in hand gaan. Rietveld wijst moeiteloos theologische opvattingen aan waar de bodem-bloed-en-kerk-ideologie opduikt: ‘De volkskerk is het middelpunt van ieder dorp, de hoedster van de tradities, een moeder die waakt over haar kinderen. Het heeft iets organisch, iets biologisch bijna.’ Niet voor niets spreken geharnaste protestanten over ‘de volkskerk’, over het idee dat God volkeren heeft gecreëerd met een eigen ‘nationale ziel’.

Hoewel Rietveld op driekwart van zijn boek een keer verzucht niet álles te kunnen verklaren, komt hij heel ver. Zelfs de ogenschijnlijke tegenstrijdigheid tussen de christelijke seksuele moraal en het grab-them-by-the-pussy-machismo van nieuwe autoritairen als Trump, Duterte en Bolsonaro verklaart hij door de teksten en de toespraken nader te analyseren. Zo is er een Forum voor Democratie-jongerencongres waar een sgp’er na een warm applaus het podium verlaat om plaats te maken voor versiercoach Tom Gorny (bijgenaamd ‘horny Gorny’). Dat klinkt tegenstrijdig maar, zo merkt Rietveld op, de toespraak die volgt is juist doorspekt van traditionele ideeën over mannelijkheid. ‘Het gezin is de hoeksteen van de samenleving’, zegt Gorny, maar dan moeten die mannen wel assertief genoeg zijn om vrouwelijke weerstand te kunnen overwinnen. Om hen te overmannen in de letterlijke zin van het woord.

Het is trouwens goed om te weten dat Gorny tot een half jaar geleden nog de woordvoerder van Baudet was, die soortgelijke uitspraken ook deed. Via dit paadje zwiert Rietveld een omvangrijke boekenkast in met bestsellers onder evangelische christenen over mannelijkheidsidealen met titels als Jesus and John Wayne of De ongetemde man. De essentie van al die boeken is keer op keer: de man is nu eenmaal wild, God heeft hem toch niet voor niets meer testosteron gegeven? Die moet je niet willen knevelen.

Dat geknevelde mannen niet langer hun traditionele rol mogen opeisen komt volgens orthodoxen en rechts-radicalen door liberalen die hen hebben gekneed tot een soft watje. Zij verlangen allebei naar wat Rietveld het ‘binaire koninkrijk Gods’ noemt. Een plek waar heteroseksuele mannelijkheid orde schept en andere kaders, zoals trans- of homoseksuelen, worden ontkend. De lezingen van de Canadese alt-right-ideoloog en psychiater Jordan Peterson lijken in alles op de gestencilde kerkelijke blaadjes die de vader van Rietveld vroeger las over feministen – die te vuur en te zwaard moesten worden bestreden.

De Canadese jongen die in 2018 met een busje tien voetgangers doodreed verklaarde een incel te zijn. Een incel is een onvrijwillige celibatair, een jongen die geen seks kan krijgen en daarvan de schuld geeft aan vrouwen en gesneuvelde rolpatronen. Die zeer radicale groep komt vooral online samen op giftige internetfora en dringt soms met geweld door naar de oppervlakte. Daar, in het volle zicht, verklaarde Jordan Peterson dat zulke moordpartijen gebeuren zolang er geen ‘gedwongen monogamie’ is. Dat pleidooi voor huwelijkse trouw werd met instemming omarmd door conservatieve christenen.

Dit, samen met tal van andere voorbeelden, onderstreept de kerngedachte van Rietvelds overtuigende conclusie: het klein-kerkelijk verzet heeft de handen ineen geslagen met radicaal-rechtse boegbeelden. Die lieve ouders van hem die met bijbels hun geloofsgenoten achter het IJzeren Gordijn gingen helpen, zagen de wereld door de lens van christenvervolging. In die strijd was alles geoorloofd. Geruststellend is dat allerminst, maar het is fijn het in ieder geval te begrijpen.