INTERVIEW MET AHARON APPELFELD

‘Op mijn dertigste was ik al een oude jood’

Aharon Appelfeld (1932) is een van de grootste schrijvers van Israël. De joodse identiteit speelt een belangrijke rol in zijn oeuvre, dus ook in zijn nieuwe roman, Het tijdperk der wonderen. ‘De Hebreeuwse taal heeft van mij een echte jood gemaakt.’

OF IK JOODS BEN, zoals mijn naam suggereert. En of ik weet wat mijn naam betekent, en wat dat dan voor mij betekent. Hij lacht welwillend als ik zeg dat ik graag van hém wil weten wat joods zijn voor hem betekent. Aharon Appelfeld (1932) is een onopvallende man, die je gemakkelijk over het hoofd zou zien. Hij is echter een van Israëls grootste schrijvers, met een omvangrijk oeuvre dat niet alleen in Israël met de belangrijkste literatuurprijs werd onderscheiden, maar wereldwijd succes oogstte. Hij werd vooral bekend met de romans Badenheim 1939, Tzili en Het verhaal van een leven. Onlangs was Appelfeld in Nederland ter gelegenheid van de verschijning van Het tijdperk der wonderen. De joodse identiteit speelt een belangrijke rol in zijn werk, waarin hij – zonder nostalgie – schrijft over zijn herinneringen aan de verdwenen joodse wereld van zijn jeugd.

‘Ik werd pas een jood in 1940, op mijn achtste jaar, toen de Duitsers ons huis binnenvielen en mijn moeder vermoordden. Ik kwam uit een gezin van geassimileerde joden. Wij voelden ons absoluut niet joods. Mijn vader zag zichzelf in de eerste plaats als Oostenrijker en als Europeaan. Met hem kwam ik, na een lange voettocht door de vrieskou die velen onder ons niet overleefden, in een Oekraïens kamp terecht. Daar werd ik van mijn vader gescheiden. In mijn eentje ontvluchtte ik het kamp en doolde door de Oekraïense bossen. Pas twintig jaar later ontdekte ik dat mijn vader het ook had overleefd. Hij was naar Rusland ontkomen. We ontmoetten elkaar weer in Israël en waren vreemden voor elkaar.
In die Oekraïense bossen was ik in permanent gevaar. Ik hield mezelf in leven door als paardenverzorger en houthakker te werken voor een bende paardendieven, waarzeggers en prostituees. Ik ben van jongs af aan altijd al iemand geweest die goed om zich heen keek. Ik hield ervan naar andere mensen te kijken, ik was enorm nieuwsgierig naar hoe ze eruitzagen en zich gedroegen. Mijn moeder werd daar boos over, je moet niet zo kijken, dat is ongemanierd. Maar van die eigenschap heb ik veel voordeel gehad. Je moest permanent alert zijn om in leven te blijven. De criminelen die zich over mij ontfermden waren Oekraïners, en die gaven joden graag aan. Ik was blond en had blauwe ogen, dat was mijn geluk. Maar je kon aan mijn tongval horen dat ik joods was. Dus heb ik tweeënhalf jaar lang niet gesproken. Ik luisterde alleen maar. Dat heeft me gered. Toen we door de Russen bevrijd werden moest ik opnieuw leren praten, mijn spieren waren totaal verslapt.
Ik was nog een jongen, maar had al de levenservaring van een man van dertig. Ik heb zo veel joodse mensen gemarteld en vermoord zien worden. Op jonge leeftijd heb ik alle duistere kanten van de mens al leren kennen. Net als iedere overlevende heb ik een paar mensen ontmoet die mijn redding zijn geweest, die me een stuk brood gaven of me moed inspraken. Zij waren een soort engelen, die licht op mijn pad brachten. Dat zijn heel belangrijke ervaringen. Dankzij die mensen ben ik geen verbitterd man geworden.
Wel was ik totaal gedesoriënteerd. Ik had niet eens één jaar lagere school gehad. Ik kende veel talen een beetje, maar was in geen enkele taal thuis. Ik was geboren in Czernovitz, in Bukovina. Dat was eerst deel van het Oostenrijks-Hongaarse rijk, daarna van Roemenië en nu van Rusland. Mijn grootouders spraken Jiddisch, de dienstmeisjes in ons huis Oekraïens. De officiële taal was Roemeens. Na de oorlog, toen ik als hulpkok in het Russische leger werkte, leerde ik wat Russisch; in Italië, waar ik in een vluchtelingenkamp terechtkwam, wat Italiaans. Mijn moedertaal was Duits, maar in die taal kon ik me niet meer uitdrukken. In de Oekraïense bossen vond ik twee jonge puppies, waaraan ik in het Duits over mijn ouderlijk huis vertelde. Mijn eigen woorden klonken me onecht in de oren, ik had het gevoel alsof ik aan het liegen was.
Op mijn veertiende, in 1946, emigreerde ik naar Israël. Het heeft me veel moeite en tijd gekost om weer een besef te krijgen van wie ik was, waar ik was, en om weer te leren communiceren. Ik moest mezelf opnieuw uitvinden. Overdag werkte ik op de kibboets en ’s avonds leerde ik Hebreeuws. Ik heb die taal moeten veroveren. Het is een ingewikkelde taal, met veel lagen, maar ook een prachtige taal, die mij in contact bracht met een rijke cultuur, de joodse filosofie en het mysticisme. Ik heb veel geleerd van de Bijbel en van middeleeuwse joodse geschriften – waarvan er trouwens veel hier in Amsterdam zijn ge-drukt. Het Hebreeuws heeft van mij een echte jood gemaakt.’

Appelfeld schrijft niet expliciet over de verschrikkingen van de holocaust. In Het tijdperk der wonderen wordt de oorlog zelf overgeslagen, en concentreert de auteur zich op de periode ervoor en erna. De hoofdpersoon is dertien jaar wanneer hij gedeporteerd wordt. Waarom heeft hij ervoor gekozen de hoofdpersoon ouder te maken dan hij zelf op dat moment was?
Aharon Appelfeld: ‘Ik heb hem ouder gemaakt dan ik zelf was, omdat hij dan meer herinneringen kon hebben en meer kon begrijpen van zichzelf en van zijn ouders. Hoewel ik in werkelijkheid een heel scherp geheugen heb, zou het niet geloofwaardig overkomen dat een achtjarige jongen zich zo veel details uit zijn jonge jaren herinnert. Al mijn boeken voeren terug op mijn persoonlijke ervaringen, maar ik schrijf nooit strikt autobiografisch. Wanneer je dingen precies zo opschrijft als ze gebeurd zijn maak je jezelf tot slaaf van je herinnering, terwijl die maar één factor van belang is bij het creatieve proces.’
De joodse vader in ‘Het tijdperk der wonderen’ laat zich over andere joden uit in extreem antisemitische termen. Hij zegt zelfs expliciet dat joden uitgeroeid zouden moeten worden. Vanwaar deze felheid op andere joden?
‘In het Hebreeuwse origineel heb ik de term “uitroeien” niet gebruikt, ik laat hem daar zeggen dat ze moeten verdwijnen. Maar inderdaad geeft de vader joden de schuld van alles wat er misgaat in zijn leven en met zijn schrijverscarrière. Die zelfhaat zie je bij veel joden. Als de omgeving voortdurend negatieve dingen over je zegt, dan ga je dat op den duur internaliseren, en begin je jezelf te haten. Het is een verschijnsel dat je ook op scholen ziet: in elke klas zit wel een kind dat door anderen wordt gepest; zo’n kind krijgt uiteindelijk ook een hekel aan zichzelf. Dat is de tragedie van iedere vervolgde minderheid. Ook onder overlevenden kom je het tegen, maar het heeft tegenwoordig een andere vorm aangenomen, die van de zelfkritiek. Veel jonge intellectuelen in Israël voelen zich nu schuldig aan de conflicten in ons land. Ik ken geen ander land dat zo ver gaat in zijn zelfkritiek.’
Hoe denkt u over de huidige situatie in Israël?
‘Dat is een moeilijke kwestie, het is een bitter conflict: de Arabieren zeggen dat joden er niet thuishoren en terug moeten gaan naar Europa, en de joodse overlevenden van de holocaust vonden er na tweeduizend jaar van omzwervingen hun thuisland, nadat het volk in Europa was vervolgd en uitgemoord. Het zal veel tijd kosten, maar ik ben ervan overtuigd dat de Arabieren op een dag zullen inzien dat de joden geen daadwerkelijke bedreiging voor hen vormen. Het is in beider belang om in vrede samen te leven. Na alles wat ik heb overleefd kan ik niet anders dan optimistisch zijn. We zijn er nog steeds. We leven nog en schrijven in onze taal. Toen ik bevrijd werd door het Russische leger dacht ik dat ik de laatste overlevende jood was. Nu woon ik tussen drie miljoen andere joden.’
Appelfelds eerste boek verscheen in Israël in 1962, maar het heeft lang geduurd voordat zijn werk tot het buitenland begon door te dringen. Waarom heeft het zo lang geduurd voor wij zijn werk in vertaling konden lezen?
‘Het heeft jaren geduurd voor ik in Israël erkenning kreeg. Mijn eerste boek verscheen in het jaar waarin ik dertig werd. Het succes kwam achttien jaar later, in 1980, toen mijn werk door Amerikaanse schrijvers als Philip Roth en Saul Bellow werd ontdekt en geprezen. Toen volgden de literaire onderscheidingen en vertalingen. In de jaren daarvoor werd het mij niet in dank afgenomen dat ik over het verleden in Europa schreef. Je moest het verleden begraven en je op de toekomst richten. Op mijn dertigste kreeg ik al het etiket van “oude jood”. Ik ben altijd een oude jood gebleven.’

Aharon Appelfeld, Het tijdperk der wonderen. Anthos, 240 blz., € 19,95