Op naar de kamer!

Accepteert de Tweede Kamer later deze maand de aanbevelingen van de commissie-Van Traa inzake opsporing? Of wordt het rapport onder het tapijt geveegd? De voorzitter blijft bij zijn bevindingen
LANG HEEFT de voorzitter van de meest geruchtmakende parlementaire enquete aller tijden zich op de vlakte gehouden over het lot van de aanbevelingen van zijn commissie. Op 1 april jongstleden besloot Maarten van Traa echter zijn stilzwijgen te doorbreken. Op de Leidse universiteit kwam hij met een forse uithaal naar alle gezagsdragers die beweerden dat ‘het wel meeviel’ met de normvervaging binnen het opsporingsapparaat. De ministers Van Mierlo en Sorgdrager, alsmede opper-procureur Docters van Leeuwen en leden van de CDA-Tweede-Kamerfractie hadden een lans gebroken voor eerherstel van de door Van Traa zo gehekelde opsporingsmethode van de ‘gecontroleerde doorvoer’, zelfs waar het hard drugs betrof. Van Traa vreesde dat de door zijn commissie gesignaleerde crisis in het opsporingsapparaat zou worden genegeerd. ‘Er is een crisis en die mag niet op typisch Nederlandse manier worden weggemasseerd’, zei hij tegenover zijn studentengehoor.

Ook maakte Van Traa zich zorgen over het aanvankelijke kabinetsvoornemen om het reeds nu al legendarische rapport van de rijksrecherche over de bizarre methoden van het duo Van Vondel en Langendoen van de Criminele Inlichtingendienst (CID) Haarlem voor een deel geheim te houden. Weer dreigde het kabinet te vallen voor de verleiding van de vertrouwelijkheid, een gewoonte die eerder in dezelfde troebele vijver voor grote consternatie (zie de verwikkelingen rondom het rapport-Wierenga) had gezorgd. ‘Als het kabinet het rapport niet geheel openbaar maakt, doe ik het’, zo deelde Van Traa mee. Zijn wens werd verhoord, met als resultaat dat de kranten de afgelopen dagen weer vol stonden met de meest schrijnende staaltjes van geescaleerd politioneel undercover-werk.
Zo blijft iedereen bij de les, en dat is noodzakelijk, want volgende week buigt de Tweede Kamer zich over het rapport-Van Traa. Dan zal blijken in hoeverre de door de commissie voorgestelde 'ethische revolutie’ binnen het politie-apparaat en het Openbaar Ministerie daadwerkelijk ter hand wordt genomen.
'KIJK, ONS RAPPORT is niet bedoeld als het evangelie’, vertelt Van Traa in zijn woning in Amsterdam-Zuid. 'Het is niet de opperste wijsheid. Maar wat er nu dreigde was dat er van de hoofdlijnen van het rapport zou worden weggelopen. Het hele idee dat er hoognodig een nieuwe normering zal moeten worden gevonden, leek even te verflauwen, onder de uitroep dat in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit eigenlijk niets uitgesloten mag worden. Dat betekent in mijn ogen dat de evidente crisis binnen het opsporingsapparaat domweg dreigde te worden ontkend, en dat mag toch niet gebeuren. Daar hebben we geen onderzoek van vier miljoen gulden voor gehouden. Je moet niet denken dat de crisis in de opsporing is geeindigd met het vertrek van een procureur-generaal. Sinds het IRT-schandaal is er een cultuuromslag op gang gekomen, en dat moet verdere consequenties hebben, zowel wat betreft de wetgeving als de opsporing. Als je ziet hoe ver we al zijn gekomen sinds het rapport-Wierenga - daarin werd de methode van de gecontroleerde doorvoer nog geheel goedgepraat. Nu is toch bijna iedereen het er over eens dat daar ontoelaatbare dingen zijn gebeurd.’
Daar waar politie en justitie deals aangaan met de penose en zelf drugstransporten op poten zetten, begint in de ogen van Van Traa een heilloze toestand. Van Traa: 'We moeten naar een situatie toe waarbij wordt voorkomen dat de politie in zee gaat met de ene even strafwaardige crimineel als infiltrant om de andere te kunnen pakken. Ons rapport heeft genoegzaam aangetoond dat je dan toestanden krijgt waarbij het in het geheel niet meer duidelijk is wie de regie in handen heeft. Infiltratie in het gangstermilieu mag alleen door agenten gebeuren, niet meer via stromannen die zichzelf met behulp van de overheid verrijken aan drugshandel. Het is nu te vaak gebeurd dat het volstrekt onduidelijk was wie het nu eigenlijk voor het zeggen had in een opsporingszaak: de politie of een bepaalde crimineel.
Tegelijkertijd zal je de politie toch de benodigde manoeuvreerruimte moeten geven. Ik moet zeggen dat ik nu, na afloop van ons onderzoek, eigenlijk geneigd ben meer toe te staan dan dat ik voor die tijd voor mogelijk zou hebben gehouden. Ik kan me voorstellen dat je in een loods in het geheim gaat kijken of er semtex ligt. Ik kan me ook voorstellen dat je op een gegeven moment besluit iemand te gaan afluisteren. Ik denk dat je middelen als telefoontaps en inkijkoperaties misschien nog wel vaker zal moeten inzetten dan nu het geval is, juist als je infiltratie-acties veel strenger dan tot nog toe is gebeurd, gaat normeren. Leuk is anders, maar je moet toch wat. Maar ook die middelen moeten in ieder geval zorgvuldiger worden gehanteerd dan tot nog toe het geval is geweest.
Je moet in eerste plaats het hele ideologische aspect van een war on drugs uit de discussie halen. Je kan op dit gebied niet werken met links-rechts-tegenstellingen, nee, je moet komen tot een duidelijke afweging tussen doelmatigheid en juridische waarborgen. Je moet bijvoorbeeld niet een hele buurt telefonisch gaan aftappen om een mannetje te kunnen pakken. Alles moet slimmer en efficienter gebeuren, en er moet controle achteraf mogelijk zijn.
Ik vind ook dat er een soort meldingsplicht moet komen voor middelen als aftappen en infiltratie. Stel, je telefoon wordt maanden afgeluisterd en het levert niets op. Dan moet de overheid de afgeluisterde burger naar mijn mening toch op een of andere manier in kennis stellen van het gebeurde. Ook zou er zoiets mogelijk moeten zijn als recht op inzage in het dossier. Er is de laatste jaren in de opsporing een soort wildgroei onstaan van onderzoeksmethoden die nauwelijks nog officieel werden geregistreerd.
Dit is het dilemma: in de klassiek-liberale rechtsstaat is het zo dat er op grond van een strafbaar feit een dossier wordt opgesteld waar alles in staat en dat door de onafhankelijke rechter wordt getoetst. In de tegenwoordige praktijk is dat wat betreft de mega-zaken allemaal geheel veranderd. Er is sprake van “gesloten trajecten”, van infiltranten en informanten die anoniem dienen te blijven ter bescherming van hun lijf en leden. Dat levert natuurlijk geweldige problemen op, want op die manier blijven bepaalde onderdelen van een strafdossier verborgen, terwijl die wel bijdragen aan het eventuele vonnis, behalve dan als de advocaat er in slaagt de rechter ervan te overtuigen dat het gaat om onrechtmatig verkregen bewijs.
Over die probematiek hebben we als commissie lang nagedacht, en we zijn tot de conclusie gekomen dat er op een of andere manier een balans moet worden gevonden tussen openbaarheid en vertrouwelijkheid van gegevens. Uitsluiten kan je die vertrouwelijke gevens niet, maar ze moeten wel kunnen worden getoetst. Ze moeten op een of andere manier in het proces-verbaal. Van gesloten CID-trajecten moet afscheid worden genomen. Dergelijke dingen gewoon verzwijgen, wat blijkens ons onderzoek nogal eens gebeurde, dat mag niet gebeuren. Daar moet een systeem voor worden ontwikkeld. Dat zal uiteindelijk een versterking van het juridische bestel betekenen. Nu worden veel verdachten naar huis gestuurd omdat de ingeschakelde methoden in het onderzoek tegen hen geheel oncontroleerbaar zijn.
Niet voor niets zei advocaat Hiddema een tijdje geleden in HP/De Tijd dat hij aanzienlijk minder mensen naar huis zal kunnen nemen als Van Traa zijn zin krijgt. Hij vreesde dat hij het dan weer veel meer over de ongelukkige jeugd van de verdachte zal moeten hebben. Als de opsporingsmethoden inzichtelijker zijn, wordt het de advocaten in sommige gevallen juist moeilijker gemaakt.’
VAN TRAA IS DE eerste om toe te geven dat zijn rapport hier en daar nog geduchte leemten kent. Een straffe deadline zorgde ervoor dat sommige zaken niet zo diep konden worden uitgespit als de voorzitter zelf had gewenst. 'In het geheim voel ik mij gesterkt door iedereen die zegt dat het rapport niet ver genoeg gaat’, zegt hij. Hij noemt bijvoorbeeld de rol van buitenlandse inlichtingendiensten als het Duitse Bundeskriminalamt (BKA) en de Amerikaanse Drugs Enforcement Agency (DEA).
Van Traa: 'Het is ons gebleken dat die diensten operaties hebben uitgevoerd op Nederlands grondgebied, al dan niet in samenwerking met de CRI. Ook zij hebben drugstransporten georganiseerd om in de criminaliteit door te dringen. In het geval van het BKA is duidelijk dat er crimineel geld gebruikt is voor politie-operaties. In ons rapport is dat niet verder uitgewerkt, omdat we tegen een muur aanliepen. De DEA beriep zich na een eerste verkennend gesprek op diplomatieke onschendbaarheid en weigerde verder alle medewerking. Daar hadden we verder op kunnen doorgaan, maar die tijd ontbrak ons. Als commissie hadden we zeker nog drie jaar door kunnen gaan met ons onderzoek. Het zou ook een goed idee zijn om het niet bij onze rapportage te laten.
Ideaal in mijn ogen zou zijn als het parlement een of twee vertegenwoordigers aanwijst die permanent controle uitoefenen op dit gebied. Dat moet een beete stevige, boven de partijen verheven figuur zijn, die als speciale controleur toezicht houdt op alle mogelijk zaken en de Kamer daarvan op de hoogte houdt. Dat had ook moeten gebeuren na de parlementaire enquete van de sociale zekerheid, dan was die hele CTSV-rel er misschien helemaal niet gekomen. Zo'n parlementaire controleur is volgens mij noodzakelijk, want het ontbreekt het gemiddelde kamerlid ten enen male aan de specifieke kennis om zo'n complexe materie als de opsporing geheel te doorschouwen.’
IS HIJ NA al die maanden van onderzoek eigenlijk geschrokken van de mate waarin de georganiseerde criminaliteit in onze narco-staat gedijt? Van Traa: 'Ten eerste: Nederland is geen narco-staat. Ik zal dat woord nooit in de mond nemen, al was het alleen maar omdat ik meneer Masson die lol niet gun. Een narco-staat veronderstelt een totale betrokkenheid van de overheid met de drugsindustrie, en dat is gewoon niet waar. Wat er hier aan de hand is, is een grove ontsporing en een grote crisis binnen het justitieel apparaat, maar er is geen komplot, geen systeem waarmee de overheid of de economische krachten zeggen: vanwege de economie moeten we dit laten doorgaan.
De economie profiteert hier zelfs maar in zeer bescheiden mate van. Wat je moet constateren is dat er in sommige steden veel zwart geld omgaat, dat vervolgens in bedrijfstakken als de horeca en het gokwezen verdwijnt. Maar het is niet zo dat er in de top van de ABN-Amro of de ING mensen zitten die al die drugsgelden binnenhalen.
Het interessante van ons onderzoek is juist dat het aantoont dat de verwevenheid van de staat zich beperkt tot een paar bovenwereldfiguren die ook een greep in de trog willen doen, maar dat de georganiseerde criminaliteit niet echt staat te springen om in die bovenwereld door te dringen. Er zijn natuurlijk uitzonderingen. Men wordt actiever om de overheid te ontregelen. Kijk maar naar de inbraken bij leden van het Openbaar Ministerie. Ook staat het voor mij buiten kijf dat er vanuit de Surinaamse drugswereld wel degelijk pogingen zijn ondernomen om stromannen binnen te loodsen in het Nederlandse politie-apparaat. Maar dat zijn uitzonderlijke gevallen.
Zelfs de organisatiegraad van de criminaliteit is gedifferentieerder dan men denkt. Er is nauwelijks sprake van hierarchie, maar van netwerken die soms samenwerken en soms elkaar bestrijden. Van Italiaanse of Columbiaanse toestanden heb ik hier nog niets gemerkt. Wat niet wil zeggen dat je die hier niet kan krijgen. Het probleem zit hem toch in onze hele curieuze houding tegenover soft drugs. Door het feit dat een joint hier zo normaal lijkt te zijn als een glaasje bier, heeft de georganiseerde misdaad hier een gigantische afzetmarkt gekregen. Daar hebben we zo'n bende als die van Klaas Bruinsma door gekregen, daar ben ik van overtuigd.
Ik persoonlijk denk dat er in Europa over drie, vier jaar een omslag zal komen in het denken over soft drugs en dat er dan toch een soort Europees gedoogbeleid, zo niet legalisering zal komen. De commissie heeft daar geen eensluidend standpunt over kunnen innemen. Volgens mij is legalisering de enige manier om de georganiseerde criminaliteit echt te raken. Niet voor niets vertelde een grote hasjboer mij tijdens een van de verhoren dat hij gaarne een kleine christelijke partij zou willen subsidieren als deze demonstraties tegen legalisering van soft drugs zou starten.’