Op naar hollywood!

‘WAAR IS DAN het cliché? Wat is het cliché?’ Leon de Winter heeft net gelezen wat De Groene Amsterdammer over zijn nieuwste verkoopsucces De hemel van Hollywood schreef. Hij prevelt de recensie van Xandra Schutte voor zich uit: ‘Een “volkomen clichématig openingsshot”… Ik zit te denken… Een auto die een berg op rijdt… In Californië… Drie mannen erin… Ik heb dat nog nooit gelezen. Ik kén geen boek dat op deze manier begint!’

De Winter leest verder. Af en toe kreunt hij van ergernis. Hij vraagt wat Xandra Schutte in het boekenprogramma van Michaël Zeeman over hem zei. Zij zei dat De Winter in zijn laatste boek literair probeert te schrijven maar jammerlijk faalt.
De Winter: ‘Ik héb die pretentie helemaal niet! Het zal me een rotzorg zijn of het literair is of niet.’
De epiloog zou als literaire truc niet goed genoeg zijn.
'Niet goed genoeg? Dat stuk over mijn hoofdpersoon Tom Green niet goed genoeg? Wat zullen we nou hebben! Stelletje oetlullen bij elkaar. Dit kan ik toch niet over mij - dit is echt té erg. Deze mensen gaan mij vertellen wat literair of wat niet literair is. Ik verdom het dat te accepteren!’
Leon de Winter had het stuk van Xandra Schutte nog niet gelezen. Zijn vrouw Jessica Durlacher selecteert alle kritieken en zorgt ervoor dat hij alleen de goede recencies onder ogen krijgt. Dat waren er dit jaar minstens vijf, een betere score dus dan bij de laatste vier boeken. In Vrij Nederland schreef Jeroen Vullings dat Leon de Winter in De hemel van Hollywood 'een wel zeer vernuftig, hallucinatoir spel met verbeelding en werkelijkheid’ speelt. Hij noemt de roman 'een virtuoos geconstrueerd labyrintisch spiegelpaleis’ met een 'mulischeske’ constructie.
Leon de Winter: 'Leuk. Maar toevallig. Door de dood van Joop van Tijn had Carel Peeters het te druk en kreeg Jeroen Vullings mijn boek in handen. Anders had Carel Peeters weer dezelfde riedel gegeven als altijd. Sinds La Place de la Bastille valt elk boek van mij tegen. Ik val al bijna twintig jaar tegen. Mijn volgende boek moet gewoon weer de prullenmand in. Peeters zal het wel een tegenvallend boek vinden. Als ik níet meer tegenval, is er met mij iets ergs aan de hand.’
TIJDENS ONS GESPREK, dat plaatsvindt in een donker zolderkamertje van uitgeverij De Bezige Bij, krijgt Leon de Winter te horen wat zijn vrouw voor hem verbergt: de slechte kritiek.
Ooit was hij zelf recensent. De Winter: 'Ik schreef kritieken voor Vrij Nederland. Al snel begreep ik dat ik moest stoppen. Ik dacht: ik mishandel deze boeken. Ik doe ze geen recht. Elke slechte recensie is volstrekt onterecht ten opzichte van de vindingrijkheid van welke schrijver ook. In de boeken die ik negatief bespreek, zit altijd meer gevoel, toewijding en idee dan in het stukje dat ik erover schrijf.’
Leon de Winter zegt dat hij toen ook al op afstand bleef van het literaire wereldje. 'Dat heb ik altijd gedaan. Ik drink geen bier. Ik kom nooit in cafés. Ik ben buiten Amsterdam gaan wonen. Een paar keer ben ik op een literaire bijeenkomst geweest. Het was de bedoeling dat er een clubje zou ontstaan. Avondjes met Kellendonk - die leefde toen nog -, met Oek de Jong en Kester Freriks. Altijd bij iemand thuis. Daar voelde ik me zó ongelukkig. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Het interesseerde me niet.’
MAAKT HET VOOR de recensies verschil of je meedoet? De Winters vriend Joost Zwagerman doet wél mee. Hij kent al die critici, hij gaat naar de juiste cafés en hij schrijft voor de goede bladen. De Winter: 'En toch nemen ze hem nu te pakken. Omdat Joost een slecht boek heeft geschreven? Zo slecht is het niet. Het is misschien niet zijn beste boek, maar het is geen slecht boek.’
Hoe komt het, vraagt hij zich af, dat Zwagerman opeens zoveel weerzin en woede oproept? En haat, een raar soort haat. Hij vraagt: 'Wil jij criticus worden? Wie wil er nou criticus worden? Je wilt brandweerman worden. Politieagent of piloot. Vroeger op school zat er nooit een jongetje bij mij in de klas dat zei: “Ik wil criticus worden.” Dat word je alleen als iets anders niet lukt. Dán word je criticus. Bij gebrek aan beter. Critici zijn jaloers. Dat moet je incalculeren. Daarvoor zijn ze criticus. Bij zijn laatste boek hebben ze Joost geen moment van zwakte gegund. Ze hebben niet de grootsheid gehad om te schrijven: “Het is niet zijn beste boek, maar hij is nog jong en hij zal zonder twijfel nog een mooi boek schrijven.” Dát had geschreven moeten worden. Zo'n Helga Ruebsamen die samen met Hanneke Groenteman zusterlijk op Joost z'n hoofd ging zitten kakken! Dat drankorgel uit Scheveningen ging daar meedoen met Groenteman! Die vrouw heeft één aardig boek geschreven na een leven lang weggedronken te hebben in de omgeving van het Kurhaus. Die vrouw ging Joost op zijn nummer zetten! Ze had zijn moeder kunnen zijn! In plaats van dat ze zegt: “Jongen, trek je er niks van aan. Ik weet hoe moeilijk het is om een boek te schrijven. Ga gewoon door”, ging ze hem vertellen dat hij eens wat langer aan een boek moest werken. Om je kapot te generen!
Hanneke Groenteman is een heel aardige vrouw. Waarom ze nou zó kwaad werd, weet ik niet. Ze heeft blijkbaar toch iets mateloos onvervulds in haar bestaan. Laat haar de gasten toch weer gewoon lekker knuffelen.’
IN NEDERLAND wordt De Winter door de gevestigde literaire kritiek steevast beschimpt en bespot, terwijl het publiek in groten getale zijn boeken leest: al twee miljoen exemplaren bevolken de Nederlandse boekenkasten. In het buitenland en in de letterkunde wordt hij beter besproken.
In 1992 schreef hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde Ton Anbeek een essay over de ontvangst van De Winters werk. Even daarvoor was diens roman Supertex neergesabeld. De Winters radicale ommezwaai naar realistisch proza ziet Anbeek als een logische, internationaal optredende reactie op postmodernistisch geneuzel onder het motto: 'Hoe gelaagder hoe geslaagder’.
Volgens Anbeek zijn de critici dogmatisch. De Winters laatste romans zijn juist 'het duidelijkste, het brutaalste voorbeeld van een koersverandering in het Nederlandse proza’.
Als reactie op de publieke veroordeling van zijn werk liet De Winter zich fotograferen naast zijn fonkelende Jaguar. Hij vertelde dat hij zijn boeken in een hotel in Californië schreef en dat hij ook films wilde regisseren.
De Winter: 'Ik zou niet literair genoeg schrijven, maar wel die pretentie hebben. Literair schrijven… Die gedachte komt niet bij je op als je schrijft. Je gaat achter de computer zitten omdat er een intellectuele of emotionele noodzaak toe is. De notie of iets literatuur is, interesseert me absoluut niet. Die vraag doet er niet toe. En als hij er wel toe doet, dan is hij volstrekt achterhaald. Een boek mag hier in Nederland geen entertainment zijn. In Angelsaksische landen is het juist een aanbeveling.
Vogelaar schreef in De Groene dat het schrijven voor mij geen avontuur meer zou zijn. Hij verweet me dat ik precies wist waar mijn verhaal heen zou gaan. De kritiek is dat ik weet wat ik aan het doen ben.
Dat is ook zo. Ik heb alles uitgedacht. Bij dit boek schreef ik eerst een klein treatment, dat nog alle kanten uit kon. Het kon film worden, het kon ook boek worden. En toch blijft het resultaat, ook voor mij, een verrassing. Uiteindelijk werd het een literair boek. Dit boek. Vervolgens heb ik ook het scenario geschreven. Dat ligt nu thuis klaar. O, en dan krijgen we daarna natuurlijk nog de merchandising: het Tom Green-knuffelpoppetje.’
IN DE HEMEL van Hollywood doen drie mislukte acteurs een poging het geld buit te maken dat een ander stel mislukkelingen uit een casino in Las Vegas heeft gestolen. Het lukt. Of niet? De epiloog roept per bladzijde meer vragen op over wie welke rol speelt. Thema blijkt dan het verschil te zijn tussen de Europese en de Amerikaanse manier van omgaan met de verbeelding. Europeanen reflecteren in hun verbeelding de werkelijkheid, Amerikanen proberen een geheel nieuwe werkelijkheid op te bouwen.
De Winter: 'Mijn inspiratiebronnen liggen in de film, in de populaire cultuur. Daar heeft een deftig man als Michaël Zeeman niets mee. Ik loop in Venice. Dat is een hippe buurt in Los Angeles waar nu een hoop dingen gebeuren, waar elektriciteit in de lucht hangt. Mijn volgende boek zal De koopman van Venetië heten en zich daar afspelen. Als je die deftige meneer Zeeman in Venice zou neerzetten, zou hij zich gelijk ophangen. Misschien een reden om hem een ticket te sturen.’
We leggen wat recensies naast elkaar. In NRC Handelsblad schrijft Pieter Steinz dat De hemel van Hollywood nauwelijks overtuigt. In De Groene Amsterdammer oordeelt Xandra Schutte: 'Zeker, De Winter is een vaardig scenarist, hij heeft een spannende intrige geconstrueerd. Maar zwaar aangezette, overbewust gebruikte clichés blijven clichés.’
De Winter: 'Dat heeft niets meer met mijn boek te maken! Allebei moeten ze iets demonstreren, hun blasé zijn, dat ze boven het gevoel staan te zijn meegesleept, hun eruditie. Ik vind het zelf een uitermate originele plot. Zeer verrassend. Ik was bijna verbijsterd dat ik een dergelijk einde durfde te schrijven. Ik heb daar langdurig over nagedacht. Met mijn vrouw heb ik er vele, vele dagen over gepraat. Hoe komen critici tot dat soort conclusies? Dat het voorspelbaar is… Ze lezen een ander boek.’
In de Volkskrant getuigt de recensie van Arjan Peters van afschuw. Peters was ook bij het verschijnen van Zionoco en het boekenweekgeschenk Serenade al tamelijk genadeloos.
De Winter: 'Peters is een paladijn van Zeeman. En Zeeman is een vijand van mij. Hij beweegt zich in een groep mensen die mij taboe verklaard heeft. Natuurlijk weet men bij de Volkskrant: geef dat boek aan Peters en je krijgt een slechte recensie. Je kunt het ook aan een ander geven. Dan ontstaat het gevaar dat die het goed vindt.’
Nog een recensie. De Winter zet zich schrap. Alle Lansu schrijft in Het Parool over 'een vernuftig plot’. De Winter neemt het adjectief tot zich, maalt even en braakt de lettergrepen vervolgens een voor een uit: 'Ver-nuf-tig. Ver-nuf-tig plot. Dan denk ik aan modelbouwers. Zo'n man die aan een locomotiefje zit. Dat moet ver-nuf-tig zijn.’
Het Parool en de Volkskrant spreken eensgezind over personages die 'zo plat als een dubbeltje’ zijn. De Winter: 'Personages zo plat als een dubbeltje? Ik heb over mijn Tom Green in het eerste deel juist expres zoveel mogelijk weggelaten om het effect van het tweede deel te verhevigen. Je ziet maar een deel! Als je kwaadwillend bent, zeg je dan: “Zo plat als een dubbeltje”. Zo kun je het noemen, ja. Plat als een dubbeltje.’ Hij slaat op tafel en herhaalt: 'Plat als een dubbeltje. Boem! Daar ben je vanaf.’
VIJF JAAR GELEDEN schreef Anbeek dat De Winters recensenten het proza dat door hen het best bestudeerd kan worden, om die reden tot het beste proza uitroepen. De Winter: 'Het gaat mijn critici niet om de overgave aan puur leesplezier, om het met rode oortjes uitlezen van een spannend boek. Montagetechnieken, deconstructietheorieën, dat soort flauwekul komt me de strot uit. Dat heeft me geen millimeter verder geholpen in het denken over mezelf, de wereld of mijn positie in die wereld. De traditionele vertelvormen komen juist weer terug. Verhalen helpen zoals religieuze mythen een ordening aan te brengen in de wereld. Zij vertellen wat goed en slecht en wat mooi of lelijk is. Literatuur helpt daarbij. Als je leest wil je toch meegezogen worden in een groots avontuur? In het tweede deel van Zionoco kom ik dicht bij wat voor mij een literair ideaal is. Daar slaag ik erin een legende op papier te krijgen.’
Maar de ontvangst van Zionoco was erg slecht. Hoewel… In België en Duitsland verschenen extreem lovende besprekingen. De Winter: 'In een Duitse recensie over Zionoco las ik onlangs: “De Winter wordt wel eens vergeleken met Saul Bellow en John Updike, maar daarmee doe je De Winter onrecht.” Misschien moet ik meer werk maken van die goede kritieken in het buitenland. Als Nooteboom een scheet laat op Malta, dan ruiken we het hier.
Ik zou een boek eerst in het buitenland kunnen uitbrengen en later pas hier. Dan zullen ze hier schrijven: “Der Spiegel heeft hem weer de hemel in geprezen. Maar het is natuurlijk een slecht boek en die Duitse criticus heeft stront in zijn ogen.”’
WANNEER IEMAND schrijft of zegt dat De hemel van Hollywood het oppervlakkigste boek is dat hij in tijden heeft gelezen, denkt de Winter: 'Dit oppervlakkig? Wacht maar op mijn volgende boek. Ik kan nog veel oppervlakkiger.’
Hij keek niet toen in het tv-programma van Michaël Zeeman zijn boek werd behandeld. De Winter: 'Ik vind die man een zieke schoft. Dus ik ga niet voor mijn plezier zitten kijken. Maar onze oppas had de video aan en daardoor heb ik wel gezien hoe hij Joost te grazen nam. Had-ie natuurlijk niet moeten doen. Daar liet hij zijn masker nét iets te ver zakken. Iedereen kon zien dat er iets niet klopte. De getoonde emotie was te groot. Het was een moordaanslag. Dit was een poging om Joost kapot te maken. Echt te doden. Geestelijk te doden. Dat is moord.
Zeeman haat Joost Zwagerman al jarenlang. Hij leeft met het gevoel dat hij ooit door Joost is vernederd. Op de eerste bijeenkomst van de Maximalen kreeg hij een emmer rotte vis over zich uitgestort. Al jaren is hij bezig zoveel macht te verzamelen dat hij de mensen die hem dat hebben aangedaan kan doden.’
Zeeman nam wraak, zegt De Winter.
'Zelf heb ik twee weken geleden op een SLAA-avond gereageerd. Ik hield daar een lezing over het vreemde, curieuze verschijnsel dat Zeeman is. Om me af te reageren. Hij zat me eventjes heel hoog. Zo'n hufter als Zeeman die niet van literatuur houdt maar voor wie de literatuur een middel is om macht te vergaren. Het gaat hem om macht. Het gaat hem om de mogelijkheid mensen te vernederen. Als er iemand is die weet wat sexual harassment is, dan is het deze meneer Zeeman wel - een zieke, zieke, zieke man.’
De Winter zegt dat hij beter zijn mond kan houden. Hij moet netjes blijven. 'Een schrijver moet gewoon zijn werk doen. Schrijf die boeken maar. Dat is primair wat ik moet doen. Er zijn zoveel mensen die ik anders op hun bek moet slaan. Daar zou ik een dagtaak aan hebben.’
VANDAAG STOND ER een recensie van Rob Schouten in Trouw.
'O…’
Dat wist je nog niet?
'Zal wel slecht zijn.’
Niet helemaal. Hoewel hij schreef dat je Peter Handke-achtige verhaaltjes tracht te maken.
'Als je weet wat Peter Handke heeft geschreven, dan is het volkómen onzinnig om te zeggen dat ik Peter Handke-achtige verhaaltjes geschreven heb. Critici zijn jaloers. Carel Peeters heeft ook al jaren zijn roman in de la liggen. De titel weet ik niet, maar ik weet dat hij bestaat. Zeeman heeft ook een roman geschreven. Die zou hij bij De Bezige Bij komen inleveren. Op de bewuste dag kwam hij aan met het verhaal dat het manuscript uit zijn auto was gestolen. Volgens mij hád hij niet eens een auto. En natuurlijk was hij de laatste schrijver die met de hand schrijft en had hij nog nooit van kopieermachines gehoord.
Zo zijn er nog wel een paar critici. Die hebben die roman liggen, maar het komt er maar niet van. En dan komen er anderen en die lukt het wel. Dan is er op een gegeven moment ook nog eens zo'n Zwagerman met een boek over hun wereldje vol zure hoofden. Het wemelt van de Theodor Holmannen, kleine rancuneuze typetjes met heel veel nijd. Treurige mannen die allemaal zelf een grote roman hadden willen schrijven en een grote hoeveelheid mensen hadden willen aanboren. En dat lukt maar niet en dat lukt maar niet… Een lullig gevoel is dat. Stel je voor. Want je wil helemaal niet jaloers zijn. Je voelt je een zak wanneer je jaloers bent. En tóch ben je het. Dat moet fout gaan. Die mensen moeten zich afreageren. Die gaan boeken kapotlezen. Elk boek kun je kapotlezen. Als je je niet openstelt, wordt alles belachelijk. Ach, het is moeilijk om een zinvolle levensvervulling te vinden als literair recensent. Dat is geen grap.
Op Supertex volgden verbijsterend stupide stukken. Ik herinner me een recensie van Jaap Goedegebuure in de HP. Zijn woede was zo groot dat hij de kolossale beginnersfout maakte de auteur te vereenzelvigen met de hoofdpersoon. Dat stuk ging puur over mij. Ik was Max Breslauer geworden. Ik had een boek geschreven over het platte zakenmilieu, een wereld waar hij niets van weet. Een wereld waar hij dus niets over kon zeggen.’
Dat klinkt als Anbeek: de recensent bestudeert wat hij bestuderen kán.
'Dat is het. Hij kán er niks over zeggen, dus wijst hij het af als goedkoop of plat! Weten keurige recensenten als Tom van Deel en Michaël Zeeman veel over Hollywood, Venice Beach en Manhattan! Ze kunnen er niks over zeggen. Zo houden ze nog steeds de kunstmatige scheiding tussen high en low culture in stand.’
NOG EENMAAL laait De Winter op, als hij vertelt over Hollywood. Hij heeft een script verkocht aan Universal. Milos Forman zal het regisseren. Hij lacht vergenoegd en somt snel op welke films Forman nog meer heeft geregisseerd. Zelf loopt hij al tien jaar in Hollywood rond. 'Stel je voor’, zegt hij, 'een stad met vijftien miljoen inwoners, waarvan er veertien miljoen bezig zijn met het verzinnen van verhalen. Bijna een hele stad vól mensen die niks anders doen dan verhalen verzinnen!’
Leon de Winter moet naar het station. Zonder Jaguar. Hij heeft een kortingkaart van de Nederlandse Spoorwegen. Niet voor lang. Volgend jaar zal het gezin De Winter-Durlacher Nederland verlaten. Op naar Hollywood.