Op naar Noorwegen

Mieke Bal is een van de weinige Nederlandse intellectuelen met een internationale sterrenstatus. Desondanks blijft het na haar nieuwe werk over kijken naar kunst stil.

Het is alweer lang geleden dat van Mieke Bal een Nederlandstalige publicatie uitkwam. In 1990 verscheen Verf en verderf: Lezen in Rembrandt. De kritiek was niet mals: ze was niet te volgen, las je links en rechts, haar beweringen waren niet ‘wetenschappelijk’, Rembrandt-kenners liepen te hoop, zo kon je niet over kunst schrijven, enzovoort. En nu, bijna dertig jaar later, is er dus Het geel van Marcel Proust. Met een ruim overzicht van haar hoogst opmerkelijke denkbeelden over en visies op kunst en literatuur.

Bal verdween na haar studies over narratologie uit de jaren zeventig en tachtig zo’n beetje uit beeld van de Nederlandse intellectuele en culturele scene, vast en zeker ook om de geringe respons die haar latere werk hier kreeg. Al speelde ze zeker een rol in de academische literatuurwereld. Ze was tot haar emeritaat in 2011 hoogleraar theoretische literatuurwetenschap en cultuuranalyse aan de Universiteit van Amsterdam. Ze breidde haar werkterrein steeds verder uit van literatuur naar kunst en cultuuranalyse en publiceerde haar werk bij gerenommeerde uitgeverijen als University of Chicago Press, waar bijvoorbeeld in 2006 A Mieke Bal Reader verscheen. Bij Suhrkampf verscheen het ruim driehonderd pagina’s dikke boek Kulturanalyse. Ze kreeg verschillende eredoctoraten, vorig jaar nog van de University of Arts in New York en van de Zweedse Linnaeus Universiteit. Mieke Bal is, kortom, een van de weinige Nederlandse intellectuelen met een internationale sterrenstatus. Rem Koolhaas, Cees Nooteboom, in die richting moet je denken. Je zou verwachten dat haar nieuwe boek hier veel publiciteit zou genereren, maar dat bleef allemaal uit. Stilte. Raar is het wel.

Helemaal als je haar boek leest. Het lokt aan de lopende band discussie uit – wat wil je nog meer? Het heeft me een paar weken flink wakker gehouden. Ze presenteert een aantal voorbeelden van haar cultuuranalytische onderzoek van de laatste tijd. Onder anderen Flaubert komt voorbij, Edvard Munch, Louise Bourgeois, Nalini Malani, Claude Chabrol, eigen curatorwerk, Rembrandt, psychoanalyse, een Congolese roman van Tchicaya U Tam’si en een fragment van Proust.

Haar interpretaties starten altijd met een zo onbevooroordeeld mogelijke duiding van wat te zien of te lezen is. Nabijheid noemt ze dat. Daarna start bij haar een uitvoerige theoretische reflectie over het te analyseren werk, waarbij ze graag het werk zelf ook laat ‘theoretiseren’. Ze werkt ongegeneerd interdisciplinair en zet daarbij zo veel mogelijk actuele theorieën uit de geesteswetenschappen in. Ze probeert werken uit het verleden niet achteraf strafwerk te geven (Flaubert was een seksist en Proust een voyeur), maar zet ze neer binnen een ‘dynamische visie’ op de relatie ‘tussen het heden waarin wij staan en het verleden dat daarin meedoet’.

Het boek barst van de prikkelende analyses, daagt uit, is regelmatig duister

Niet gering allemaal, vooral die interdisciplinaire aanpak geeft aan haar uitvoerige analyses een hybride karakter. Ze switcht heen en weer tussen verschillende disciplines, spant methoden uit de linguïstiek, sociologie, feministische theorie en sociale theorieën uitvoerig voor haar karretje. Niet als een zwaktebod, maar als principiële keuze. Haar analyses zijn niet bedoeld om het laatste woord over een kunstwerk te hebben – dat vindt ze het ergste van alles – maar om nieuwe en betere analyses mogelijk te maken.

Ze wil het debat over kunst en literatuur zo lang mogelijk voortzetten. Wat dit betreft verschilt ze van de huidige tendens in de kunst- en literatuurbeschouwing om kunstwerken van alleen een ‘politieke’ lezing te voorzien, ze af te keuren dus en daarmee een debat erover voorgoed uit te sluiten. Dat was in haar oudere werk nog anders, ze probeerde in De canon onder vuur (1991) bijvoorbeeld in een bijzonder kwaadaardig en zwak onderbouwd artikel voorgoed, en wat mij betreft tevergeefs, af te rekenen met het werk van E. du Perron.

Tijd om alles eens rustig uiteen te zetten neemt ze niet, wat haar werk lastig te volgen maakt. De theorieën buitelen over elkaar heen. Maar niet zeuren, al zou ik soms wel wat langer na willen denken over de toepasbaarheid van de narratieve theorie (een schilderij vertelt) en taalhandelingstheorie (een schilderij is een handeling) op schilderkunst. Kan dat allemaal wel? Bij haar analyse van het schilderwerk van Edvard Munch lukt het wonderwel, ze laat overtuigend zien hoe hij binnen één schilderij met verschillende visies en perspectieven werkt. Ze confronteert tegenwoordig als curator in museale opstellingen verschillende kunstwerken met elkaar en dat levert gelukkige beelden op. Ze maakt haar interpretaties niet exclusief, ze hoeft niet de hele tijd gelijk te hebben.

Bal houdt onvoorwaardelijk van kunst, dit boek is duidelijk bedoeld als een liefdesverklaring. Dit nam me er sterk voor in. Soms gaat haar interpretatiedrang met haar op de loop. Haar analyse van een voyeuristisch fragmentje van Proust (de ik-figuur ziet in de verte een vriend lopen) loopt uit op een steeds duisterder woordspel waarbinnen de terminologie alleen nog voor ingevoerde adepten te volgen lijkt. Ze formuleert regelmatig onhandig of overdreven merkwaardig, omdat ze in een zin te veel wil zeggen: ‘Het laat de als evident beschouwde relevantie van temporaliteit als evolutie, vooruitgang, volgorde zien en bekritiseert die vanzelfsprekendheid met behulp van de categorie van leven: leeftijd.’ Haar schrijfstijl staat bol van de personificaties waarin werken spreken, theorieën theoretiseren, zinnen iets beweren en abstracties nieuwe vormen voortbrengen. Dat maakt het er niet duidelijker op.

Alles goed en wel, haar boek barst van de prikkelende analyses. Ze daagt uit, ze is regelmatig duister, dat dus wel, ze provoceert (‘zo kan-ie wel weer, Bal’, zette ik dan in de kantlijn), bijvoorbeeld bij haar beschouwingen over het Bathseba-schilderij van Rembrandt. Je ziet zo dat Rembrandt de positie van de benen van Bathseba niet erg gelukkig heeft weergegeven (een cursus zou op zijn plaats zijn), maar Bal probeert met een schat aan argumenten aan te tonen dat Rembrandt dit expres zo schilderde. En dat het daarom een schitterend schilderij is. Haar enthousiasme over kunst en literatuur werkt aanstekelijk, ze is in dit boek niet cynisch of wegwerpend, dat wil ze niet meer. Ik wilde alles van Proust en Flaubert opnieuw lezen (en dan in het Frans). Plus zo snel mogelijk de schilderijen van Edvard Munch in Noorwegen gaan bekijken.

Help ons groene.nl te vernieuwen.

Doe mee aan onze enquête

Het invullen neemt zo’n 5 minuten in beslag. U kunt niets winnen, maar wij zijn u zeer erkentelijk als u meedoet aan de enquête.