Essay De stad als verlangenmachine

Op=op!

De publieke ruimte van de stad is in handen gekomen van winkelketens en projectontwikkelaars. Het centrum is verworden tot een schaamteloze prostitutie van commerciële koopwaren. Aan deze terreur van het Niets doet de stedelijke mens verlekkerd mee.

Wellicht het meest opvallende aan de debatten en het gekissebis rondom de gemeenteraadsverkiezingen was dat het onderwerp van de economische crisis zo weinig aan bod kwam. En dat terwijl juist in de crisis de grootste opgave ligt. De economie maakt een van de zwaarste depressies van de afgelopen eeuw mee. En in die diepe val kregen we gaandeweg de ware kern te zien van waar het in de economie om draait: egoïstische hebzucht. Vrijwel direct werd er met de beschuldigende vinger gewezen naar bankiers en hun excessieve bonuscultuur. Maar dat is een te beperkt blikveld. De hebzucht is geen slechte eigenschap van graaiende bankiers alleen, het is veel omvattender. Hoe diep de hebzucht is verankerd laat zich misschien nog het meest concreet aflezen aan de recente ontwikkelingen in de Nederlandse steden. In relatief korte tijd is het aanzien en het denken over de stad revolutionair van karakter veranderd. De publieke ruimte van de stad waar Hannah Arendt nog romantisch over droomde en waar ze haar hoop in legde voor de toekomst van de ‘mensen-maatschapij’ is in handen van de grote naamloze vennootschappen, zoals keten-winkels, commerciële projectontwikkelaars en verzekeringsmaatschappijen. Het middelpunt van de stad, het centrum van de publieke ruimte, is veranderd in een stelsel van koopgoten, shopping malls, meubelboulevards en andere 'schuimende verwennings- en verspillingsruimtes’, zoals Peter Sloterdijk ze recentelijk omschreef.
De stad is een fabriek van het verlangen geworden, een verlangenmachine. Een machine die input verbruikt om te kunnen produceren en die afval maakt. De input is het kapitaal, lees het human capital en financial capital, in de werkranden van de stad. De productie concentreert zich op het verwennen van toeristen en consumenten in een extravagant en decadent centrum, waarin nieuwe verleidingen elkaar razendsnel opvolgen. Het afval is er in de vorm van de gebruikte producten die verdwijnen in de containers van de afvalreiniging en in de vorm van de mensen die niet welkom zijn in de verwenningsruimtes, zoals illegalen en zwervers, die zich noodgedwongen ophouden in de schemerzones en getto’s van de stad.
De stad als machine is erop gericht om het verlangen commercieel maximaal te exploiteren en wel op mondiale schaal. Het is wat de socioloog George Ritzer onlangs krachtig verwoordde als de 'Globalisering van het Niets’. Het klassieke stedelijke voorbeeld in de verkoop van het Niets is McDonald’s. Een maaltijd bij McDonald’s is vooral gebakken lucht. Er is veel fantasie voor nodig om in een McMeal een vullende maaltijd te zien. En dat is dan ook precies wat er gebeurt. De fantasie van behoeftebevrediging wordt strategisch gestuurd en voor je ingevuld. Je betaalt een extreem groot surplus voor de smakelijke en spiegelende branding van de BigMac, die kostbaarder is dan het volledig gestandaardiseerde en goedkope product zelf. Je consumeert voor een groot deel de geproduceerde fantasie. Maar gebakken lucht vult maar even, en dus worden we hebzuchtig, we verlangen zonder einde, tot obesitas aan toe. De mens wordt derhalve niet gedwongen, maar juist verleid consumptief te zijn. De heerschappij van het Niets is geen tucht, maar juist zucht, een heb-zucht.
McDonald’s is natuurlijk bepaald geen uitzondering. In de economie van het verlangen is de exposure, de marketing van een product, het hoofdbestanddeel van de economische waarde van het product. Wat specificaties betreft zijn de verschillen tussen producten vaak miniem. Het verschil wordt vooral bepaald door de façade, het brandmerk. Het Niets bepaalt de prijs. Ieder product, of het nu een hamburger, koffie, een voetbalplaatje of een auto is, kan in de etalages van de winkels van de stad worden onderworpen aan branding, kan worden gehypet in de hype-economie. Met als doel het creëren van een eindeloos en permanent verlangen, niet zozeer naar het product, maar naar het verlangen ernaar, en naar de volgende versie of nieuwste toevoeging eraan. Want meer dan om het hebben gaat het bij hebzucht om het verlangen van het nog niet hebben.

Niet alleen de stedelijke economie is veranderd, ook de stad zelf is een maakbaar product geworden dat voortdurend als 'new’ en 'improved’ vermarkt wordt. De stad wordt geportretteerd als een maakbare droomwereld, een tomorrowland waar de vervulling centraal staat. In het hart van de stad, het commerciële centrum, wordt het Niets als decadentie en heerlijkheid aangeprezen en geëxploiteerd. Even lekker winkelen. Even eruit, even lekker niets.
Het is vanuit dat perspectief wellicht te verklaren waarom een centrum zo vol is van spiegelende etalages en passpiegels waar je in kunt verdwijnen naar een fantasiewereld van eenheid met jezelf. Hier worden je fantasieën werkelijkheid, voor even. Het is wat in het Engels window shopping heet: je loopt langs de spiegelende ramen, bekijkt deels jezelf en deels de producten die achter het glas verleidelijk en fraai uitgestald liggen te wachten op jouw komst. Het centrum is een schaamteloze prostitutie van de commerciële koopwaren achter etalages geworden. De ramen van de binnenstad schreeuwen je toe: treedt binnen. Kom naar mij, bekijk mij, koop mij! De liefde voor een stad, de topophilia, is welhaast topoporno geworden. In deze nihilistische vermarkting van de stad zijn ook de Nederlandse gemeenten zelf belangrijke entrepreneurs geworden. Illustratief is dat veel steden in Nederland geen gemeentekantoor meer hebben maar een stadswinkel en geen stadsbestuur meer maar een concernstaf met accountmanagers, binnenstadsmanagers en stadsambassadeurs. De concernstaf, lees het gemeentebestuur, legt de stad regelmatig op de spreekwoordelijke snijtafel van de make-over om haar een nieuw verleidelijk imago aan te meten. Wat voorheen voorlichting voor vreemdelingen werd genoemd heet nu city-branding. De stad wordt dus tot een ding gemaakt, zij wordt als een merk aangeboden en verkocht aan de consument. Zo verkoopt de stad Amsterdam zichzelf onder meer als I Amsterdam. Tilburg bijvoorbeeld afficheerde zich jarenlang als moderne industriestad, maar nu louter nog met een T. In de belichting en het verkopen van de stad wordt overdrijving niet geschuwd.
De Nederlandse stad zet zichzelf neer als een authentieke en unieke combinatie van winkelboulevards, restaurants, festivals, en evenementen. De stad is wat Guy Debord in 1969 al de spektakelmaatschappij noemde, waarin het woord spektakel zowel duidt op de aanschouwing zelf, het kijken, als ook op de gecreëerde illusie, de overdrijving, het spektakel. Vrijwel iedere stad doet mee aan deze race om authenticiteit en attractiviteit. Daardoor ontstaat de paradox van het hype-kapitalisme: door allemaal uniek te willen zijn en massaal het succesvolle script te kopiëren is niemand meer uniek. De homogeniserende werking van het hype-kapitalisme geldt ook voor het aanbod zelf in de stad. Niet-rendabele activiteiten zijn zoveel mogelijk uit de binnenstad verdrongen. Dat betekent dat binnensteden worden gedomineerd door dezelfde uniforme uitstraling van dezelfde ketenwinkels die bedrijfszeker zijn en de hoge huren kunnen opbrengen. Bas Spierings van de Universiteit Utrecht toonde in zijn proefschrift Cities, Consumption and Competition aan dat wie vandaag de dag in een hoofdwinkelstraat van een willekeurige Nederlandse binnenstad loopt nauwelijks nog kan herkennen om welke stad het gaat. De Nederlandse binnenstad is in toenemende mate onherkenbaar en monofunctioneel. De hype-economie leidt met andere woorden tot een geestdodend isomorfisme. De Nederlandse stad is in toenemende mate een gestandaardiseerd product geworden in handen van marketeers en naamloze vennootschappen. Er wordt veel tijd, geld en energie gestoken in de permanente creatie van een verlangen, een tekort. Het gevolg is dat de stad bestaat uit heel veel Niets.
Het gevolg van deze machinale productie van het Niets is dat onze economie vooral draait om het verkopen. We produceren niet zozeer, maar consumeren onze stedelijke welvaart bij elkaar. Het geijkte recept voor het economische groeibeleid dat wordt gebruikt is: consumeren, en dan liefst producten van eigen bodem, is goed voor de economie en de economie is goed voor ons allen, dus consumeren moet, desnoods op krediet en zelfs desnoods op risicovol krediet. Zie daar de hebzuchtige zeepbeleconomie.
De adepten van het hype-kapitalisme beroepen zich op wat filosoof Isaiah Berlin een vorm van positieve vrijheid noemde, dat wil zeggen, niet een vrijheid van, maar een vrijheid tot consumeren. Maar die vrijheid is in haar effect vooral een verleidelijke vermomming van tirannie, een goed geoliede machine. Alles in de stedelijke etalages en de winkels wordt bedacht en ontworpen, of het nu om de geuren, kleuren, kreten of de inrichting gaat, met het doel de consument te verleiden in een winkel binnen te treden, hem zo lang mogelijk in die winkel te houden en de concurrent het leven onmogelijk te maken. Zo staan in Nederland de deuren van de winkels altijd breed open, worden er speciale looproutes door de binnensteden en door de grotere winkels gemaakt, zijn er nooit klokken in de winkelstraten om mensen zich niet te laten haasten, kun je met een roltrap vaak alleen via een omweg door de winkel weer omlaag, en hebben veel winkels ook een speelhoek, koffiebar of leestafel.
De stedelijke mens is, wat Zygmunt Bauman noemt, 'zwerm’ geworden. De consumenten zwermen als bijen zonder aanwijsbare leider bijna lethargisch door de stad. Ze zwermen samen en gaan weer uiteen, aangestuurd door telkens andere commerciële opportuniteiten en noviteiten. Dat de Bijenkorf haar uitverkoop 'dolle dwaze dagen’ noemt, is in dit verband meer dan een wonderlijk toeval. De consument wordt constant nieuwe lolly’s voorgehouden en daarmee worden we feitelijk, zoals Benjamin Barber het onlangs uitdrukte, kinderlijk, oftewel infantiel, gehouden: 'de infantiele consument’. Anders verwoord, de stedelijke mens wordt in de competitie tussen de naamlozen, de grote NV’s, vervormd tot een ééndimensionale homo consumens. We worden een mens zonder eigenschappen, we worden zelf naamloos, een product.

De stedelijke mens internaliseert daarmee de dictatuur van de oppervlakte, de terreur van het Niets. En ondanks de economische crisis lijkt het verlangen naar het meedoen in de ratrace van het verlangen maar moeilijk te weerstaan. Want wat effectief wordt aangepraat is dat je tekortschiet als je als individu niet meedoet. Op=Op! Nu of nooit! Live life to the Max! De state of emergency is permanent. De vooruitgang wacht niet, ze wil door. Niet meedoen wordt vertaald in een verlaging van de snelheid, je bent dan niet bij de tijd, ouderwets, uit de mode, achtergebleven, niet modern of zelfs achterlijk, anti-modern, of anti-westers. Het hype-kapitalisme draait op het omzetten van de aangeprate morele schuld in financiële schuld.
Liever steken mensen zich financieel in de schulden, zelfs tot een kredietcrisis aan toe, dan de sociale hoon van het niet kunnen meedoen over zich heen te krijgen. En dus gaat de stedelijke westerse mens met zijn tijd mee. Hij internaliseert de commerciële heerschappij door zich in de publieke ruimte te presenteren als aantrekkelijk modieus en vooral ook jeugdig product van de vooruitgang: het zelfverrijkende graaien naar aandacht. Wat ben ik waard? Wat is mijn marktwaarde? Wat is mijn imago in de ogen van de Ander? De stedelijke mens is daarmee zelf ook een schouwspel, een spektakel van verlangen en van afkeer.
We keren terug naar wat persoon, persona, letterlijk ooit betekende, namelijk masker. Het masker fungeert als een bescherming van ons naakte zijn. Het dekt de leegte toe. Thuis ben je naakt, dat wil zeggen, a-politiek en vaak zonder make-up en in bed vaak zelfs onder kleren. Maar als je, zoals dat heet, 'de stad ingaat’, dan kleed je je aan, draag je make-up, sommigen dragen letterlijk een masker omdat ze een vrijgezellenfeest in de stad vieren en anderen durven pas in de stad te verschijnen na een extreme make-over. Masker, make-up, make-over, de angst voor de leegte, het Niets, de horror vacui, heeft ons stevig in de greep.
De stadsmens is bereid zijn of haar identiteit en buitenkant letterlijk en extreem te fabriceren en te modelleren naar de telkens veranderende wensen van het gecommercialiseerde ideaalbeeld. Het is zoals filosoof Henk Oosterling het omschreef: het Dasein is Design. De homo Faber, de makende mens, van vandaag is niet de klassieke arbeider van objecten buiten zichzelf, zoals Marx en later Arendt die voor ogen hadden, maar de neo-moderne versie daarvan, een 'consumens’ die zichzelf fabriceert: de Homo Faber 2.0. Zijn eigen lichaam en zijn gezicht worden zijn werkmateriaal. Hij maakt zichzelf permanent new en improved, in de valse veronderstelling dat zelffabricage echte vrijheid is en in de verbeelding dat hij daarmee uniek wordt. Maar dat is een vals beeld. Want in werkelijkheid wordt het verlangen niet minder. Het ideale spiegelbeeld is een illusie, is altijd een ander.
Door de fabricage van onszelf in een masker wordt de stad in toenemende mate een decor, een theater waarin we een rol spelen. Kan ik u helpen of kijkt u nog even rond? Hebt u al een keuze kunnen maken? Heeft het gesmaakt? De ober, de winkelier, de consument, we spelen allen een eendimensionale rol in de binnenstad. En zij die weigeren mee te spelen in dit commerciële theater of niet kunnen meespelen, worden onderdrukt of geweerd. Of op YouTube gezet. Want niet alleen worden we door de camera van de overheid gevolgd, maar steeds meer en steeds vaker volgen we ook elkaar met onze mobiele cameraatjes in de hand. De filmpjes zetten we, zeker als het om bekende personen gaat, vervolgens op YouTube. We worden acteurs, spektakelmensen die kijk- en verkoopcijfers volledig geïnternaliseerd lijken te hebben. De stad is daarmee een theater geworden dat vol is van het Niets: Much Ado about Nothing. Kortom, het gaat in de stad van 2010 om veel meer dan alleen een herstel na een crisis. Want het is niet vanzelfsprekend dat wij een stedelijke publieke ruimte hebben gecreëerd waarin er ongelooflijk veel geld gespendeerd wordt aan de productie van een theatraal en uitvergroot Niets. Om de consument zich te laten wentelen in een decadente verwennings- en verspillingsruimte en de ander, de concurrent, letterlijk het brood uit de mond te stoten.
Met Peter Sloterdijk moet je daarom constateren dat de Grote Verhalen nog niet voorbij zijn. Het zwakke punt van de Grote Verhalen, aldus Sloterdijk, 'is allerminst dat ze te groot waren, maar dat ze niet groot genoeg waren’. Veel meer dan tot nu is gebeurd zou de stad onderwerp moeten zijn van een fundamentele politiek-filosofische herijking. Maar de campagnes, ook die voor de landelijke verkiezingen, prevelen tot nu toe nog altijd de mantra van het eigen economische groeicijfer. Ongebreideld egoïsme en economisch utilitarisme voeren nog steeds de boventoon. Het is eigen groei eerst. Eigen banken eerst. En eigen partij eerst. Terwijl de crisis juist veroorzaakt werd door precies dat: ongebreidelde hebzucht. Daarmee draait de creatieve destructie van de verlangenmachine gewoon door. En lijken we niets te leren van de crisis. Het is wachten op de politicus die het aandurft om in de nieuwe lente een nieuw geluid te laten horen. Een nieuw verhaal, voorbij de crisis.

Henk van Houtum is politiek geograaf aan de Radboud Universiteit Nijmegen