televisie: De baby

Op schoot bij Anne Frank

Zwaartepunt in de tv-programmering op 4 mei is een documentaire van Deborah van Dam: De baby. Dat kindje zit op een foto uit 1942 op schoot bij een meisje van twaalf. Sprekend Anne Frank. Die blijkt het ook te zijn, al kon Anneke Köhnke, ruim zeventig en ‘de baby’ van toen, dat aanvankelijk nauwelijks geloven.

Ze had als kind zoveel gefantaseerd over wie ze was (de dochter van Juliana, in veiligheid gebracht in de VS om later koningin te kunnen worden), dat een band met de Franks in diezelfde categorie leek te passen. Maar de foto blijkt door Otto gemaakt in zijn huis aan het Merwedeplein, toen de Köhnkes, Duitse vluchtelingen, daar inwoonden, kort voor Franks onderduik op de Prinsengracht.

De Frank-connectie alleen al zou de film opzienbarend maken, maar is slechts één van de verbluffende zaken waarop Deborah van Dam in haar ontrafeling van Anneke’s verhaal stuit. Zelfs het ontstaan van de film is bizar: de maakster hoorde tijdens ziekenhuisbezoek een patiënt zeggen ‘ik heb mijn baby gevonden na 65 jaar’. Dat was Cora de Jong, 92, die destijds Anneke bij haar ouders weghaalde en naar een gezin in Voorburg bracht: een baby zou iedereen in gevaar brengen op het Veluwse onderduikadres waar de ouders terecht konden. En waar ze desondanks gepakt werden door onvoorzichtigheid van papa Köhnke. Dood dus.

In 2011 kreeg Cora op de Israëlische ambassade de Yad Vasheem-onderscheiding, tegelijk met, postuum, Johannis en Jacoba Blacquière die het kind in hun gezin hadden opgenomen. Anneke kwam ervoor over uit de VS waar ze kort na de oorlog door een oom en tante van moeders kant was opgenomen. We zien haar een indrukwekkend dankwoord aan koerierster en ­pleegouders uitspreken en prompt onwel worden. Wat de ambiguïteit van dit hele verhaal belichaamt. Ze heeft nauwelijks herinneringen aan haar eerste zes jaar, laat staan aan haar redders. Er zijn wat vage, akelige flarden, mede fundament voor een ‘tragisch levensgevoel’ en gebrek aan zelfrespect. Ze bedankt officieel omdat ze zich verplicht voelt aan wie haar recent heeft opgespoord, zoon Blacquière, die haar als ‘pleegzus’ ziet – wat formeel mag kloppen maar waar ze niets bij voelt. Het voelt als een ongewenste intimiteit die er vooral op gericht is zijn ouders door Israël te laten eren. Met succes. In hoeverre die beloning terecht is wordt in het vervolg steeds twijfelachtiger.

Het zou een louter gruwelijke film zijn, als daar niet die bescheiden, intelligente, geestige, melancholieke, argwanende, soms vlijmscherpe hoofdpersoon was van wie je gaat houden. Die het zo slecht trof door walgelijk nazisme, maar ook in de onderduik. En zelfs later bij haar Amerikaanse familie die haar verlangen iets over haar ouders te weten systematisch frustreerde. Met goede bedoelingen en treurige gevolgen. De film is als detective opgebouwd en krijgt tegelijk betekenis die de anekdote, hoe gruwelijk ook, ver overstijgt.

Voorafgaand een ook aan te bevelen documentaire die alleen al draaglijker is doordat de erin gereconstrueerde vluchtpoging van het joodse echtpaar Winkel slaagde. Reisdoel Engeland haalden ze niet, Zwitserland wel. Zoon Bau, levend bewijs van dat succes, maakte de reis door Frankrijk na op basis van vaders vluchtdagboek in stripvorm. Dat succes berust mede op de hulp die ze van talloze onbekenden onderweg kregen; en op het feit dat ook wie niet hielp hen niet verried. Niks grijs verleden.

Ger Poppelaars, Vlucht uit Holland, VPRO, zaterdag 4 mei, Nederland 2, 21.00 uur. Deborah van Dam, De baby, Joodse Omroep, zaterdag 4 mei, Nederland 2, 22.35 uur