Opheffer

Op Soho Grand Hotel

New York – Er is een party boven op Soho Grand Hotel op Broadway-West. Sony Pictures heeft voor ons drie suites met dakterras afgehuurd. Volgens de jongens van NY1 – het AT5 van New York – zijn wij de hottest ticket in town, maar dat zeggen ze altijd. Er zijn veel ‘celebs’, maar ik herken alleen wat mensen van The Sopranos.

Er zijn ook journalisten. Ik spreek er een aan. Hij is van The New York Times, maar vraag mij niet naar zijn naam, rang of nummer – ik weet het niet, hoewel hij zich drie keer heeft voorgesteld. Ik denk dat hij Thomas heet.

We praten over de presidentsverkiezingen. Weet Thomas al wat hij gaat stemmen?

‘Ik weet het echt niet. Echt niet’, zegt hij.

‘Wij denken in Nederland dat het gaat tussen Obama en Hillary’, zeg ik.

Hij schudt zijn hoofd: ‘Zoals het er nu voorstaat, geef ik mijn stem aan Edwards.’ Hij legt omstandig uit dat Obama het niet zal worden, want een neger en te weinig ervaring, en dat Hillary het niet wordt, omdat zij een vrouw is die te veel alle standpunten heeft ingenomen. ‘Flip flop’ is de term die hierbij valt. ‘Maar het zou me ook niets verbazen als opeens Al Gore weer komt opdagen. Die wacht af. Zijn grootste kracht is afwachten. Hij wil zeker weten dat hij gekozen wordt.’

De verkiezingen spelen wel in New York. Al snel staan we met een groepje bij elkaar: journalisten, regisseurs, scenaristen, acteurs en actrices. Een actrice vertelt hoe overweldigend het charisma van Obama is. Maar toch, zegt ze, zal ze niet op hem stemmen. Hij beweegt zich maar in het midden, en dat is niet wat Amerika op dit moment nodig heeft. De anderen knikken. Er wordt veel gerefereerd aan Thomas Friedman en zijn theorie over de platte aarde. Iemand grapt dan: ‘De beste president voor ons land is een Chinees of iemand uit India.’

‘Of een Oost-Europeaan.’

‘Of een Ier… Met Ierland gaat het ook goed.’

De actrices die om ons heen staan hebben jaren geleden voor Al Gore gefolderd of voor zijn campagneteam gewerkt. Het valt me op hoe betrokken iedereen hier bij de politiek is. Bush wordt gezien als een absolute psychopaat, de slechtste president ooit. Maar over Irak is men genuanceerd. ‘We hadden daar al weg moeten zijn.’ De Republikein in ons midden – een scenarist – vindt dat Democraten en Republikeinen op het ogenblik veel overeenkomsten vertonen in hun agressie tegen Bush. En ook hij weet niet wie hij moet kiezen. Giuliani, de oud-burgemeester van New York, deugt echt niet en McCain is eigenlijk een nicht. ‘We missen een leider’, zegt iemand, ‘een man of een vrouw met visie.’ Weer valt de naam van Edwards. Die naam wordt gebruikt zoals in Amsterdamse kroegen over Rouvoet werd gesproken: ‘In ieder geval integer.’

Het is trouwens sowieso of ik hoor praten over de Nederlandse verkiezingen en ik zeg dat ook. Niemand weet hier wie Balkenende is – wel kent iedereen Pim Fortuyn. Als ik vertel over Pim (homo, twee hondjes, liever darkroom dan kerk), grijpt men naar zijn hoofd. ‘Als hij minister-president was geworden, zou ik naar Nederland verhuizen’, zegt een acteur. ‘Ik zou Nederland niet meer vertrouwen’, zegt een actrice. Ze gaan met elkaar praten. Onderwerp: een homo heeft geen gezag in de wereld, een homo kan geen Amerikaans leger aanvoeren. Ik hoor de nicht zeggen: ‘De helft van de generaals is homo. Al die prachtige uniformen… Daar kicken alleen generaals en homo’s op!’

‘Amerika is in crisis’, fluistert de journalist me toe, ‘wie het goed heeft doet niets meer, wie het slecht heeft doet niets meer, en het midden doet daarom ook maar niets meer, want die zijn bang dat ze binnenkort naar China of India worden ge_outsourced_.’

Het was een schitterend feest, overigens.