Op patrouille met de Amerikanen

Op strafexpeditie in Irak

Met uiteenlopende middelen, variërend van een Sinterklaas-aanpak tot psychologische operaties met een hoog schoonmaakgehalte, proberen de Amerikaanse troepen vat te krijgen op de sterk verdeelde Irakezen. Maar er is geen blauwdruk; iedereen doet maar wat.

BAGDAD — Het kleine stenen huisje met het dak van stro is geen partij voor het Amerikaanse M113-pantservoertuig. Met een geweldig gekraak gaat het winkeltje van Mohamed al-Asawari tegen de vlakte. De Amerikaanse soldaten bovenop het pantservoertuig hebben er het grootste plezier in; sommigen onder hen maken souvenirfoto’s. De Iraakse omstanders staan er een beetje gelaten naar te kijken.
Mohamed al-Asawari heeft pech gehad vandaag. De Amerikanen hadden net besloten dat ze hem nog maar eens het voordeel van de twijfel zouden gunnen toen hij zei dat die pro- Saddam-graffiti op zijn gevel echt niet van hem was. Maar toen was Hiwa, de Koerdische tolk van de Amerikanen, nog even binnen gaan kijken. Hij had een schoolschrift gevonden waarin Mohamed de slogan op de gevel in twintigvoud had gerepeteerd, alsof het een wedstrijd in schoonschrift betrof: «Saddam is de heroïsche leider van een laf volk. Saddam is de heroïsche leider van een laf volk. Saddam…» Mohamed kreeg nog vijf minuten de tijd om zijn koopwaar in veiligheid te brengen.
Het is onze derde halte vandaag op de psyops-missie (psychologische operaties) van het Eerste Bataljon Achtste Infanterie (1/8ste). Het dorp heet Albu Hishma, maar de Amerikanen hebben het «Tupac» genoemd, naar de doodgeschoten rapzanger Tupac Shakur. «Dat komt omdat het dorp op onze kaarten Albu Shakur heet», zegt specialist Brad Lewis. «Wij hebben er dan maar Tupac van gemaakt.»
Het valt te betwijfelen of er in Albu Hishma iemand ooit van Tupac Shakur heeft gehoord: de Amerikaanse popcultuur staat hier niet bepaald hoog aangeschreven. Albu Hishma ligt diep in de beruchte «soennitische driehoek», het gebied ten noordwesten van Bagdad dat de machtsbasis vormde van het regime van Saddam Hoessein. Nu is het een haard van verzet tegen de VS-aanwezigheid in Irak.
Wat president George W. Bush ook mag beweren, voor de Amerikaanse soldaten in de soennitische driehoek is het nog elke dag oorlog. Rondom de basis van het 1/8ste, in een school net buiten de regionale hoofdstad Balad, wordt momenteel een metershoog net opgetrokken om handgranaten tegen te houden. Maar het net biedt geen bescherming tegen mortiergranaten.
Nog geen vijftien minuten na mijn aankomst waren er al twee granaten gevallen. Ze hadden de basis gemist en waren in een veld vlakbij gevallen. De buren van de Amerikanen zijn wijselijk verhuisd. Zodra ze zich buiten «the wire» begeven, kunnen de Amerikanen op elk moment een aanslag met granaatwerpers verwachten of met een IED, Improvised Explosive Device. Die laatste kan zich in een leeg Pepsi-blikje bevinden of ingegraven zijn in het wegdek, meestal van afstand bediend. Sinds kort hebben de kinderen er een sport van gemaakt om nep-IED’s langs de weg te plaatsen om de Amerikanen schrik aan te jagen en hen tijd te doen verliezen. «Je zou het niet zeggen als je de kinderen vrolijk naar ons ziet zwaaien», zegt specialist Bryan Bledsoe terwijl we in zijn humvee door Albu Hishma rijden. «Maar de laatste keer dat we hier waren zijn we in een hinderlaag gevallen, en toen we het dorp verlieten lag er een IED op ons te wachten.»
De Amerikanen zullen zich vandaag niet geliefder hebben gemaakt bij de bewoners van Albu Hishma. Dit is een strafexpeditie. Albu Hishma is een van de plaatsen van waaruit dagelijks mortiergranaten worden afgevuurd op de logistieke steunbasis Anaconda, een immense militaire basis van het Saddam-regime die nu aan het uitgroeien is tot het grootste Amerikaanse kamp in Irak. En daar moeten ze in Albu Hishma vandaag voor boeten.
«Ik vind het erg dat de kinderen dit allemaal moeten zien», zegt Bledsoe. «Maar we hebben geprobeerd om deze mensen te helpen en ze hebben ons bedankt door op ons te schieten. Nu proberen we het eens op deze manier. We willen duidelijk maken dat er een prijs betaald moet worden voor het steunen van de terroristen.» Het volgende gebouw dat tegen de grond gaat is een schijnbaar leegstaande opslagplaats waarop in het Engels «Yes, yes, Saddam» en «Down with USA» staat geschreven. Anderen komen ervan af door de graffiti met een steen uit te krassen of te bedekken met modder.

Telkens is het Hiwa, de jonge Koerdische tolk van de Amerikanen, die als eerste uit de humvee springt wanneer hij weer eens een pro-Saddam-slogan heeft gezien. Dan vliegt hij furieus op de bewoners van het huis af en begint hen voor rotte vis uit te schelden. Soms moeten de Amerikanen hem intomen, anders zou hij hen te lijf gaan. «Vandaag was een goede dag voor mij», zal Hiwa achteraf zeggen. «Je moet begrijpen: ik heb heel mijn leven als Koerd geleefd in gebied dat door Saddam werd gecontroleerd. Ik haat die mensen.»
Hiwa werd in juni door het 1/8ste opgepikt in het oosten van Irak, en heeft hen sindsdien niet meer verlaten. Zijn Engels is doorspekt met soldaten_slang,_ en hij droomt maar van een ding: naar Amerika emigreren. Ondertussen amuseert hij zich kostelijk. «De Amerikanen betalen mij zeshonderd dollar per maand. Als ik terug naar mijn dorp ga, moet ik de meisjes van mij afslaan.»

De bevolking van Albu Hishma heeft zich vandaag bepaald niet geamuseerd. Op onze psyops-missie hebben we een muur, Mohameds winkeltje, de opslagplaats en twee huizen gedeeltelijk verwoest. In één huis werden Saddam-posters aangetroffen, wat voor de Amerikanen genoeg reden was om de oudste aanwezige man mee te nemen en op te sluiten in het «mini-Guantánamo» achter de basis. De missie paste in het beleid dat de Amerikanen van het 1/8ste hier voeren sinds hun aankomst in juni.
In de regio Balad troffen ze een bijzondere situatie aan. Hoewel Balad diep in de «soen nitische driehoek» ligt, is Balad zelf overwegend sji’itisch en pro-Amerikaans, maar de stad is omringd door wat de Amerikanen een «donut» noemen van soennitische dorpen, waar Saddam Hoessein nog hoog in aanzien staat. «De bevolking van Balad-stad heeft ons ontvangen als rocksterren», zegt luitenant-kolonel Nate Sassaman, de bevelhebber van het 1/8ste. «Binnen in de donut is nog nooit een schot op ons gelost. En onze politiek is vanaf het begin geweest: wie niet op ons schiet, die wordt beloond.»
Dus hebben de Amerikanen kwistig met geld gestrooid in Balad-stad, 1,2 miljoen dollar tot dusver; de elektriciteit- en watervoorziening is hersteld, scholen zijn gerenoveerd. De soennitische dorpen, anderzijds, worden gestraft. Er zijn zo goed als geen reconstructieprojecten, de avondklok wordt er afgedwongen vanaf zeven uur, en er is hooguit vier uur elektriciteit per dag.
En dan zijn er de psyops-missies. De operatie in Albu Hishma werd voorafgegaan door een actie van het «Lightning Platoon» van het 1/8ste, dat de «Eagle Play»-prijs van de dag had ontvangen voor «het afvuren van witte fosforgranaten in de velden ten zuiden van Albu Hishma, waardoor verschillende aren vegetatie werden afgebrand», wat «extra gewicht» had gegeven aan de psyops-actie van vandaag. «Ik weet wel dat dit niet bepaald het signaal uitstuurt dat wij hier zijn om de mensen te helpen», geeft luitenant-kolonel Sassaman toe. «Je zou zelfs kunnen zeggen dat sommige van onze tactieken dezelfde zijn als die van Saddam. Maar het stuurt wel het signaal uit dat wij ons niet ongestraft laten bedreigen. Vergeet niet dat wij al elf gewonden hebben gehad sinds we hier in juni zijn gekomen.»
Psyops is een erfenis van de Vietnamoorlog. In een poging om de «hearts and minds» van de Zuid-Vietnamezen voor zich te winnen, gaven de Amerikanen destijds hulp aan dorpen die zich distantieerden van de Vietcong. Maar psyops had altijd een schaduwzijde: dorpen die niet met de Amerikanen wilden samenwerken werden afgestraft, soms op gruwelijke wijze. Kapitein Gerard Walsh geeft toe dat de _«hearts and minds»-_campagne in Vietnam «uiteindelijk niet het beoogde resultaat heeft gehad. Maar het is niet omdat we de oorlog hebben verloren dat de tactiek op zich geen positieve resultaten heeft gehad.»
Walsh, in het burgerleven een brandweerman in Yarmouth, Massachussets, is lid van de Civil Affairs-eenheid van het 1/8ste en in die functie verantwoordelijk voor het positieve deel van de _«hearts and minds»-_campagne. We maken een rondrit door Balad, gaan langs de bank om de overschakeling van de nieuwe dinar te bespreken, langs een school om te kijken of de renovatiewerken degelijk zijn uitgevoerd, een beleefdheidsbezoekje bij de burgemeester.
Walsh, de man die de centen uitdeelt, is zonder twijfel de populairste Amerikaan in Balad. Maar samenwerken met de Amerikanen is niet zonder gevaar. Wanneer we bij burgemeester Nibil Dawash worden ontvangen, zegt hij dat zijn personeel die ochtend twee handgranaten en een hoeveelheid dynamiet heeft ontdekt bij de voordeur van het gemeentehuis. Het was niet de eerste keer: enkele weken eerder werd het kantoor van de burgemeester al aangevallen met RPG’s, granaatlanceerders. «Het zal niet de laatste keer zijn ook», zegt Dawash. «Ik ben niet bang. Wie vandaag de dag bang is in Irak, die krijgt niets gedaan.»
De burgemeester staat vierkant achter de harde aanpak van de Amerikanen in de soen nitische dorpen. «Die mensen steunen het terrorisme. Ze verdienen niet beter dan dood geschoten te worden.» Maar hij weigert de situatie in en rond Balad te herleiden tot een confrontatie tussen pro-Amerikaanse sji’ieten en anti-Amerikaanse soennieten. «De terroristen zijn oud-leden van Saddams Baath-partij uit Falluja en Ramadi, en wahabieten, religieuze fanatici die steun krijgen uit Saoedi-Arabië. We moeten heel streng zijn met deze mensen, wil Irak een toekomst hebben.»

Of de Amerikaanse Sinterklaas-aanpak «wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe» enige vruchten afwerpt bij de soennieten in de regio is twijfelachtig. Een week na de raid, zonder Amerikaanse soldaten deze keer, lijken de inwoners van Tupac/Albu Hishma in elk geval nog niet echt overtuigd. Niet als men het honderdtal kinderen als maatstaf neemt dat mijn auto omsingelt onder het zingen van het refrein: «Wij zullen blijven vechten voor Saddam tot de laatste druppel van ons bloed is vergoten.» En al helemaal niet als men de 55-jarige Hassan Ali Hamoud neemt, die trots naar zijn tienjarige zoon Maher wijst als de auteur van de slogan «Lang leve Saddam!» op de gevel van het ouderlijk huis.
Dat huis heeft twee kamers minder sinds het bezoek van de Amerikanen, maar Maher heeft er geen standje voor gekregen, integendeel. «George Bush is a donkey», zegt Maher fier in het Engels. «Ze zullen ons nooit afleren om van Saddam te houden», zegt zijn papa. Maher mag dat nog doen, anti-Amerikaanse slogans spuiten, maar dan liever toch niet meer op het ouderlijk huis. «We zijn niet dom», zegt Ali Hamoud. «Straks staat er geen huis meer overeind in het dorp. Nee, we doen het nu op de muur van de school die de Amerikanen zo mooi wit hebben geverfd.»
De schoolmuur: het is niet luitenant-kolonel Sassamans favoriete gespreksonderwerp. De school was een van de weinige reconstructieprojecten die hij had toegestaan in Albu Hishma. Maar de maagdelijk witte muur bleek al snel onweerstaanbaar voor de plaatselijke graffitispuiters. Elke nacht schrijven ze er in grote rode letters «Down USA!» en «Yes, yes, Saddam!» op. En elke ochtend verplichten de Amerikanen de Iraakse politie om de muur te herschilderen. «Nee, we gaan niet de muur vernielen van de school die we zelf hebben laten renoveren», vloekt Sassaman. «We gaan hem elke dag opnieuw laten schilderen, net zo lang als nodig is.»
De gelijkenis tussen de Amerikaanse aanpak hier en de gewoonte van het Israëlische leger om de huizen te verwoesten van Palestijnen die worden verdacht van steun aan het terrorisme, is de Irakezen niet ontgaan. «Wij zijn erger af dan de Palestijnen nu», zegt Ali Mahmoud in Albu Hishma.
In het naburige Aduluwiya is de 22-jarige Mohamed Ali Sadoun nog categorischer. Vorige week hebben de Amerikanen zijn palmboomgaard verwoest omdat de pro-Saddam-guerrilla’s hem als beschutting gebruikten om Amerikaanse konvooien op de hoofdweg aan te vallen. «Wat mij betreft is het Israël zelf dat mijn boomgaard heeft verwoest», zegt Ali Sadoun. Het duurde drie dagen vooraleer de Amerikanen alle duizend palmbomen hadden ontworteld die sinds vijftig jaar in het bezit waren van zijn familie. En toen Ali Sadoun vroeg of hij ten minste eerst de dadels mocht oogsten, werd dat geweigerd. «Ik haatte de Amerikanen tevoren al», zegt hij, «maar nu haat ik ze nog meer. Ik ga mijn kinderen en hun kinderen leren om de Amerikanen te haten tot het einde van hun dagen. Zelfs als ze onze straten met goud plaveien, hoeven we ze niet meer.» Volgens Ali Sadoun steunt iedereen in Aduluwiya, «op een handvol spionnen na, de mujahedien in hun strijd tegen de Amerikanen».

«O_h say, can you see, by the dawn’s early light…»_ De doordringende stem van Whitney Houston galmt uit de luidsprekers van een humvee terwijl een deel van het 1/8ste ter attentie staat in de Iraakse zon, die zelfs op dit vroege uur al verzengend is. Korporaal Unversagt mag vandaag naar huis, en dat wordt gevierd met een speech van de bevelhebber en het spelen van de Star Spangled Banner, het Amerikaanse volkslied, in de uitvoering van Whitney Houston omdat luitenant-kolonel Sassaman een grote fan is van de r&b-diva.
Sassaman heeft gevoel voor drama. Voor dit soort gelegenheden heeft hij speciaal een steen meegenomen naar Irak die hij heeft opgeraapt tijdens een bezoek aan Utah Beach, een van de stranden in Normandië waar meer dan een halve eeuw geleden de toenmalige 1/8ste Infanterie aan de bevrijding van Europa begon. «Wanneer je tachtig bent zul je in je schommelstoel in de veteranenpost met plezier terugdenken aan je ervaringen hier, net zoals de veteranen van Utah Beach», spreekt hij tot korporaal Unversagt, die een beetje verlegen knikt. En tot zijn manschappen: «Mijn enige doel is ervoor te zorgen dat jullie allemaal levend terug naar huis gaan. Tot nu toe is dat goed gelukt.»
Dit soort uitspraken, en zijn harde aanpak van de Saddam-aanhangers, maken de bevelhebber erg geliefd onder zijn manschappen. Maar privé geeft Sassaman toe dat hij het soms ook niet meer weet. «Wat doe ik hier?» zegt hij minuten later vertwijfeld na afloop van een onderhoud met drie plaatselijke sjeiks die over de gasbevoorrading komen praten. «Waar is het State Department, waar zijn de NGO’s? Dit is niet waar wij voor opgeleid zijn. Wij zijn getraind om mensen te doden.»
Soms wordt het hem te veel. Nadat hij de drie sjeiks eerst beleefd welkom heeft geheten, zegt hij tegen een van hen: «Hoe lang is het geleden dat jij nog op ons hebt geschoten, hè, asshole»? De tolk doet er wijselijk het zwijgen toe.
«Het spijt me, soms wind ik mij op», verontschuldigt hij zich achteraf. «Maar van die eerste van rechts vermoeden we al een tijd dat hij verantwoordelijk is voor een deel van de aanslagen tegen ons. Hij weet het nog niet maar hij gaat hier niet meer weg.»
Wat het er niet makkelijker op maakt, is dat het Amerikaanse leger geen enkele blauwdruk heeft voor wat van de troepen op het terrein wordt verwacht. Iedereen doet maar wat. Zo komt het bijvoorbeeld dat Balad straks een bestuurlijk systeem zal hebben dat gebaseerd is op Yarmouth, Massachussets, alleen maar omdat kapitein Walsh zijn eigen stadje als voorbeeld heeft genomen.
Ook Sassamans _«hearts and minds»-_beleid is nattevingerwerk, en de commandant geeft toe dat het eigenlijk al gefaald heeft. «Onze eerste aanpak heeft niet gewerkt», zegt hij. «We hebben vastgesteld dat de aanhangers van het oude regime het feit dat wij de sji’ieten in Balad bevoordeelden hebben aangegrepen om de bevolking in de soennitische dorpen tegen ons op te jutten.»
Deze week heeft Sassaman daarom voor het eerst toestemming gegeven aan de Civil Affairs-eenheid om een aantal reconstructieprojecten op te zetten in Albu Hishma en gelijkaardige dorpen. «Ondertussen blijven we jagen op mensen die vanuit die dorpen op ons schieten.»

Het is drie uur ’s ochtends en ik zit achter op een humvee in een konvooi van drie humvees en vier Bradley-pantsers op weg naar het gehucht Aziz Balad. De soldaten rond mij hebben hun nachtkijkers op want we rijden met gedoofde lichten. Naast mij zit de Iraakse informant wiens inlichtingen aan de basis liggen van de raid; hij heeft een zwarte skimuts op die over zijn gezicht zal worden getrokken zodra we het huis zijn binnengevallen.
Een half uur geleden heeft kapitein Matthew Cunningham van de Alpha Company mij de operatie uit de doeken gedaan. «We hebben uit drie verschillende bronnen vernomen dat deze familie achter een reeks aanvallen op Amerikaanse konvooien in Aduluwiya zit. Ze slaan daar toe zodat mensen hen niet zouden herkennen. Bij een van de aanvallen hebben ze in vol daglicht zes RPG’s afgevuurd op een konvooi van vrachtwagens, een soft target. Een van de soldaten in het konvooi ligt nog altijd in coma.»
Hij toont mij een pamflet waarin de groep, die zich de «Elf September Revolutionaire Beweging» noemt, de aanslag in kwestie heeft opgeëist. Het logo is een combinatie van een skimuts, symbool voor de zogeheten Fedaheen, Saddams paramilitaire stoottroepen, de Iraakse en Palestijnse vlaggen en een vers uit de koran. «De leider van de groep hebben we al in hechtenis, we zijn nu op zoek naar twee van zijn broers.»
Cunnigham houdt niet van het woord «raid». «Dat is een vies woord hier», zegt hij, «ik geef de voorkeur aan de termen ‹cordon & search›.» Hij legt uit hoe dat in zijn werk gaat. «Eerst nemen de humvees zo geruisloos mogelijk posities in rondom het huis om te voorkomen dat mensen kunnen ontsnappen. Dan komt de Bradley.» Wanneer de Amerikanen bij een verdachte aankloppen, bellen ze niet aan: ze gaan los door de buitenmuur met een pantservoertuig. «Het is niet dat we al schietend binnenvallen», zegt Cunningham, «maar ja, we proberen ze de stuipen op het lijf te jagen. Wanneer je mensen wakker maakt met een Bradley-tank zijn ze doorgaans zo verbouwereerd dat ze geen tijd hebben om op ons te schieten. We hebben dit al 27 keer gedaan en er is nog niet een keer op ons geschoten.»
Maar mooie theorieën vallen soms in duigen op het terrein. Om te beginnen maken de humvees alle honden in het dorp wakker. Vervolgens ramt de Bradley het verkeerde huis. Tegen de tijd dat het pantservoertuig zich uit de brokstukken heeft losgemaakt en het juiste huis heeft geramd, is de hoofdverdachte al gaan lopen. Uiteindelijk worden twee broers gearresteerd, waarvan er een tot de topverdachten behoort. In het huis worden Saddam-foto’s aangetroffen en een officieel document waaruit blijkt dat het huis ooit een geschenk van Saddam Hoessein is geweest. Maar het doorzoeken van de koer met metaaldetectoren levert niets op; vermoedelijk zijn de wapens een eind verderop in een veld begraven.
«Vergissingen zijn menselijk», zegt kapitein Alex Williams de volgende dag. Als de S2-inlichtingenofficier van het 1/8ste is het Wil liams’ taak om te achterhalen wie de vijand is. En zoals alles hier gaat dat met vallen en opstaan. «We zijn behoorlijk succesvol geweest in het opdoeken van vijandelijke cellen», zegt Williams. «Maar we weten dat we zodoende een deel van de bevolking tegen ons hebben opgezet.»
De familie wiens huis de nacht tevoren per vergissing werd geramd, kan bij de Iraakse politie een schadeclaim indienen. «We proberen die zo correct mogelijk af te handelen», zegt Williams, want vooral in het begin zijn er veel fouten gemaakt omdat de Amerikanen al te veel vertrouwden op Iraakse informanten. «Mensen kwamen naar ons om deze en gene aan te geven als een hooggeplaatste Baath-functionaris. Wij ernaartoe. Na een tijdje krijg je dan in de gaten dat alle verdachten tot een en dezelfde stam behoren, en dat we misbruikt zijn geweest in een plaatselijke vendetta. Ondertussen heb je wel een hele stam tegen je in het harnas gejaagd.»

Williams meent dat de grootste bedreiging voor de Amerikanen «de alliantie is tussen gewezen Baath-partijleden en extreme religieuze groeperingen. We denken dat Saddams mensen deze groeperingen geld toestoppen omdat zij hetzelfde doel hebben en dat is de Amerikanen uit Irak doen vertrekken. Ze moesten eens weten», voegt hij eraan toe, «dat elke Amerikaanse soldaat in Irak van precies hetzelfde droomt.»
Er zijn zekere aanwijzingen, zegt hij, dat het oude regime een plan had om het verzet te organiseren na het einde van de conventionele oorlog, en dat dorpelingen zo weinig als vijftig dollar krijgen om op de Amerikanen te schieten, en zoveel als vijftienhonderd dollar als ze er een kunnen doodschieten. Dat geld moet ergens vandaan komen. Op lokaal vlak is er een afdeling van het zogenoemde Leger van Mohammed, volgens Williams een relatief grote cel die zich uitstrekt tot Samarra, en de Elf September Revolutionaire Beweging van de nacht tevoren. «Maar persoonlijk hecht ik niet zoveel belang aan namen. In dit land volstaat het dat drie gasten samenkomen in een kamertje en, hup, een nieuwe groepering is geboren.»
In een huis aan de Tigris, ergens in de regio van Balad, zitten precies drie van zulke gasten bijeen in een kamertje. Alledrie zeggen ze dat zij «mujahedien» zijn op een persoonlijke jihad tegen de Amerikaanse aanwezigheid in Irak. Een van hen is een gewezen lid van de speciale Republikeinse Garde, Saddams persoonlijke lijfwacht. Een ander draagt het uniform van een Iraaks politieman. «Overdag werk ik samen met de Amerikanen», zegt hij, «’s nachts schiet ik op hen. Dat geldt voor de meeste politiemannen in deze streek.»
Hij beschrijft in geloofwaardig detail een van de acties waaraan hij heeft deelgenomen. Het was een mislukte actie omdat een spion uit het dorp hun positie had verraden aan de Amerikanen. «Toen de Amerikanen het vuur openden, heb ik mij een uur lang in een veld verstopt. Uiteindelijk heb ik het op een lopen gezet. Ik heb de rivier moeten overzwemmen om aan de Amerikanen te ontsnappen.»
De drie mannen geven toe dat hun organisatie maar klein grut is. «Een goeie maand na de val van het regime zijn wij met een aantal mannen uit het dorp samengekomen, in het geheim omdat we niet wisten wie we konden vertrouwen», zegt de gewezen soldaat. Ze zeggen dat ze geen weet hebben van een georganiseerd verzet door het oude regime. «Op een dag is hier een groep mannen uit Fallujah gekomen om een aanslag te plegen. Maar ze wilden ons niets vertellen. Net als wij hadden ze geheimhouding gezworen.»
De drie mannen vertellen allemaal stoere verhalen over de acties waaraan ze hebben deelgenomen of waarover ze hebben horen vertellen. Onveranderlijk hebben ze bij die acties telkens dozijnen Amerikaanse soldaten gedood. Hun relaas vloekt met de officiële dodencijfers die door het Amerikaans leger zijn vrijgegeven, en ze moeten wellicht met een berg zout worden genomen. De gewezen soldaat vertelt over een recente mortieraanval op het hoofdkwartier van het 1/8ste in Balad, de kazerne waar ik ben «ingebed». Het was een bijzonder succesvolle actie geweest, zei hij, met zware verliezen aan Amerikaans kant. In werkelijkheid hadden de aanvallers hun doel gemist: de granaten belandden in de stad waar ze twee Iraakse burgers doodden en zeventien verwondden.
Het is duidelijk dat het huis aan de Tigris niet het hoofdkwartier is van het georganiseerd verzet in Irak. Maar het is de vraag wat op termijn erger is voor de Amerikanen: een geheime organisatie, gefinancierd door het oude regime, of drie mannen in een kamertje die uit heilige overtuiging de wapens hebben opgenomen.
«Een burgeropstand is het niet», zegt luitenant-kolonel Sassaman stellig. «Ik geloof oprecht dat negentig procent van de Irakezen blij zijn met onze komst, en dat we er uiteindelijk in zullen slagen om de aanvallers uit te schakelen. Het probleem is dat veel mensen een afwachtende houding aannemen: ze zijn er nog altijd niet helemaal zeker van dat het oude regime verleden tijd is, en ze zijn bang om als Amerikaanse spionnen bestempeld te worden mocht Saddam ooit terug aan de macht komen. Daarom is het zo belangrijk dat we Saddam te pakken krijgen. Wanneer dat gebeurt gaan al die mensen een zucht van verlichting slaken. En dan zullen de Irakezen eindelijk kunnen beginnen met het opbouwen van het nieuwe Irak.»