Op voor het program

DE MOOISTE verkiezingsprogramma’s worden in vertwijfeling geboren. Dat was voor de verkiezingen van 1994 het geval bij de PvdA. Wat mensen bindt tilde de PvdA uit boven de fixatie op de onvermijdelijke electorale depressie. Dat programma was meer een essayistische beginselverklaring dan een catalogus. Tevergeefs bladerden vele belangstellenden door het geschrift op zoek naar specifieke uitspraken over hun specifieke onderwerp. De lezer trof er wel een poging in aan om de taak van de Nederlandse sociaal-democratie aan het eind van de twintigste eeuw te definiëren. Het verband met de uiteraard nogal concrete financiële paragraaf had dan ook iets willekeurigs. Het blijft een probleem om kwaliteit in kwantiteit uit te drukken.

Maar ook dit mooie verkiezingsprogramma kon de grootste nederlaag van de PvdA in haar geschiedenis niet verhinderen. Gelukkig verloor de grootste concurrent - het CDA - nog meer. En de vooruitzichten voor die partij zijn nu nog somberder.
Uit de huidige CDA-vertwijfeling is ook een mooi programma geboren. Samenleven doe je niet alleen is een communitaristisch pamflet. Het communitarisme is een school in de sociale filosofie die zich afzet tegen het individualisme van het dominante liberale denken. Maar het zet zich ook af tegen de liberale nadruk op procedures.
Die procedures zijn nodig om de individuen zo veel mogelijk te vrijwaren van andermans invloed op welke wijze iedereen zijn leven wil inrichten. Het gaat niet om de goede samenleving maar om het goede leven van de enkeling. Daartegen stellen communitaristen dat het individu ondenkbaar is zonder ouders, zonder gemeenschappelijke taal en zonder enige vorm van groepsverband. De mens is nu eenmaal een sociaal wezen. Politiek moet gericht zijn op de goede samenleving en niet alleen op de maximale vrijheid van de enkeling.
EEN PAAR JAAR geleden liet Bolkestein in een NRC-interview al weten dat hij zelf de nadruk op procedures als een inhoudelijk gemis ervoer. De agnost leek toen even het christendom te omarmen. Daarom heeft de liberale Teldersstichting zich gestort op een discussie over normen en waarden. In die discussie werd veel overhoop gehaald. De conclusie was: de politiek mag moraliseren. Anders gezegd: de liberale vrijheid moet door burgermansfatsoen aan banden worden gelegd. Maar de VVD-achterban kon met dat moralisme niet uit de voeten. Was het niet dezelfde Bolkestein die de CDA-minister van Justitie Hirsch Ballin ooit toevoegde dat het niet zijn taak was te moraliseren, maar boeven te vangen?
Boeven vangen is nu de taak van minister Sorgdrager. Als één partij in Nederland afkerig was van moralisme en als één partij zichzelf zag als politieke uitdrukking van de individualisering, dan was het D66. Uitgerekend bij deze partij is de VVD-discussie in vruchtbare bodem gevallen. De sociaal-liberalen ontdekken normen en waarden in hun verkiezingsprogramma. De paarse partij bij uitstek nestelt zich daarmee zo dicht mogelijk bij het CDA. Misschien is er wel een wetmatigheid: als partijen dreigen kiezers te verliezen, willen zij de kiezers veranderen. De burger moet zich schuldig voelen in zijn gebrekkige trouw aan de partij die hij ooit zijn voorkeur gaf.
NEDERLAND IS een consensusland. Het Centraal Planbureau geeft de programma’s een zegel van onpartijdige betrouwbaarheid. Het CPB geeft alle partijen een behoedzame ruimte van 5,5 miljard gulden. Dat is nog geen één procent van het nationaal inkomen bij de aanvang van de regeringsperiode. Maar ook de inhoudelijke marges zijn smal. De Emu-criteria bakenen de financiële grenzen af, eenmaal genomen nationale besluiten gelden als gegeven. Daarom blijven van de financiële ruimte van ruim 25 miljard slechts 5,5 miljard guldens over om een nieuwe bestemming aan te geven.
Daarnaast zijn er nationale taboes. Netto-lastenverhoging is uit den boze. Dat is merkwaardig, omdat de ongekende stijging van vermogens om een nieuwe belastinggrondslag (op basis van vermogensaanwas) vragen.
Nivellering is eveneens taboe. Rick van der Ploeg heeft ooit tot zijn verbazing ontdekt dat een Robin Hood-scenario - hogere belasting voor de rijken - voordelig is. Hij zal moeten accepteren dat in Paars het Robin Linschoten-scenario - omlaag met de toptarieven - meer kans heeft. Let maar op Robin Vermeend.
In deze consensus getuigt het haast van suïcidale moed van het CDA om geen belastingverlaging te beloven. Het is de moed der vertwijfeling. Het CDA heeft recht toe recht aan gekozen voor een anti-Paars programma. De consensuspartij polariseert. Tegen de electorale eensgezindheid. Die had het CDA ertoe kunnen verleiden om het poldermodel te annexeren. ‘Wij zijn de ware polder.’ Dat was de lijn van de kamerfractie. Oppositie vóór het regeerakkoord, die in '89-'94 wel succesvol was voor Van Mierlo.
DE KAMIKAZEKEUZE van het CDA - tegen de bestuurlijke technocratie van achterban en verleden - stelt de komst van de éénpartijstaat die professor Oerlemans voorzag, nog even uit tot na de verkiezingen. Want ook dit uit vertwijfeling geboren CDA-programma zal de onafwendbare nederlaag nauwelijks kunnen voorkomen. Daarvoor is het te zeer een breuk met het beeld dat het CDA heeft opgebouwd. In 1994 richtten de pijlen van Brinkman zich juist op het 'stroperige’ middenveld en op de sociale zekerheid. Het nieuwe programma staat daar haaks op. Maar: vertrouwen gaat te paard en komt te voet. Dat is de les die de PvdA uit 1994 heeft kunnen trekken.
De marathon van Kok is voor het CDA een voettocht naar Compostella. Als het CDA volhoudt, zal de pelgrimstocht eindigen als de voorraad aan gemeenschappelijkheid tussen Kok en de VVD is opgesoupeerd. Zo verging het ook het kabinet-Lubbers II (CDA en VVD). Als het CDA volhoudt, zijn in 2001 de politieke verhoudingen fundamenteel gewijzigd. Kok en zijn PvdA zitten in het midden.
Misschien dat Des Indes gastvrijheid biedt aan Wiegel en René van der Linden om te filosoferen over een toekomstige samenwerking tussen VVD en CDA. Hun gesprekken zullen doortrokken zijn van nostalgie. Maar een standvastig CDA blijft op de linkerflank van het politieke spectrum. En bezwijkt niet voor de sirenenzang van de VVD.
Tja, dan kan de PvdA niet ontkomen aan een keuze voor het CDA.
Als daarentegen het CDA terugvalt in oude reflexen en een auto huurt om de voettocht te voltooien - het vooruitzicht op de macht corrumpeert nog meer dan feitelijke macht -, dan blijkt het CDA daadwerkelijk tot de nationale coalitie te behoren. Dan heeft Paars bereikt wat D66 op het oog had: de overbodigheid van het CDA als serieuze politieke stroming.
GEVRAAGD NAAR de zin van verkiezingsprogramma’s antwoordde een van de opstellers: 'De media houden zich ermee bezig, dus is het belangrijk.’
Het verkiezingsprogramma als media event. Dat is het ook. Gebrek aan voorlichtingsstrategie is nog steeds het voornaamste verwijt aan professor Kolnaar, die ruiterlijk erkende dat het CDA vooralsnog de AOW wilde bevriezen. Dat speelde zich af bij de vorige verkiezingen. Het CDA verloor, de paarse coalitie begon met het bevriezen van de AOW. Daarmee is - in tegenstelling tot Lubbers I en II - wel de 'koppeling’ gevolgd. Maar ook de koppeling vergroot de inkomensverschillen. Want de feitelijke inkomens groeien harder dan de voor de koppeling geselecteerde cao-lonen. AOW-specialist Willem Drees jr. constateerde al dat pure toepassing van de koppeling de AOW'ers op achterstand zetten.
Zelfs de VVD, die bezwoer de AOW te willen koppelen, berustte in die achterstand. Het verschijnsel 'Ouderenpartij’ in 1994 had dus wel degelijk een materiële achtergrond.
Het 'Kolnaar-effect’ heeft gewerkt. Nergens hebben wereldvreemde hoogleraren de kans gekregen de politieke lijn naar buiten te brengen. Zelfs de eenvoudige doctorandus Van Hulten (D66) is daarvan het slachtoffer geworden. Het verkiezingsprogramma is een onderdeel van de campagne. Daarom mag een programma geen tableau zijn van tegenstellingen binnen één partij. De ware programmaticus creëert het evenwicht van en/en of enerzijds/anderzijds, met een open eind. Deze en/en-cultuur zorgt ervoor dat politieke tegenstellingen binnen de afzonderljke partijen worden gesmoord.
Wellicht dat andere partijpolitieke formaties meer overeenkomst vertonen met de verschillende opvattingen dan de bestaande. Zo is het communitarisme een uitdaging die GroenLinks, de PvdA, D66 (?) en klein rechts raakt. Ook de conservatieven in de VVD zijn er gevoelig voor. Maar de kiezers maken geen keuze vóór of tegen het communitarisme - gesteld dat daarover al politieke helderheid zou bestaan - maar vóór of tegen PvdA, CDA, VVD, D66 enzovoort. Dat zijn allemaal partijen met een geschiedenis.
Soms is die geschiedenis een electoraal voordeel: de PvdA is nu eenmaal de grootste sociale partij. Soms is de geschiedenis een nadeel: het CDA wordt achtervolgd door zijn verleden van partnerwisseling.
DE GESCHIEDENIS is belangrijker dan het verkiezingsprogramma als het erom gaat kiezers te binden. Toch heeft zo'n programma een functie. In 1994 signaleerde het PvdA-programma dat zij de grens van verlaging van de uitkeringen bereikt had. Na de WAO-crisis was dat niet erg geloofwaardig. Pas in de paarse coalitie heeft zij op dat punt - 'hoogte en duur van uitkeringen blijven’ - geloofwaardigheid teruggewonnen.
Evenmin is het CDA geloofwaardig als het sociale gezicht weer eens te voorschijn wordt getoverd. Iedereen vraagt zich af of dat gezicht een modieus masker of de ware gedaante is. De nieuwe fractie heeft dus wat werk te verrichten. In dat werk kan het nieuwe verkiezingsprogramma een grote rol spelen.
Met dat al dreigt het verkiezingsprogramma toch een aantal functies te verliezen. Vroeger werden de kamerlijsten opgesteld die behoorden bij het verkiezingsprogramma. Nu staan de lijsttrekkers vast en worden de programma’s op hun maat geschreven.
Vent, vorm en inhoud moeten samenvallen. Dat wordt een probleem voor Jaap de Hoop Scheffer. Het communitarisme is een filosofie van het dorp. En dat past nog niet zo makkelijk bij de kosmopolitische Weltgewandheit van de CDA-lijsttrekker. Tussen corpslucht en spruitjeslucht is nog een 'wereld te winnen’. Paradoxaal genoeg past het CDA-programma meer bij de Fries Heerma dan bij de Haagse De Hoop Scheffer. Niet voor niets riep De Telegraaf de laatste op het CDA-programma te negeren.
Het is nog niet zo lang geleden dat de vaststelling van een verkiezingsprogramma tegelijk een hoogtepunt was in de interne partijdemocratie. Vergrijsde PvdA'ers herinneren zich nog de telefoonboeken met amendementen. Dat is voltooid verleden tijd.
Intussen weet iedere congresganger dat eensgezinde beeldvorming belangrijker is dan discussies die voer vormen voor de politieke vijand. De campagneleiders zijn zich bewust van het feit dat een al te geoliede applausmachine de opiniërende journalistiek mishaagt. Daarom organiseren zij zogenaamde fringe meetings, daar vinden de echte discussies plaats. Maar die zijn dan ook vrijblijvend.
JAMMER GENOEG ontmoeten verkiezingsprogramma’s veel cynisme. Dat cynisme doet geen recht aan de ernst waarmee politieke partijen hun politieke boodschap verwoorden. Maar het cynisme is ook begrijpelijk. Voor potentiële regeringspartijen is het programma een onderhandelingsbod. De uitkomst wijkt bij voorbaat af. Vandaar dat je nu al kunt zeggen dat voor negen tot tien miljard bezuinigd of aan lasten verzwaard wordt, onderwijs 1,3 miljard extra ontvangt en de lasten met 5 miljard verminderd worden.
De zorg mag op een douceurtje van 1,9 miljard rekenen. Voor cultuur komt 70 miljoen beschikbaar. Alle bedragen kunnen nog proportioneel worden verlaagd, als de concretisering van voorgenomen ombuigingen - waaronder 1,5 miljard lagere afdracht aan de Europese Unie - omogelijk blijkt.
Het cynisme wordt nog eens gevoed door al die pragmatische politici die het verkiezingsprogramma als verstoring van hun prettige routine ervaren. In hun ogen is een programma geslaagd, als het een compacte extrapolatie vormt voor hun bijdragen aan de Handelingen van de Tweede Kamer. Inhoudelijke vernieuwing is het werk van wereldvreemde buitenstaanders. 'Verlos ons van de ideologen.’
De tragiek van deze pragmatici is dat zij zelf vaak het slachtoffer zijn van de ideologie die zodanig gemeengoed is geworden dat zij als ideologie niet meer opvalt. Non-ideologie ontbeert het gevoel van urgentie: gooi alles in de lucht en deel het door drie. Dat is Paars. Zo kun je wel de winkelsluitingswet regelen maar niet de samenleving. En toch is die samenleving wel degelijk maakbaar. De overheid kan ons calculerende burgers maken. De overheid kan elk individu verantwoordelijk maken. De overheid kan solidariteit afbreken. De overheid kan economisch egoïsme legitimeren. Een 'realistische’ overheid legt zich neer bij de bestaande machtsverhoudingen. Een 'realistische’ overheid ontkent haar 'zwaardmacht’ en onderhandelt. Zij onderhandelt niet op basis van haar democratisch mandaat, maar als een soort civielrechtelijke contractpartner.
Het individuele vetorecht weegt op tegen de democratische beslissing. De 'realistische’ overheid ziet individualisering, internationalisering en technische vooruitgang als een onontkoombaar gegeven. Haar taak is het faciliteren van deze trends om niet achterop te raken. Onze vergrijzende bevolking zal de elektronische highway op moeten.
Welk determinisme maakt die trends onontkoombaar? Als politiek nog enige zin heeft, is het juist het omkeren van 'trends’. Het vierjarig ritueel van verkiezingsprogramma’s is niet het goede kader om daarover na te denken. Electorale strategie belemmert een grondige discussie.
Het fundamentele debat vindt elders plaats. Daarom is het goed als elke partij zich weer eens bezint op de uitgangspunten. Heeft bijvoorbeeld de sociaal-democratie nog een boodschap voor de eenentwintigste eeuw?
Misschien kan het functieverlies van verkiezingsprogramma’s gecompenseerd worden door het nieuwe belang dat een beginselprogramma krijgt.
Wanhoop dus niet.