Op voor het varken!

Fifine was haar naam. Achteraf gezien en gemeten aan de hoeveelheid conservenpotten die ze opleverde kan ik stellen dat aan het einde van haar leven Fifine een gezette tante was geworden. Dikke poten, bolle toet, tevreden buik en, vooral, ongegeneerd in de billen. Fifine genoot van het leven. Ze rolde de hele dag in de modder, liep vrij rond op mijn oma’s boerderij en vrat naar hartelust alles wat haar werd toegeworpen. Ze verafgoodde de handen die haar vetmestten en met een teder gesnurk van verwelkoming liet ze dit dagelijks goed merken. Ook wij hielden van Fifine. Zoals een mens, naar eigen smaak en voorkeur, van een varken kan houden: de een is meer van ham en verse worsten geporteerd, de ander watertandt bij het zien van het ambulante potentieel aan paté de campagne en rillettes du chef.

Zo werd op een dag de droom van Fifine koeltjes verstoord en duidelijk werd haar ook hoe dit bestaan, waar zij toch zo gulzig aan hechtte, betrekkelijk was. Het gebeurde precies op het moment dat een onhandige slagerszoon uit het dorp haar stal betrad. Ze snapte in één slag, maar te laat, dat de mens een geboren bedrieger is. Dat het leven dat men haar in dit zoete Eden van ruimte, aardappelschillen en keukenafval had geschonken, eigenlijk maar een zeepbel was. Dat haar dierenliefde voor de mens niet kon opboksen tegen diens niets ontziende maag.
Fifine rook in de nieuwkomer onmiddellijk de dood en schreeuwde zo hard dat onze oren er bijna af vielen. De brekebeen met schort maakte er met zijn slagersmes een potje van. Haar bloed gutste en spatte als een fontein in het rond maar smoorde het hartverscheurende gegil in haar half bewerkte keel niet. Einde Paradijs, overstappen voor station Hel. De paté en de ham werden er, en dat moet gezegd, niet minder smakelijk om.
Denkend aan Fifine nam ik verleden week met gemengde gevoelens kennis van een brief die de stichting Varkens in Nood aan mij had geadresseerd. Althans aan een zekere ‘mevrouw S. Ephimenco’, die ik naar alle waarschijnlijkheid toch moet zijn. Of ik bereid was als varkenssympathisant(e) tv- of radio-interviews te geven om het publiek voor het lot van de roze slachtoffers van de bio-industrie warm te krijgen.
Hoe het komt dat de stichting in mij een zwijnenvriend ziet, is me een raadsel. Uit principe sympathiseer ik niet met varkens. Wel met Hondurese bananenplukkers, gevluchte Kosovaren of A-statussers in nood. Maar daar zijn geen stichtingen voor in Nederland. Dat een verhaal van me in de bundel Varkens van Varkens in Nood is opgenomen, zegt nog niet dat ik met die vette poepers door één deur kan. In deze tekst pleit ik namelijk voor de pest en het uitroeien van tweederde van de Nederlandse biggenpopulatie als bron van vervuiling. Ik ben het dus volstrekt oneens met de doelstelling van de pro-varkenspartij van Van Zomeren en Voskuil. Die schrijvers willen de bio-industrie afschaffen, niet om het land te reinigen en de inhoud van onze borden zuiverder te maken maar om het varkensbestaan op een luxueuze en aangename hoogte te tillen. Waarom in godsnaam? Met de bio-industrie geen hypocrisie meer: varkens weten tenminste waar ze aan toe zijn. Geen illusie en geen hoopvolle verwachtingen. De tafel is de enige uitweg voor hun droeve existentie. Want een varken geeft ons geen melk en eieren maar alleen vlees. Het lijkt me nogal schijnheilig om die arme varkens een levenlang in de watten te leggen om ze vervolgens met de ultieme en enige waarheid die er voor hen is te confronteren: het mes. De stichting Varken in Nood is in feite een wrede organisatie die luchtballonnen verkoopt.
'Onze schrijvers hebben eindelijk weer eens een onderwerp waarvoor ze op de bres willen staan’, schreef onlangs Hans Warren. Kan zijn, maar als ik de wereldkaart goed bekijk zie ik nog tal van andere onderwerpen die de belangstelling van 'onze schrijvers’ best zouden kunnen gebruiken. Maar ja, al die mensen die van noord tot zuid gevangen zitten in een soort reusachtige bio-industrie gerund door fundamentalisten, dictators en soortgelijke onderdrukkers hebben de schijn tegen zich: ze bezitten geen snuit en geen staart in de vorm van een kurketrekker.