Bezuinigen op het gevangeniswezen

Op water en brood

Het gevangeniswezen kreunt onder forse bezuinigingsoperaties. Twee kritische directeuren zijn ontslagen, maar de onderliggende mentaliteitsverschuiving voltrekt zich opvallend geruisloos. Het «product detentie» staat onder druk.

«Onnodig badinerend en zelfs kwetsend» noemde minister Donner van Justitie de uitlatingen van twee ontevreden gevangenis directeuren. Op de afscheidsreceptie van een collega-directeur verwezen beiden onomwonden naar de verregaande bezuinigingsoperatie die momenteel in het gevangeniswezen wordt doorgevoerd: «Van SG tot het linnenmeisje, iedereen bij justitie is de weg kwijt.»

De betreffende directeuren, J. van Huet en C. Boeij, directeur van respectievelijk Penitentiaire Inrichting Noord-Holland-Noord en Over-Amstel (de Bijlmerbajes) — en tevens de huidige en voormalige voorzitter van de Vereniging van Directeuren van Penitentiaire Inrichtingen — ontvingen kort na het gewraakte optreden hun ontslagbrief.

Toegegeven, de woorden blinken niet uit door retorische subtiliteit. Het ongenoegen van de directeuren lijkt het stadium van de nuance ver voorbij, en dat is niet geheel onbegrijpelijk. In het gevangeniswezen voltrekken zich momenteel in rap tempo veranderingen die tot voor kort in Nederland voor onmogelijk werden gehouden: de invoering van de meermanscel, vermindering (en gedeeltelijke afschaffing) van gedetineerdenarbeid, bezuinigingen op de reclassering en de afschaffing van terugkeerprogramma’s voor zware veelplegers. De Volkskrant vatte het bondig samen: «Nederland sluit steeds meer mensen op in almaar soberder omstandigheden.»

Deze veranderingen passen naadloos in een tijdgeest die vraagt om strengere straffen en terugdringen van de overheidsuitgaven. Ze passen ook naadloos binnen een gevangeniswezen dat de eigen diensten omschrijft met «het product detentie», een uitdrukking die in de tweede helft van de jaren negentig in zwang raakte en alras haar eigen werkelijkheid creëerde. In dezelfde terminologie toonde minister Donner zich onlangs tevreden over de verrichtingen van het openbaar ministerie: «Er is fors geproduceerd, en dat terwijl er in 2003 geen cent meer was voor het OM.»

Omzetvergroting bij een zo laag mogelijke kostprijs: het is de droom van iedere ondernemer. In die zin doet justitie het bepaald niet slecht.

De koers van versobering die momenteel aan het gevangeniswezen wordt opgelegd mag vanuit de huidige tijdgeest begrijpelijk zijn, opmerkelijk blijft dat de afgedankte penitentiaire waarden, bevochten in een turbulente geschiedenis, zo gemakkelijk verpulveren onder de als noodzakelijk gepresenteerde veranderingen.

Volgens een hardnekkig voortlevende mythe zou achter de Nederlandse tralies nog steeds de ludieke vrijheid van de jaren zeventig heersen, maar in feite is het regime sinds de jaren tachtig al menigmaal versoberd. Met het in 1994 onder de naam Werkzame detentie ingevoerde standaardregime («sober maar menswaardig») werd volgens velen een kritische ondergrens bereikt: in inrichtingen waar dit regime naar de letter werd uitgevoerd, waren alle activiteiten behalve de arbeid verdrongen naar een onrealistisch smalle marge.

In de afgelopen decennia kwam ook de meermanscel regelmatig ter sprake, maar zonder resultaat. In zijn historische analyse De macht van het lijden beschrijft criminoloog Herman Franke gedetailleerd het krachtenveld dat keer op keer in werking trad zodra de mogelijkheid van cel-deling werd geopperd — en daarbij werden hardere noten gekraakt dan de ondiplomatieke zinsnede waarover minister Donner zich zo ontstemd toonde.

Toen in 1987 de toenmalige minister van Justitie Korthals Altes de mogelijkheden van de meermanscel onderzocht (als tijdelijke noodoplossing) stuitte hij op fel verzet van gevangenisdirecteuren, bewaardersvakbonden, gedetineerden, advocatencollectieven, strafrechtgeleerden en De Coornhert Liga. De toenmalige voorzitter van de Vereniging voor Gevangenisdirecteuren, P. Koehorst, sprak dreigende taal: als de minister zijn plannen doorzette, zou hij komen te staan tegenover «een breed front met een unieke samenstelling». De boodschap miste haar uitwerking niet: «Een uniek leger dreigt in opstand te komen», zo omschreef Vrij Nederland de actiebereidheid in en rond het penitentiaire veld.

De kritische geluiden werden ondersteund door de Sectie Gevangeniswezen van de Centrale Raad van Advies, die vreesde voor een verschraling van de wederzijdse relaties tussen gedetineerden en bewaarders, met als mogelijk gevolg een grotere kans op gewelddadige gevangenisopstanden. Daarnaast achtte men de privacy van de gedetineerde onaantastbaar.

Korthals Altes wendde het conflict af door zijn plannen in te trekken. Toen hij ze in 1988 alsnog leek te willen realiseren, braken onmiddellijk stakingen uit onder gevangenispersoneel en gedetineerden, ondersteund door de inrichtingsdirecteuren. Voordat de acties escaleerden trok de minister opnieuw, ditmaal tegen de uitdrukkelijke wens van een kamermeerderheid in, zijn plannen voor tijdelijke plaatsing van twee gedetineerden op één cel terug.

Het tumult rond de mogelijke invoering van de meermanscel als een tijdelijke oplossing voor het steeds weer opduikende cellentekort zou zich nog vaak herhalen. En telkens stuitten de achtereenvolgende ministers van Justitie op vereende krachten binnen het penitentiaire veld, die werden versterkt door commentaren van strafrechtgeleerden en kritische ambtenaren uit de eigen gelederen. Zelfs in de late jaren negentig, toen het aantal cellen inmiddels was verdrievoudigd ten opzichte van 1980, bleef het thema opspelen. Maar gerealiseerd werd het alleen op zeer kleine schaal, in de peniten tiaire marge van de vreemdelingenbewaring.

Dat het huidige kabinet het omstreden delen van cellen zonder noemenswaardige tegenstand heeft kunnen doorzetten, is in het licht van deze voorgeschiedenis opmerkelijk — en tekenend voor de mentaliteitsverandering die zich in korte tijd heeft voltrokken in politiek en samenleving.

Het massieve front van verzet is ongemerkt weggesmolten onder de hete adem van ministeriële daadkracht. Het draagvlak in de samenleving ligt niet meer onder de rechtspositie van de gedetineerde, maar is abrupt verschoven naar veiligheid en betrokkenheid bij het slachtoffer. Deze perspectiefwisseling maakt dissidente gevangenisdirecteuren van de oude garde plots tot eenzame roependen in de woestijn.

Hun boodschap is onveranderd: het gevangeniswezen moet meer doen dan opsluiten en niet doorslaan in repressie — daarvoor betaal je later de rekening. De boodschap is zelfs onverminderd actueel gezien de explosieve uitbreiding van de celcapaciteit: cellen voor een volgende lichting ongeschoolden, verslaafden en andere drop-outs die wel een doortastende reclasserings ambtenaar kunnen gebruiken.

Maar deze boodschap ligt niet meer goed in de markt. Het verhaal van de taaie inspanningen ter verbetering van de gevangene lijkt uitgedoofd. Wat een eeuwige constante leek in het Nederlandse gevangeniswezen is ten onder gegaan aan haar onbarmhartige schaduwzijde: de hardnekkige mislukking.

Het klinkt mooi, mensen straffen en verbeteren achter dezelfde tralies. Maar keer op keer blijkt het niet te lukken. Niet in het Amsterdamse «Rasphuis», waar notoire nietsnutten al zagend en raspend in noeste werkers zouden veranderen. Niet in de eenzame cellen van de negentiende-eeuwse koepelgevangenissen, waar zondaars in stille afzondering de weg naar God zouden hervinden. Niet in Rijks-Werkinrichting Veenhuizen, waar landlopers, bedelaars en andere «wilszwakke» armoedzaaiers begin twintigste eeuw het Drentse land omploegden ter versterking van de algehele moraal. Niet in de humane inrichtingen van de jaren zeventig ten slotte, waar crea- en sociotherapeuten de maakbaarheid van mens en samenleving in praktijk zouden brengen.

Penitentiaire hervormingsdrift blijkt onafwendbaar stuk te lopen op taaie weerstand van de ongemotiveerde gevangene, de recidiverende crimineel en gevangenisarbeid die maar niet winstgevend wil worden, ondanks het geringe loon van de gedetineerde (tegenwoordig 64 eurocent per uur).

Daarmee hebben critici van het gevangeniswezen de cijfers op hun hand: gevangenisstraf is duur en boekt geen glanzende successen. Criminaliteit blijft, alle justitiële inspanningen ten spijt, een tamelijk ongrijpbaar verschijnsel.

Hier stuiten we op ongemakkelijke zaken als de onverbeterlijkheid van het individu. Hier zien we het destructieve krachtenspel aan de rafelrand van de samenleving, een universum zonder illusies waar levens voortdrijven op negatieve krachten van armoede, verslaving of allochtone uitzichtloosheid. Hier stuiten we, last but not least, op ondergrondse factoren als de internationalisering van de criminele handel en wandel.

Op deze kluwen van duistere krachten vermag de strafrechtelijke keten maar weinig invloed uit te oefenen. In de laatste en duurste schakel, het gevangeniswezen, resulteert die betrekkelijke machteloosheid in een ongemakkelijke kloof tussen kostbare pretenties en magere resultaten.

De oplossing lijkt voor de hand te liggen: schrap de dure en schijnbaar nutteloze franje — exact de koers waarvan het huidige kabinet heil verwacht. Maar ook deze glasheldere economische logica werpt haar eerste slagschaduwen al vooruit in de angst voor «Amerikaanse toestanden»: streng en sober straffen blijkt de criminaliteitscijfers bepaald niet terug te dringen. «Kale opsluiting» wordt uiteindelijk duur betaald in de vorm van geweld, onverschilligheid en recidive — tot voor kort een geldige legitimatie voor de dure gevangenisinspanningen.

In deze patstelling doemt de ware aard van het gevangeniswezen op: dit is niet het universum waar triomfantelijke successen binnen handbereik zijn. Dit is het universum van de sisyfusarbeid, waar de held van de onderwereld in een eeuwig wederkerende herhaling zijn rotsblok de berg op moet sjouwen. Heldhaftig draagt hij zijn lot. Niet in de naïeve hoop dat hij de zwaartekracht ooit zal overwinnen, maar in de overtuiging dat in deze ongelijke strijd de kern van het leven verborgen ligt.