Het boek zal altijd blijven bestaan

Op weg naar de e-monografie

De wereld van de wetenschap verandert snel. Maar ze zal binnen het Gutenberg-universum blijven, ook al zal dat uitdijen dankzij het elektronische boek. Dat zal het bedrukte papier niet vervangen, maar er een aanvulling op zijn.

De door Marshall McLuhan voorspelde toekomst is geen werkelijkheid geworden. Het web: ja; de wereldwijde verspreiding van televisie: zeker; overal media en berichten: uiteraard. Maar het elektronische tijdperk heeft het gedrukte woord niet uitgeroeid, zoals McLuhan in 1962 had voorspeld. Zijn visioen van een nieuw geestelijk universum, bijeengehouden door post-printing-technologie, ziet er nu gedateerd uit. Het ‘Gutenberg-universum’ bestaat nog steeds, en de ‘typografische mens’ vindt daarin nog immer lezend zijn weg.

Neem het boek. Dat heeft een geweldig uithoudingsvermogen aan de dag gelegd. Sinds de uitvinding van het manuscript in de derde of vierde eeuw na Christus heeft het bewezen een fantastische machine te zijn – geweldig voor het verpakken van informatie, makkelijk om doorheen te bladeren, comfortabel om mee weg te kruipen, voortreffelijk geschikt voor opslag, en opmerkelijk goed bestand tegen schade. Het hoeft niet geüpgraded of gedowngraded te worden, je hebt er geen wachtwoord voor nodig en je hoeft het niet te kraken, je hebt er geen stroom voor nodig en je het hoeft niet van een of ander web binnen te halen. Door het ontwerp is het een lust voor het oog. De vorm zorgt ervoor dat het een plezier is om het vast te mogen houden. En zijn handzaamheid heeft het al duizenden jaren tot een basisleermiddel gemaakt, zelfs nog vóór de bibliotheek van Alexandrië werd gesticht, begin vierde eeuw vóór Christus.

Waarom blijven de voorspellingen dan rondzingen over de dood van het boek? Niet omdat McLuhan gelijk had, maar omdat het gedrukte woord niet snel genoeg is om de opeenvolging der gebeurtenissen te kunnen bijbenen. Voorzover de Monica Lewinsky-affaire een mediagebeurtenis was, heeft die zich grotendeels op internet afgespeeld, eerst door de ‘scoop’ van Matt Drudge, die er nieuws van maakte nog vóór het in de kranten stond, en daarna door de publicatie van het Starr Report op regeringswebsites, die binnen 24 uur zes miljoen hits registreerden.

In de daaropvolgende roes kwamen de Amerikanen erachter dat er allerlei soorten elektronische boeken werden ontwikkeld. De meeste van die ‘e-books’ bevatten teksten die worden gedownload van online-boekverkopers en op een scherm geprojecteerd kunnen worden, pagina na pagina. jstor, een project van de Andrew W. Mellon Foundation, heeft grote hoeveelheden academische tijdschriften online toegankelijk gemaakt, waar ze goedkoop kunnen worden aangekocht door bibliotheken, die zich het origineel soms niet (meer) konden veroorloven. De New York Public Library verschaft zoveel elektronische informatie aan lezers over de hele wereld dat haar computersystemen iedere maand tien miljoen hits registreren, terwijl er in de leeszaal aan 42nd Street ‘slechts’ vijftigduizend boeken worden uitgeleend. Het lijkt alsof alles wordt gedigitaliseerd en alsof iedere byte weer wordt gelinkt aan alle andere bytes. Als de toekomst kranten zonder nieuws, tijdschriften zonder pagina’s en bibliotheken zonder muren brengt, wat zal er dan gebeuren met het traditionele boek? Zal het elektronisch uitgeven het einde van het boek betekenen?

Die voorspelling is telkens weer herhaald sinds in 1945 het eerste e-book, een monstruositeit genaamd Memex, werd ontworpen. Inmiddels is het conventionele boek al zo vaak dood verklaard dat we niet verbaasd moeten zijn dat het in uitmuntende gezondheid lijkt te verkeren. De omzet van sommige boeken bloeit, deels dankzij marketing via het internet door Amazon.com en Barnesandnoble.com. Toen het als paperback uitkwam, schoot het Starr Report naar de top van de bestsellerlijst, ook al konden mensen die het kochten het op het web lezen, vaak zonder een cent te hoeven betalen. Nu ze computers hebben, produceren en consumeren de Amerikanen meer drukwerk dan ooit. Zelfs William Gates, president-commissaris en oud-directeur van Microsoft, bekende dat hij papier prettiger vindt dan een computerscherm als hij een lange tekst moet lezen.

Waarom dan die voortdurende fascinatie met elektronisch uitgeven? Zij lijkt door drie stadia heen te zijn gegaan: een aanvankelijke fase van utopisch enthousiasme, een periode van ontgoocheling, en een nieuwe tendens richting pragmatisme. Eerst dachten we dat we gewoon een elektronische ruimte konden scheppen, alles erin konden gooien, en het aan de lezers konden overlaten om het verder uit te zoeken. Daarna kwamen we erachter dat niemand een boek wilde lezen op een computerscherm of zich door een stapel printouts heen wilde worstelen. Nu worden we geconfronteerd met de mogelijkheid om het traditionele boek aan te vullen met elektronische publicaties die gemaakt zijn voor bepaalde doeleinden en publieksgroepen.

Het beste pleidooi voor e-books heeft betrekking op academische publicaties, niet op alle terreinen, maar in grote sectoren van de geesteswetenschappen en sociale wetenschappen waar conventionele monografieën – dat wil zeggen geleerde verhandelingen over specifieke onderwerpen – enorm duur zijn geworden om te produceren. Het probleem is feitelijk zo ernstig dat het academische landschap erdoor is getransformeerd. Het vloeit voort uit drie kleinere problemen die zijn samengevloeid op een manier waardoor de monografie nu overkomt als een bedreigde diersoort. Commerciële uitgevers hebben de prijs van academische tijdschriften, vooral op het gebied van de natuurwetenschappen, zo hoog opgetrokken dat ze de begrotingen van onderzoeksbibliotheken hebben ontwricht. Om hun tijdschriftencollecties op peil te houden hebben de bibliotheken drastisch bezuinigd op de aankoop van monografieën. Geconfronteerd met de afname van de orders van bibliotheken zijn de universitaire uitgevers vrijwel opgehouden met publicaties op de terreinen waar de vraag het geringst is. En wetenschappers op deze terreinen beschikken nu niet langer over een adequaat publicatiekanaal voor hun onderzoek. De crisis heeft betrekking op het functio­neren van de marktplaats, en niet op de waarde van het onderzoek; en hij is op z’n hevigst onder degenen met de grootste behoefte om hem te overwinnen – de komende generatie academici, wier carrières afhangen van hun vermogen om hun onderzoek gedrukt te krijgen. Tot voor kort namen monografieën minstens de helft van de aankoopbudgetten van de meeste onderzoeksbibliotheken voor hun rekening. In 1996/97 ging echter 78 procent van het aankoopbudget van de Universiteit van Illinois in Chicago naar academische tijdschriften en 21 procent naar monografieën. De Universiteit van Syracuse besteedde 75 procent van zijn budget aan tijdschriften en 17 procent aan monografieën. De bibliotheek van de Universiteit van Hawaii gaf 84 procent aan tijdschriften uit en 12 procent aan monografieën. Als de verschuivingen in de budgetten in dit tempo doorgaan, kunnen we ons afvragen of nieuw werk in de geesteswetenschappen en de sociale wetenschappen in boekvorm zal overleven.

Het tweede aspect van de crisis bedreigt het academische leven op een bijzonder kwetsbaar punt: de budgetten van de universitaire uitgeverijen. Volgens een vuistregel onder uitgevers in de jaren zeventig kon een universitaire uitgeverij er gewoonlijk op rekenen achthonderd exemplaren van een monografie aan de bibliotheken te kunnen verkopen. Vandaag de dag zijn het er eerder vierhonderd, en vaak nog minder, in ieder geval niet genoeg om de kosten te dekken. Uitgevers kunnen er niet langer zeker van zijn boeken te verkopen die twintig jaar geleden voor bibliothecarissen onweerstaanbaar zouden zijn geweest. Van deel 1 van The Papers of Benjamin Franklin, verschenen in 1959, werden 8407 exemplaren verkocht, vooral aan bibliotheken. Van deel 33, verschenen in 1998, gingen nog maar 753 exemplaren van de hand. Gealarmeerd door de daling van de vraag heeft de Association of American University Presses (aaup) Herbert Bailey, de gepensioneerde directeur van Princeton University Press, in 1990 opdracht gegeven voor een onderzoek. In tegenspraak met de verwachtingen ontdekte hij dat het aantal daadwerkelijk geproduceerde monografieën tussen 1978 en 1988 met 51 procent was toegenomen. Uitgevers hadden op de druk gereageerd door de productie (en de prijzen) te verhogen en de kosten laag te houden (voornamelijk door hun personeel met meer werk te overladen, waardoor de kwaliteit van de redactionele werkzaamheden merkbaar achteruit was gegaan). Tegen 1990 begon deze trend te keren. Wetenschappelijke uitgevers, onder zwaardere druk dan ooit, bleven grote aantallen titels produceren, maar steeds minder puur wetenschappelijke. Er kwamen boeken voor in de plaats over populaire plaatselijke thema’s, over vogels, kookkunst, sport of zogenoemde ‘midlist’-boeken – het soort boeken dat commerciële uitgevers hadden veronachtzaamd om zich te kunnen concentreren op boeken met een massale aantrekkingskracht: oefenboeken, ‘how to’-boeken en al die andere rommel die vandaag de dag in de meeste boekwinkels ligt opgetast. Veel uitgevers hebben geprobeerd een uitweg te vinden door zich te richten op onderwerpen die in de mode waren: boeken over gender, seks, feminisme, homoseksualiteit, vrouwenstudies, Afrikaans-Amerikaanse studies, postkolonialisme en postmodernisme in alle varianten.

Intellectuele modes kunnen uiteraard eerder een stimulans dan een hinderpaal voor de wetenschap zijn. Maar boeken over modieuze onderwerpen dreigen de meer conventionele academische titels van de uit­geverslijsten te verdringen. Dreigt de monografie daarom te verdwijnen? Deze vraag werd op diverse conferenties in 1997 en 1998 besproken, en er was geen eenvoudig antwoord mogelijk. Iedere hoogleraar kan wel een terrein noemen waarop het vreselijk moeilijk is wetenschappelijke boeken te publiceren, terwijl andere hoogleraren met gemak de uitzonderingen oplepelen. Monografieën over Afrika, Zuid-Azië en koloniaal Latijns-Amerika lijken het hardst te zijn getroffen. Maar een studie over tovenarij in Soedan of volksreligie in achttiende-eeuws Peru maakt wel kans, als er tenminste gebruik van wordt gemaakt bij colleges over geschiedenis, antropologie, religie of Latijns-Amerika. Hoe zit het dan met de vaak gehoorde klacht dat er juist te veel monografieën zijn – ‘steeds meer over steeds minder’? Critici betichten hoogleraren er dikwijls van louter voor elkaar te schrijven en elkaar af te troeven in professionaliteit, in plaats van onderwerpen te behandelen die zich in een bredere belangstelling kunnen verheugen. Zeker, de nadruk op monografieën kan ook een soort ziekte zijn. Zij lijkt disciplines als de literaire kritiek de das om te doen, waar modieusheid en hoogdravend jargon de gemiddelde ontwikkelde lezer hebben afgeschrikt. Maar de meeste wetenschappers hebben zich met succes verzet tegen de kwalijker varianten van deze ziekte, en sommige soorten wetenschap zijn weliswaar belangrijk maar nu eenmaal ook esoterisch van aard. De vraag blijft: kan een auteur van een waardevolle monografie – iets dat staat als een huis maar niet sexy is, het soort boek dat een jaar of twintig geleden nog floreerde – vandaag de dag nog verwachten dat het wordt gepubliceerd? Als je het de deskundigen bij de universitaire uitgevers vraagt, loop je grote kans teleurgesteld te worden. Iedere uitgever heeft een reeks verhalen over prachtige monografieën die niet verkochten. Sanford Thatcher van de Penn State University Press vertelt over een boek over het Brazilië van de negentiende eeuw, dat twee prijzen had gewonnen, maar waarvan minder dan vijfhonderd exemplaren werden verkocht, en over een ander boek over de islam in Centraal-Azië, dat juichende kritieken en vier prijzen had gekregen, maar waarvan slechts 215 hardcover-exemplaren zijn verkocht, en 691 paperbacks. Roy Rosenzweig van George Mason University zegt dat er van een van de beste boeken in een serie die hij uitgeeft maar 282 exemplaren zijn verkocht. Mijn eigen favoriete horrorverhaal gaat over een geweldige monografie over de Franse Revolutie, die drie belangrijke prijzen heeft gewonnen. Er werden 183 hardcover-exemplaren van verkocht en 549 paperbacks.

De monografie verkeert in gevaar en dat leidt tot een derde probleem: de carrières van jonge wetenschappers. Iedere wetenschappelijk medewerker kent de categorische imperatief: publiceer of verdwijn, wat zich zo ongeveer laat vertalen als: geen monografie, geen vaste aanstelling. Het is voor een net afgestudeerde al moeilijk genoeg om een baan te krijgen, maar dat is het moment waarop juist je grootste problemen beginnen – je moet verhuizen, je moet je voor het eerst voor­bereiden op je colleges, je moet een gezin stichten, en ook nog eens een boek publiceren. Stel dat een wetenschappelijk medewerker erin slaagt zijn of haar dissertatie binnen drie of vier jaar om te zetten in een eersteklas-monografie: zal hij of zij die dan gepubliceerd weten te krijgen? Dat is niet erg waarschijnlijk. Maar het is niet onmogelijk, aldus sommigen die de ernst van de crisis in twijfel trekken. We kunnen dit niet met statistieken weerspreken, maar we kennen allemaal de anekdotes. Loop het kantoor van een redacteur bij een universiteitsuitgeverij binnen en je zult de stapels dissertaties zien liggen, tientallen. De redacteur zal je met een zucht vertellen dat de uitgever zich slechts kan veroorloven er twee of drie per jaar te publiceren, om er met een nog diepere zucht aan toe te voegen dat de uitgever onder druk staat van academische commissies die – voordat zij iemand een vaste aanstelling gunnen – eerst een boek willen zien, vergezeld van lezersrapporten en recensies. De uitgevers verzetten zich ertegen op deze manier betrokken te raken bij het proces van het toekennen van vaste aanstellingen, en terecht, maar dikwijls om de verkeerde redenen – omdat ze meer aandacht schenken aan de grenzen van hun budgetten dan aan de scheidslijn van professionele verantwoordelijkheden. Of je het nu leuk vindt of niet, ze functioneren als een trechter in het carrièreproces van academici, maar ze kunnen slechts een paar van de manuscripten publiceren die ze ontvangen. De auteurs van de rest van deze manuscripten reiken misschien nooit tot de volgende fase in hun carrière.

Sommige onafhankelijke wetenschappers zijn blij met hun onafhankelijkheid. Barbara Tuchman, die uit een rijke familie komt, heeft bewezen dat er uitmuntende geschiedenisboeken geschreven kunnen worden buiten de beschermende omgeving van een academische instelling. Maar de meeste onafhankelijke wetenschappers moeten hard werken om in hun levensonderhoud te voorzien en aanvaarden baantjes waar ze die maar kunnen vinden, dikwijls voor veel te weinig geld en zonder erkenning. Het zou kunnen dat we de intellectuele equivalenten aan het voortbrengen zijn van de ‘Okies en Arkies’ uit de crisisjaren van de vorige eeuw – migrerende academici met laptopcomputers, die leven op de achterbank van hun auto.

Kan elektronisch uitgeven, tegen de achtergrond van deze problemen, een oplossing bieden? De eerste fase van de liefde voor e-books, de periode van het utopische enthousiasme, kan fungeren als een waarschuwing tegen overdreven verwachtingen. De utopisten hebben een blind vertrouwen in de effectiviteit van de Onzichtbare Hand van de markt, die economen zo dierbaar is. Laat de ondernemers het maar uitvechten, zeggen ze, en de goede zoekmachines zullen in de handen van de aspirant-lezers vanzelf het kaf van het koren scheiden. Dit argument is misschien van toepassing op sommige soorten consumptiegoederen. Bedrijven als Amazon.com hebben met succes vele duizenden titels toegankelijk gemaakt. Maar voor degenen die zich zorgen maken over de kwaliteit van academische publicaties en het intellectuele leven in het algemeen heeft dit iets veel te vrijblijvends: ‘Doe niets en er komt vanzelf wel iets bovendrijven.’ De virtuele ruimte moet net als de economie worden gereguleerd. Wetenschappers moeten normen stellen. Zij moeten de kwaliteit in de academische wereld hoog houden. Natuurlijk kunnen we onbeperkte hoeveelheden dissertaties op het web plaatsen. Er bestaan diverse programma’s die deze dienst aanbieden. Maar door de bank genomen biedt dit soort publicaties voornamelijk informatie en zijn het geen volwaardige, wetenschappelijk verantwoorde boeken, althans niet in de sfeer van de geesteswetenschappen en de sociale wetenschappen. Iedereen die niet-geredigeerde dissertaties heeft gelezen, weet wat ik bedoel: op een paar uitzonderingen na zijn het geen boeken. Er ligt een wereld van verschil tussen. Om een boek te worden, moet een dissertatie doorgaans worden gereorganiseerd, hier en daar worden ingekort of uitgebreid, aangepast aan de behoeften van de geïnteresseerde leek, en van begin tot eind worden herschreven, bij voorkeur met de hulp van een ervaren redacteur. Redacteuren noemen dit herschrijven vaak ‘toegevoegde waarde’. Peer review, pagina-opmaak, compositie, druk, marketing, publiciteit – een wirwar aan deskundigheid is noodzakelijk om van een dissertatie een monografie te maken. In plaats van dit proces te vereenvoudigen, zal elektronisch uitgeven voor nog meer complicaties zorgen, maar het resultaat zou wel een grote toename van de waarde kunnen zijn.

Een ‘e-dissertatie’ kan vrijwel onbeperkte aanhangsels en databases omvatten. Ze kan aan andere publicaties worden gelinkt, op een manier die lezers in staat stelt nieuwe routes te zoeken door oud materiaal. En als de technische problemen eenmaal zijn opgelost, kan ze op een goedkope manier worden geproduceerd en gedistribueerd, waardoor de uitgever op zijn productiekosten bespaart en er ruimte ontstaat op de planken van de bibliotheken. Uiteraard zijn de problemen van dit soort elektronisch uitgeven gigantisch. De beginkosten zijn hoog, omdat uitgevers zoek­machines moeten ontwerpen en hyperlinks moeten aanbrengen, en technisch personeel in dienst moeten nemen en trainen. De prijzen zullen niet laag zijn, althans niet totdat vraag en aanbod zodanig zijn toegenomen dat ‘e-monografieën’ op economisch verantwoorde wijze aan individuele lezers op het web kunnen worden aangeboden. Momenteel zeggen uitgevers te verwachten dat ze licenties voor bepaalde sites aan bibliotheken kunnen verkopen, waardoor ze in één klap hele collecties e-books toegankelijk kunnen maken. Met behulp van een speciale code kunnen lezers het gewenste werk binnenhalen op een computer in de bibliotheek of thuis. Ze zoeken door de digitale tekst naar zaken die hen interesseert, printen zo veel als ze willen, binden het in een machine die aan de printer is verbonden, en nemen het mee om het te kunnen lezen in de vorm van een op maat gemaakte paperback. De technologie voor al deze functies bestaat al. In feite kunnen paperbackversies van boeken die al in druk zijn voor 150 dollar of minder gedigitaliseerd, gedrukt en gebonden worden. (Zulke doe-het-zelf-processen duiden, als ze zijn verbeterd, op veranderingen die op een dag veel standaardkenmerken van de hedendaagse boekensector kunnen transformeren – zoals drukken, opslag en distributie.) Maar om originele monografieën van hoge kwaliteit te kunnen publiceren zal een universitaire uitgeverij alle onderdelen in stelling moeten brengen van een origineel systeem voor productie en distributie van hoge kwaliteit.

Zullen, als dit alles lukt, elektronische monografieën als boeken gezien worden? Zullen ze genoeg intellectuele legitimiteit verwerven om de toets der kritiek te kunnen doorstaan van achterdochtige aanstellingscommissies, en zullen ze de druk op academische carrières kunnen verlichten? Dit is het punt waarop oudere wetenschappers een verschil kunnen maken. Zij hebben vaak al bewezen goede conventionele boeken te kunnen produceren, en kunnen helpen een nieuw soort boeken te ontwikkelen, dat veel origineler en ambitieuzer is dan een in boekvorm omgezette dissertatie. In het geval van de geschiedenis, een discipline waarin de crisis in het wetenschappelijk uitgeven bijzonder ernstig is, kan de aantrekkingskracht van een e-book heel groot zijn. Iedere historicus die veel onderzoek heeft verricht, kent de frustratie van het onvermogen om de bodemloosheid van de archieven en het verleden adequaat over te brengen. Als mijn lezer nu maar eens zou kunnen meekijken, zeg je tegen jezelf, naar alle brieven in deze doos, en niet alleen de regels zou kunnen lezen die ik nu citeer. Als ik dit of dat spoor in mijn tekst nu eens zou kunnen volgen op dezelfde manier als ik het door de dossiers heb gevolgd, toen ik me vrij voelde om een omweg te maken die mij wegvoerde van het hoofdonderwerp. Als ik nou maar kon laten zien hoe bepaalde thema’s buiten mijn verhaal door elkaar heen lopen en zich tot ver buiten de grenzen van mijn boek uitstrekken. Niet dat boeken vrijgesteld zouden moeten worden van de opdracht om een verhaal terug te brengen tot een sierlijke vorm. Maar in plaats van argumenten te gebruiken om een zaak af te sluiten, zouden ze nieuwe manieren kunnen openen om wijs te worden uit het bewijsmateriaal, en nieuwe mogelijkheden om het ruwe materiaal dat in het verhaal besloten ligt te ontsluiten, en voor een nieuw bewustzijn kunnen zorgen van de ingewikkeldheden van het reconstrueren van het verleden.

Ik bepleit niet dat er louter gegevens worden gestapeld en ik houd ook geen betoog voor het linken naar databanken. Dat leidt vaak tot niet veel meer dan een uitvoerige vorm van voetnoten. In plaats van het elektronische boek uit zijn voegen te laten barsten, denk ik dat het mogelijk is het op te bouwen in lagen, zoals bij een piramide. De toplaag kan een beknopte samenvatting van een onderwerp zijn, dat wellicht verkrijgbaar moet zijn als paperback. De volgende laag kan uitgebreide versies van verschillende aspecten van een betoog bevatten, niet gerangschikt als in een verhaal, maar als in zichzelf besloten eenheden die het bovenliggende verhaal voeden. De derde laag kan bestaan uit documentatie, mogelijk van verschillend gehalte, voorzien van begeleidende essays. Een vierde laag kan theoretisch of historiografisch zijn, met selecties uit eerdere werken en besprekingen daarvan. Een vijfde laag kan van pedagogische aard zijn, met suggesties voor discussies tijdens colleges en een modelsyllabus. En een zesde laag kan lezersrapporten bevatten, uitwisselingen tussen auteur en redacteur, en brieven van lezers. Die laag zou kunnen uitgroeien tot een steeds omvangrijkere collectie commentaren, naarmate het boek zijn weg vindt naar verschillende groepen lezers.

Een nieuw boek van dit type zou tot een nieuw soort lezen leiden. Sommige lezers zouden zich tevreden stellen met het tot zich nemen van de bovenste laag (het ‘verhaal’). Anderen zouden er wellicht de voorkeur aan geven ‘verticaal’ te lezen, door bepaalde thema’s uit te diepen en door te dringen tot de begeleidende essays en documentatie. Weer anderen zouden misschien in onverwachte richtingen willen kunnen afdwalen en verbanden willen zoeken die aansluiten bij hun eigen interesses, of het materiaal willen verwerken in eigen bouwsels. In elk van deze gevallen kunnen de toepasselijke teksten worden gedrukt en gebonden aan de hand van door de lezer gegeven aanwijzingen. Het computerscherm kan worden gebruikt voor het zoeken en lezen van korte stukjes, terwijl geconcentreerd lezen mogelijk wordt gemaakt door het conventionele gedrukte boek of een gedownloade tekst. In plaats van een utopie te zijn, zou de elektronische monografie zo voldoen aan de behoeften van de wetenschappelijke gemeenschap, op de punten waar de problemen samenkomen. Ze zou een middel kunnen bieden om problemen op te lossen en een nieuwe ruimte kunnen openen voor de uitbreiding van de wetenschappelijke kennis. De wereld van de wetenschap verandert zo snel dat niemand kan voorspellen hoe zij er over tien jaar uit zal zien. Maar ik geloof dat zij binnen het Gutenberg-universum zal blijven, ook al zal dit universum uitdijen, dankzij een nieuwe energiebron – het elektronische boek, dat zal fungeren als een aanvulling op en niet als een vervanging van de fantastische machine van Gutenberg.

Postscript: sinds de publicatie van dit essay hebben een stuurgroep en het secretariaat van de Harvard Universiteit de eerste stappen gezet op weg naar de creatie van de dpla. Er zijn vergaderingen gehouden om alle kwesties te bespreken die hierbij aandacht behoeven. Zes werkgroepen, verspreid over het hele land, hebben plannen ontwikkeld voor de omvang en inhoud van de collecties van de dpla, de financiële onderbouwing, het bestuur, het bereiken van verschillende publieksgroepen, juridische kwesties en de technologische infrastructuur. Er is nu een prototype geïnstalleerd, dat moet kunnen samenwerken met de technologie van Europeana. We richten een onafhankelijke, niet op winst uit zijnde onderneming op, met een raad van adviseurs en een staf onder leiding van een uitvoerend directeur, die de verantwoordelijkheid op zich moet nemen voor de dagelijkse gang van zaken. De dpla zal volgend jaar april in bedrijf komen.


Robert Darnton is cultuurhistoricus en directeur van Harvard Library. Dit artikel verscheen eerder in de New York Review of Books. Vertaling: Menno Grootveld. Lezing over de toekomst van het boek: 26 september