Onderwijsonderzoeker Alfie Kohn over het kabinetsbeleid

Op weg naar de middelmaat

Excelleren, achterstanden wegwerken, toptalent stimuleren: aan ambitie geen gebrek in de nieuwe onderwijsplannen van het kabinet. ‘Moreel abject beleid’, zegt de Amerikaanse onderwijsvernieuwer Alfie Kohn. ‘Veertig jaar onderzoek wordt genegeerd.’

Medium onderwijs

Het eerste jaar op school was alles behalve makkelijk geweest voor Puck (5). Wat dromerig, tweetalig opgevoed en mede daarom wat afwachtend in de klas. Amper reden tot paniek, vonden zijn ouders. Daar dacht de school anders over. In het oudergesprek kregen ze te horen dat ze beter een andere school konden zoeken voor hun zoon. Op basis van zijn score op de cito-toets zou speciaal onderwijs beter zijn, was de conclusie in de lerarenkamer.

Wat de juf er níet bij zei, was dat de betreffende school – in het centrum van een grote stad – al jarenlang de hoogste cito-score van de regio heeft en dat graag zo wil houden. Hoewel basisscholen het formeel niet verplicht zijn, wordt in de meeste kleutergroepen bij vierjarigen een toets afgenomen. Hoe eerder een mogelijke achterstand bekend is, hoe beter – is het idee. Hoge cito-scores zijn sinds het openbaar maken van de gemiddelden alleen maar belangrijker geworden. Hierdoor neemt de druk in de klas toe, op leerlingen én hun onderwijzers, die op hun beurt de hete adem van de inspectie in de nek voelen.

Een volstrekt verkeerde ontwikkeling, vindt de Amerikaanse schrijver en onderwijsvernieuwer Alfie Kohn (1957). Time Magazine noemde Kohn ‘de meest uitgesproken criticaster van het onderwijssysteem dat gebaseerd is op presteren, testen en toetsen, hoge cijfers halen, competitie en uitblinken’. Kohn is onvermoeibaar in het pleiten voor wat hij progressive education noemt en reist de hele wereld over voor lezingen. Hij schreef twaalf boeken en tientallen artikelen en essays over onderwijs en opvoeding, waaronder The Schools Our Children Deserve en Feel Bad Education. Daarin hekelt hij, op basis van honderden onderzoeken (de bronverwijzingen in zijn boeken beslaan minstens een derde van het totale aantal pagina’s) zowel de ‘moeilijker is beter’-mentaliteit (de lat hoger leggen om leerlingen te stimuleren beter te presteren) als de obsessie met cijfers die zich uit in overmatig testen en toetsen van kinderen. Komend voorjaar komt zijn nieuwste boek uit, The Myth of the Spoiled Child. Een van Kohns bekendste boeken is Punished by Rewards (1999) waarin hij schrijft: ‘Leren heeft geen context meer. We breken ideeën op in kleine stukjes die geen enkele relatie meer hebben met het geheel. We geven leerlingen een baksteen met informatie, dan geven we ze nóg een steen, en nóg een. Als ze afstuderen, gaan we ervan uit dat ze een huis hebben. Wat ze in werkelijkheid hebben is een stapel bakstenen waar ze weinig mee kunnen.’

Kohn neemt in zijn woonplaats Boston voor de webcam plaats, we interviewen hem via Skype. Vooraf heeft hij een schets ontvangen van het Nederlandse onderwijslandschap. We mailen over het openbaar maken van gemiddelde cito-scores van alle basisscholen. Een goed plan, vindt staatssecretaris Dekker van Onderwijs, want ‘ouders en kinderen hebben na acht jaar basisonderwijs recht op een objectief oordeel over waar hij of zij staat’. In de strijd tegen achterstand start Amsterdam binnenkort met een proef om peuters naar school te laten gaan, waarin de cito-methode leidend zal zijn. Een groeiend aantal experts zet echter vraagtekens bij deze nadruk op cognitieve vaardigheden als rekenen, lezen en schrijven. Bijzonder hoogleraar pedagogie Micha de Winter waarschuwt al jaren voor ‘conjunctuurdenken’ waarbij de zogenaamde kenniseconomie en de concurrentiepositie ten opzichte van andere landen leidend zijn bij hervormingen in het onderwijs. De klas zou allereerst een plek moeten zijn waar kinderen ontdekken wie ze zijn en wat ze willen in hun leven. Psycholoog Louise Berkhout vindt de nadruk op leren bij jonge kinderen zelfs schadelijk. Volgens haar zijn er sterke aanwijzingen dat de mate van vrij spel bij jonge kinderen samenhangt met hun psychosociale gezondheid.

En dan is er uiteraard de ‘route naar geweldig onderwijs’, die minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker onlangs uitstippelden in hun Nationaal Onderwijsakkoord. Daarin wordt geweldig onderwijs bereikt door excellente, liefst universitair geschoolde leraren in te zetten die hun leerlingen zonder vertraging aan een diploma helpen.

Doel: Nederland terug in de top-vijf van de internationale onderwijsranglijst die onderzoeksinstituut pisa jaarlijks publiceert. Weg met de zesjescultuur! De staatssecretaris droomt hardop over toptalentcertificaten en een systeem van beurzen, zoals dat in de Verenigde Staten al veel langer bestaat, waarbij leerlingen een financiële beloning krijgen voor goede cijfers.

‘Kinderen nog meer feiten en andere onbenulligheden te laten leren heeft niets met beter onderwijs van doen’

‘Zo werkt dat natuurlijk niet’, reageert Alfie Kohn. ‘Er is geen betere manier om kinderen de creativiteit en de interesse in leren te ontnemen dan hen ertoe aan te zetten om harder te werken voor hogere cijfers. Kinderen raken minder geïnteresseerd in de lesstof als ze bezig zijn met het behalen van een beloning of een goed cijfer. Zij kiezen bijvoorbeeld makkelijkere boeken en opdrachten, omdat die immers een grotere kans op een hoog cijfer geven. Beleid dat erop gericht is toetsresultaten en cognitieve vaardigheden te verbeteren, bereikt precies het tegenovergestelde van wat het beoogt.’

De plannen van Dekker zorgen niet voor een route naar excellentie, maar creëren nog meer eenheidsworst, stelt Kohn. ‘Als beleidsmakers met “uitdaging” en “hogere standaard” bedoelen dat ze een rijkere, verdiepende, actieve leeromgeving willen creëren, dan hebben ze mijn volledige steun. Goede kans dat ze met die termen echter iets anders bedoelen, namelijk het omhoog krikken van cijfers en gemiddelden door kinderen meer feiten en andere onbenulligheden te laten leren, die ze vervolgens kunnen toetsen. Met hogere cijfers en betere testresultaten kunnen ze zichzelf vervolgens op de borst kloppen, de boel controleren, maar met beter onderwijs heeft het niets van doen.’

Kohn ziet meer heil in onderwijs dat gericht is op ‘leren denken’, waarbij kinderen actief betrokken zijn bij hun eigen leerproces, leren kritisch informatie te beoordelen en samen oefenen met het stellen van de juiste vragen. ‘De langetermijndoelen die we voor onze kinderen hebben, stroken niet met de kortetermijnbehoefte om meetbare resultaten te boeken. We willen life-long learners, kinderen die hun leven lang plezier houden in leren. Dat ze niet alleen rijtjes uit hun hoofd leren, maar er lol in hebben om met woorden, cijfers en ideeën te spelen. We willen dat onze kinderen zich als kritische denkers ontwikkelen, dat ze creatief en innovatief zijn. Goed kunnen samenwerken en problemen kunnen oplossen. We willen ook dat ze goede mensen zijn, dat ze om anderen geven, verantwoordelijkheid nemen en gelukkig zijn.’

Gestandaardiseerde testen, zoals de cito-toets, en ook eindexamens op de middelbare school, meten volgens Kohn niets wat het weten waard is: ‘Hoe meer ervaring een leerling heeft met het maken van testen, hoe beter de resultaten. Een kwestie van training, dat heeft niets met excelleren te maken. Goede docenten wéten dat. Zij weten dat je een kind moet observeren in de klas, met hem of haar moet samenwerken, informatie over een langere periode moet gebruiken om te weten wat een kind kan en nodig heeft om verder te komen. Zij zouden nooit ergens een streep zetten en zeggen: “Zo, nu gaan we eens kijken wat je wel en niet weet” en er dan meerkeuzevragen op loslaten om te zien hoeveel nutteloze feiten er in het kortetermijngeheugen gepropt zijn.’

Dit zogeheten teaching to the test heeft nog een ander effect: leerlingen van docenten die alleen op de output (goede score) gericht zijn, presteren paradoxaal genoeg sléchter op die test dan de klas van een leerkracht die deze opdracht niet heeft. Geschiedenisdocent Jelmer Evers ziet het verlammende effect van het vele testen in de praktijk: ‘Ik ben niet per se tegen toetsen, maar wel tegen hoe ze ingezet worden. Niet als hulpmiddel, maar als doel op zichzelf. Er was een jongen die nét niet hoog genoeg scoorde om naar de havo te gaan. Je zag zijn wereld instorten. Die toets bepaalt zijn verdere leven, hij vereenzelvigt zich met dat getal, alsof het écht iets zegt over hem als persoon. Dat mag je kinderen gewoon niet aandoen.’

Evers schreef samen met mededocent René Kneyber het boek Het alternatief: Weg met de afrekencultuur in het onderwijs! ‘De papieren werkelijkheid van inspectierapporten en toetsresultaten heeft de kwaliteit onder het onderwijs weggeslagen’, vindt hij. ‘Er is geen ruimte voor experimenteren, voor onderwijs op maat of voor afwijken van “het programma”, iedereen moet hetzelfde doen.’ Hij ontwikkelde in zijn klas het concept flipping the classroom. Zijn leerlingen mogen zelf bepalen wanneer ze een les volgen: thuis via een vooraf opgenomen video, of live in de klas. Evers: ‘Dat leerlingen in een klaslokaal zitten en naar een uitleg luisteren, is niet synoniem met dat er geleerd wordt. Misschien gaat de informatie wel het ene oor in en het andere oor uit. Is een leerling ’s ochtends niet het meest geconcentreerd, dan kan hij het college aan het eind van de middag bekijken. En je komt er tijdens de wekelijkse klassikale les, als leerlingen met opdrachten bezig zijn, snel genoeg achter of ze de stof beheersen.’

‘Ik ben op scholen geweest met torenhoge testresultaten, maar waar ik mijn hond nog niet naartoe zou sturen’

Kohn haalt in zijn boeken honderden onderzoeken aan die laten zien dat beloningen, hoge cijfers, certificaten en excellente klasjes het zelfvertrouwen en de motivatie van kinderen juist verlagen. Een kind dat van een ander te horen krijgt of het iets goed of fout doet, vertrouwt steeds vaker op het oordeel van anderen. Kinderen afrekenen op resultaat en output werkt faalangst in de hand. In plaats van dat een kind zelf denkt ‘ik ben zeer tevreden over wat ik heb gedaan’, aarzelt het en kijkt naar zijn ouder of leerkracht voor goedkeuring. Dit principe geldt net zo goed voor de onderwijzers zelf: hoe meer van bovenaf opgelegde controle en eisen, hoe minder zij hun werk geïnspireerd en gemotiveerd kunnen doen.

Het voornemen van staatssecretaris Dekker om met beurzen talentvolle leerlingen ertoe te verleiden beter hun best te doen, lijkt volgens de vele onderzoeken die Kohn heeft bestudeerd juist averechts te zullen werken. ‘Er zijn slechts twee dingen verkeerd aan’, zegt Kohn over de plannen van Dekker: ‘Het is verderfelijk en moreel abject. Het is verderfelijk omdat veertig jaar onderzoek naar intrinsieke motivatie hier voor het gemak genegeerd wordt. Financiële prikkels lossen het probleem helemaal niet op; ze maken het alleen maar groter. Of het nu om een beurs, een goed cijfer of een certificaat gaat, leerlingen zullen hierdoor minder enthousiast worden over het leren zelf. En het is moreel abject omdat je schaarse middelen spendeert aan de best presterende kinderen – en dat hoeven dus niet de meest getalenteerde leerlingen te zijn – en niet aan leerlingen die het het hardst nodig hebben.’ Helemaal gevaarlijk vindt Kohn het Nederlandse voornemen om kinderen met een taalachterstand eerder met het onderwijs te laten beginnen. ‘We weten dat als we kinderen te vroeg confronteren met zaken die niet bij hun leeftijd passen we ze psychologisch ernstige schade kunnen berokkenen. Dat is al erg genoeg als je dit op normaal begaafde leerlingen toepast, maar het heeft sinistere implicaties als je dit vooral op kinderen loslaat die in een achterstandsituatie zitten.’

Competitie verziekt sociale verhoudingen en ondermijnt het empathisch vermogen van kinderen, schrijft Kohn in zijn boek No Contest (1992). ‘Kinderen leren empathie door zelf sensitief behandeld te worden, niet door tegen elkaar uitgespeeld te worden.’ De Nederlandse onderwijsplannen vindt hij daarom ook zo slecht: ‘Het is verwerpelijk om kinderen in te prenten dat hun succes een spiegeling is van het falen van een ander, door bijvoorbeeld de groep op te delen in niveaugroepen en die verhullend “maantjes”, “sterren” en “zonnen” te noemen. Alsof leerlingen niet haarfijn aanvoelen dat ze op slimheid ingedeeld zijn. Kinderen worden betere studenten in een klas die een sociale gemeenschap vormt en een sterke groepscultuur heeft in plaats van een plek waar ieder voor zich over zijn schrift gebogen zit, angstig dat een ander beter presteert dan hij.’

De ouders van Puck kozen de basisschool voor hun zoon mede op basis van de gemiddelde (en in dit geval torenhoge) cito-score. Net als de meeste ouders menen zij dat dit iets zegt over de kwaliteit van de school. Ze fietsen er met liefde een kwartier voor om, in plaats van naar het schooltje om de hoek te gaan. Terwijl die school hun misschien meer te bieden heeft, bijvoorbeeld omdat de schoolcultuur beter aansluit bij de behoeften van hun kind. Dat ouders naar de score van een school kijken is niet zo gek: hoe moet je als ouder anders de kwaliteit van een school inschatten?

Kohn adviseert ouders om vooral te gaan kijken binnen de school en zich niet blind te staren op cijfers: ‘Ga kijken wat er in de klassen gebeurt. Hoe kinderen in groepjes enthousiast met elkaar praten over onderwerpen die ertoe doen. Kijk of er zelfgemaakte kunst aan de muur hangt in plaats van posters met huisregels. Ik ben op scholen geweest met torenhoge testresultaten, maar waar ik mijn hond nog niet naartoe zou sturen. Omdat ze autoritair en rechtlijnig zijn en geen enkel inzicht hebben in wat kinderen echt nodig hebben, als mens en als student.

Als onderwijzers daadwerkelijk geïnteresseerd zijn in het stimuleren van talent zullen ze kinderen actief moeten betrekken bij het leerproces, invloed geven op wat ze leren, hoe ze het leren en met wie. Laat ze meepraten over welk boek ze gaan lezen, geef ze zeggenschap over hoe het meubilair in de klas staat, welke posters er aan de muur hangen, welk thema het volgende project krijgt en waar het schoolreisje naartoe gaat. Een rijke klas is een klas waar leerlingen samen zoeken naar oplossingen voor complexe problemen en waar de leerkracht gericht is op het bevorderen van samenwerking en sociale cohesie. Als je dan iets meetbaars wilt, laat leerlingen dan een Engels menu voor een fictief restaurant maken tijdens de taalles, een video over architectuur bij wiskunde of van een gedicht een script maken voor een tv-serie. Dat is stoeien met creativiteit.’


Alfie Kohn spreekt op 14 november in De Rode Hoed in Amsterdam over onderwijs en opvoeding. Kaarten hier.