Op weg naar het einde, Jared Diamond

Op weg naar het einde

DE MENS IS NIET LOUTER GERICHT

OP OVERLEVING VAN DE EIGEN SOORT

Jared Diamond

De ondergang: Waarom zijn sommige be schavingen verdwenen en hoe kan de onze haar ondergang voorkomen?

Vertaald door Conny Sykora

Het Spectrum, 684 blz., e 35,75

Catherine André en Jean-Philippe Plat teau

Land Relations under Unbearable Stress: Rwanda Caught in the Malthusian Trap

In: Journal of Economic Behavior and Orga nization nr. 34: blz 1-47 (1998)

Jean Hatzfeld

Het seizoen van de machetes

De Bezige Bij, 302 blz., e 19,90

«Ik heb me vaak afgevraagd wat de Paas eilander die de laatste palmboom op het eiland omhakte, zei terwijl hij die daad verrichtte.» De economische, sociale en culturele ondergang van de menselijke gemeenschap op Paas eiland is voor de geograaf en evolutionair-bioloog Jared Diamond voorbeeld bij uitstek van het lot dat de gehele mensheid boven het hoofd hangt. Een «metafoor» noemt hij de ondergangsgeschiedenis van het eiland. En dat is het eigenlijk voor de hele portee van zijn boek Collapse. Diamond: «De parallellen tussen Paaseiland en de hele moderne wereld zijn angstaanjagend duidelijk. Dankzij globalisering, internationale handel, jumbojets en internet delen alle landen op aarde dezelfde hulpbronnen, net als destijds het dozijn clans op Paaseiland. Het eiland was ver in de Stille Oceaan net zo geïsoleerd als de aarde tegenwoordig in de ruimte.»

De hoogleraar geografie aan de Universiteit van Californië presenteert een overweldigende hoeveelheid onderzoek van collegae dat ieder vooruitgangsgeloof definitief de nek om draait. Eenmaal zeshonderd bladzijden verder denk je niet meer aan de eilandbewoner die zijn eigen ondergang inluidde met een hakmes of de Indiaan die zijn laatste paard opat, maar fantaseer je over schorpioenen of in vodden geklede mensen die dolen door lege en geroeste karkassen van wat ooit wolkenkrabbers waren. Naar Paaseiland is veel onderzoek verricht en inmiddels is inderdaad duidelijk dat de Polynesiërs die het kleine eiland rond 900 na Christus koloniseerden hun eigen bloeiende beschaving om zeep hebben geholpen. Al toen de Nederlander Roggeveen op 5 april 1722 op de eerste paasdag van dat jaar het eiland aandeed, maakte het een deso late indruk. Er stond geen boom overeind. Maar gek genoeg wel enkele gi gantische beeldhouwwerken, de zogenoemde moai. Roggeveen, de eerste westerse bezoeker, werd vriendelijk verwelkomd door een paar duizend in woners. Net als iedere reiziger na hem verbaasde hij zich over de joekels van beelden. Hij vroeg zich af hoe het armoedig levende troepje ongeregeld die prachtige kunstwerken ooit had kunnen oprichten zonder zware houten mechanieken en sterke touwen, ge maakt van dikke bomen. In zijn dagboek opperde Roggeveen dat het eiland ooit de bakermat was van een hogere en vooral rijkere vorm van beschaving. Inmiddels hebben archeologen, genetici en paleontologen aangetoond dat Roggeveen gelijk had. De voorouders van de vriendelijke «barbaren» die Roggeveen op het eiland aantrof hadden een paar eeuwen eerder een bloeiende beschaving ontwikkeld die op het hoogtepunt waarschijnlijk zo’n dertigduizend weldoorvoede zielen telde. Ooit waren ze in stevige boten uit het westen aangekomen, na honderden kilometers te hebben overbrugd tegen de dominante windrichting in, bepakt en bezakt als goedvoorbereide kolonisten, met huisraad, varkens, bananen en andere gewassen aan boord. En toch ging het mis. De eilandbewoners die Roggeveen tegemoet waren gevaren, zaten in gevlochten bootjes die alleen met onophoudelijk hozen een paar uur boven water bleven.

Het gaat Diamond er in zijn boek om de lezer van de onjuistheid te doordringen van het argument ontleend aan de evolutietheorie dat de mens zo sterk is gericht op de overleving van de eigen soort dat hij ook voor naderende ecologische rampen wel weer een oplossing bedenkt. Zo slim is de mens helemaal niet. Diamond haalt prachtige voorbeelden uit heden en verleden waarin de natuurlijke leefomgeving niet wordt benut. Sterker, waaruit blijkt dat de mens heel wel in staat is de enorme kansen die de natuur hem biedt, gewoonweg te negeren. Hij snelt met open ogen naar de afgrond, denkt niet aan oplossingen of reddingsboeien, maar is geobsedeerd door zijn prestige, geloof, handel, ras en moraal. En debatteert met zijn medeslachtoffers over abortus, een eerlijke inkomensverdeling, de omgang met immigranten, een referendum dat een voorzichtige vorm van internationale politieke integratie vastlegt, enzovoorts. Wat, vraag je je inderdaad af, zou de Paaseilander hebben gezegd toen die de laatste boom op zijn eiland omhakte?

De geograaf en evolutiebioloog vindt zijn sterkste troef niet op Paaseiland maar in Groenland. Hoewel de naam van het land de karakteristieken van de daar overheersende natuur groot onrecht aandoet, zijn er in Groenland toch nog twee kleine groene landstroken te vinden, zo’n vierhonderd kilometer van elkaar verwijderd. Rond het jaar 1000 werden die gekoloniseerd door Vikingen uit Noorwegen, die daar toen dichte bossen vonden en ogenschijnlijk sappige weiden. Ze startten er een Europees, middeleeuws leven. Ze hielden schapen, geiten en koeien. Jaagden op zeehonden en rendieren. Schreven in kerk-Latijn en Oud-Noors. Bouwden kerken, kleden zich naar de laatste Europese mode en dreven handel met het vasteland. In de hoogtijdagen van de twee kolonies leefden er ongeveer vierduizend mensen. Op zondag hoorden ze de kerkklokken van een zelfgebouwde, gigantische kathedraal, waarvan de resten nu nog altijd zijn te zien. Toch stierven ze uit, vierhonderdvijftig jaar later.

Wat gebeurde er? In al zijn voorbeelden verklaart Diamond zijn ongeduld met één-factorverklaringen, met daarin een aardbeving of een plotselinge klimaatverandering. Ook op Groenland leidde volgens hem een combinatie van factoren tot de ondergang. Ja, erkent hij, in de veertiende eeuw werd het kouder op Groenland, waardoor de natuurlijke omgeving nog weerbarstiger werd. Het gras groeide te langzaam om iedere winter als hooi voor de koeien te dienen. En de Vikingen stookten hun bomen op, waardoor de toplaag van de grond simpelweg de zee in woei. Geiten en koeien deden de rest. Maar toch deugt de these niet dat het simpelweg te koud werd, want ook met de toenemende kou hadden de kolonisten wel degelijk kunnen overleven, zoals de Denen die in de achttiende eeuw kwamen. En de Inuit, die tegelijk met de kolonisten op Groenland leefden. Diamond toont overtuigend aan dat het vooral de culturele onderscheidings- en overlevingsdrift van de kolonisten was die ze noodlottig werd. De culturele overlevingsstrategie stond hun biologische overleving in de weg. Hun eurocentrisme stimuleerde inefficiënte activiteiten, zoals in de zomer de jacht op giervalken en walrussen. Omdat de moslims de middellandse zee en dus de handel in olifantentanden beheersten, waren de walrustanden het enige ivoor in Europa. Goud dus, waarmee de Noorse kolonisten kerkklokken, kandelaren, glas-in-lood-ramen, gouden ringen, communiewijn, zijde en zilver kochten: ingrediënten voor de culturele overleving. Ook betaalden ze er hun belasting aan Rome mee, onder andere voor de kruistochten. In dezelfde tijd hadden ze kunnen zoeken naar hout op naburige eilanden, ruim voorradig, of mee kunnen helpen hoger gelegen gras te vinden voor hun koeien. Vooral in die beesten toont zich de koppigheid der Vikingen op Groenland. Hoewel al snel duidelijk werd dat koeien te veel natuurlijke hulpbronnen verbruikten voor het moeizame klimaat en ze door kou en het soms gedwongen eten van zeewier slonken tot de kleinste maat koe die Europa ooit heeft gekend, bleef het dier toch prominent aanwezig. Want koeien hadden status. Anders dan zeehonden, en zeker anders dan vis.

Vissen waren taboe. En dat is het meest opmerkelijke aan de ondergang van de Vikingen op Groenland. Minder dan 0,1 procent van de botten die archeologen terugvonden in het etens afval, zijn afkomstig van vissen. Al in de eerste maanden na hun aankomst ontwikkelden de Vikingen een vistaboe. Knap stom, want dat was hun redding geweest. Inmiddels is bekend: je hoefde je hand maar in de rivieren van deze twee fjorden te stoppen of je had al een vis te pakken. Beide groene stroken zijn een walhalla voor iedere visser. Kabeljauw is nu zelfs het grootste exportproduct van Groenland. Maar vis at je niet. Die overtuiging was een belangrijk onderdeel van de culturele identiteit van de kolonisten. Het onderscheidde hen van de niet-christelijke «barbaren» in hun omgeving, de eskimo’s.

De Vikingen zijn uitgestorven in een koude winter. Uit messteken in de botten van hun huisdieren blijkt dat ook die op het laatst in de kookpot zijn gemikt, net als pasgeboren kalveren, wat betekent dat de Groenlanders in de laatste weken niet meer in de toekomst geloofden. Maar vis aten ze niet. Tot op het laatst bleven de kolonisten «be schaafd», hielden ze vast aan hun culturele overtuigingen, en kwam het vreten niet voor de moraal.

Het verhaal van de verloren koloniën op Groenland compliceert de heldere boodschap van hedendaagse cultuur absolutisten die menen dat de eigen normen en waarden klakkeloos kunnen – en vooral moeten – worden geëxporteerd naar de rest van de wereld. Want juist de eigen normen zaten de immigranten in Groenland dwars. Geen vis eten in Groenland was aanzienlijk stommer dan de weigering van hindoes om koeien te slachten in India. In andere woorden: vooral het racisme van de kolonisten is hun ondergang geweest. Want hoe onhandig was het om de eskimo-cultuur op Groenland te verketteren. Hoewel de twee koloniën uitstierven, leefden de eskimo’s ge woon door, zonder schepen, gevarieerd voedsel, handige werktuigen en handelscontacten met Europa, tot op de dag van vandaag. Juist de leden van die andere cultuur, door de Noren op Groenland «stakkers» en «schurken» genoemd, hadden de weg naar overleving kunnen wijzen. Ze hadden de kolonisten kunnen leren walvissen te jagen, zeehondenvet als brandstof te gebruiken, en kunnen demonstreren hoeveel eenvoudiger het is vissen te vangen dan een grote veestapel te onderhouden.

Diamond is een keurige wetenschapper, die de mogelijkheden die hij voor zichzelf creëert om eens flink om zich heen te meppen, aan anderen laat. Hij blijft voorzichtig, wordt nooit een biologisch determinist, maar probeert natuur meer betekenis te geven dan in de media, maar vooral onder sociale wetenschappers die de natuur doorgaans slechts een economische, politieke of culturele duiding geven, gebruikelijk is.

Een werkelijke eye-opener voor Diamond was daarom het onderzoek dat twee Belgische economen verrichtten in het Noord-Westen van Rwanda, in Kanama, een regio waar, toevallig, louter Hutu’s wonen. In 1988 en 1993, nog voor de genocide, voerde de Belg André honderden gesprekken en zag hij hoe het gemiddelde gezin groeide van 4,9 leden in ’88 tot 5,3 in ’93; hoe de stukjes land kleiner werden per familie, van 0,89 acre naar 0,72 in dezelfde vijf jaar tijd. Tegelijk groeide het aantal inwoners per vierkante mijl, van 1740 naar 2040, wat zelfs hoger is dan in Bangladesh, de meest dichtbevolkte agrarische samenleving ter wereld. Als de cijfers met elkaar worden gecombineerd blijkt dat iedere persoon in dit deel van Rwanda in 1988 moest leven van een negende hectare, terwijl dat in 1993 nog maar een veertiende was. Het bleek onmogelijk voor de meeste mensen in Kanama om zichzelf in leven te houden van zo weinig land. In ’88 leed negen procent acute honger. In ’93 was dat veertig procent.

Diamond herinnert eraan dat de rest van het land onder dezelfde problemen gebukt ging. Door de regelmatiger regenval en omdat het land te hoog ligt voor de malariavlieg, was Rwanda al eeuwen dichtbevolkt. Vanwege primitieve landbouwtechnieken blijft er nauwelijks iets van de oogst over om te verhandelen, laat staan dat er sprake is van export. Door ontbossing en uitputting van de grond is de gronderosie enorm. Boeren leggen niet eens terrassen aan – een eeuwenoude techniek in de rest van de wereld – waardoor de gewassen soms in niet meer dan één flinke regenbui zijn weggespoeld of in een enkele storm naar het land van de buren zijn gewaaid. Maar anders dan de landbouwtechnieken is sinds de komst van de blanken de gezondheidszorg wel verbeterd, waar door de kindersterfte onder meer is gedaald. De hoeveelheid voedsel per hoofd van de bevolking daalde in het begin van de jaren negentig tot het niveau van voor de massamoorden in de jaren zestig en zeventig, die verschrikkelijk waren, maar in het niets vielen bij de bijna miljoen slachtoffers van 1994 .

Diamonds fascinatie voor het onderzoek van André en Platteau is begrijpelijk. Achter kwantitatieve gegevens en wetenschappelijke taal schuilt in hun artikel een heldere en angstaanjagende analyse: omdat Rwanda niet in staat bleek efficiënt om te gaan met de beschikbare hulpbronnen en de bevolking niet geschoold was voor ander dan agrarisch werk (waarbij ook de afstand tot de zee, en dus een haven, een belangrijke rol speelt), leek het een «logische oplossing» in de beginjaren negentig om mensen «te ruimen». Tutsi’s, destijds zo’n vijftien procent van de bevolking, leenden zich daar goed voor. Door hun paspoorten en soms (maar lang niet altijd) aan hun uiterlijk waren ze eenvoudig van de rest van de bevolking te onderscheiden.

Dit is niet het officiële verhaal. Die luidt dat de genocide is georchestreerd door een politieke elite die het staatsapparaat gebruikte om de eigen macht te redden, door in een ingewikkeld machtsspel tussen oppositie, rebellenleger en eigen achterban via de media (de beruchte radio-dj’s) het racisme en de al sluimerende etnische spanningen aan te jagen. De Belgen zoeken een antwoord in economische en culturele omstandigheden die een direct uitvloeisel zijn van de wijze waarop de Rwandesen met hun natuurlijke hulpbronnen omspringen. Ze constateren bijvoorbeeld dat de gewelds- en misdaadcijfers al spectaculair waren gestegen in de maanden voor de genocide. (De schuldigen waren bijna altijd hongerige, landloze jongeren.)

Als klap op de vuurpeil komen ze met de constatering dat ook in Katama uit gebreid is gemoord. Terwijl er in de hele provincie maar één Tutsi leefde, werd toch zo’n zes procent van de bevolking er vermoord. Hutu’s vermoord door andere Hutu’s. In andere woorden: in Rwanda werd er geruimd, of uitgedund, ook als er geen «kakkerlak» in de buurt was. De onderzoekers: «De gebeurtenissen van 1994 boden een unieke mogelijkheid om rekeningen te vereffenen, of om landeigendom te herverdelen, zelfs onder Hutu-dorpsgenoten.» En: «Het is niet vreemd, zelfs nu nog, om onder Rwandesen de opvatting te horen dat een oorlog nodig is om van een bevolkingsoverschot af te komen, om de aantallen in overeenstemming te brengen met de beschikbare hulpbronnen van het land.»

Ook de interviews die de in Madagaskar geboren Franse journalist Jean Hatzfeld met Hutu-moordenaars hield, lijken de Belgen gelijk te geven. Diamond noemt ze niet, waarschijnlijk omdat het hier geen wetenschappelijk onderzoek betreft. Toch hadden enkele van de interviews in zijn boek niet misstaan, aangezien de moordenaars Hatzfeld bij voortduring vertelden over de gelukzaligheid en tevredenheid die gepaard ging met het moorden, omdat hiermee het vooruitzicht van overvloed werd gecreëerd. Aldus een van de moordenaars: «We maakten ons zelfs geen zorgen meer over het verspillen van Alkaline-batterijen. We zetten alle radio’s gewoon tegelijk aan.» Want, zoals ene Alphans aan Hatzfeld vertelde: «We zongen op de paden en dronken liters bier; we beschikten over keuzemogelijkheden te midden van overvloed. We babbelden over ons goede geluk, we wasten de bloedvlekken uit onze kleren in het bassin, en we genoten van de geur van volle kookpotten (…). Over de stukken land werd gediscussieerd met de organisatoren (van de moordpartijen – pvo). Als districtshoofd kreeg ik een gigantisch en vruchtbaar stuk, dat ik wilde bewerken als alles eenmaal achter de rug was.» Natuurlijk vertelden de moordenaars in het intrigerende, maar vooral gruwelijke boek ook over andere «aspecten» van het moorden; waarom machetes beter werkten dan stokken en knuppels, dat het leven naast het moorden zijn gewone gangetje ging, over de eenvoud waarmee een baby wordt vermoordt, hoe er grappen werden gemaakt over de angst van de Tutsi’s. Maar het meest valt een steeds terugkerend thema op: het vreugdevolle vooruitzicht van een groter stuk land, en later de teleurstelling en het zelfverwijt dat het niet is gelukt. Dat niet alle Tutsi’s zijn vermoord. En dat zij, moordenaars, nu in de gevangenis zitten en anderen het land bewerken dat zij voor zichzelf hadden bedacht.

Diamond benadrukt: de alternatieve verklaring van de Belgen ontslaat de moordenaars niet van hun verantwoordelijkheid, net zomin als het ze een excuus verschaft. Een malthusiaans drama, het verdwijnen van beschikbare hulpbronnen onder druk van een snel groeiende bevolking, leidt niet altijd tot genocide. De oorzaken van genocide moeten echter niet alleen in de politieke maar ook in de natuurlijke omstandigheden worden gezocht.

Dat betekent niet dat de natuur schuldig is. Dat zijn wij, mensen. Zo was het een amalgaam van menselijke beslissingen in de omgang met de natuur van Rwanda (zoals de weigering de landbouwtechnieken te moderniseren of aan familieplanning te doen) die de springstof vormden van een licht ontvlambaar kruitvat. En natuurlijk, politici hebben de lont aangestoken, in innige samenwerking met de landelijke media. De lucifers waren gesmeed in angst voor de Tutsi-rebellen uit Oeganda, in een geschiedenis van Tutsi-overheersing, door slachtingen van Hutu’s in buurland Burundi, en wellicht zelfs door het dalen van de koffieprijs en de door de wereldbank opgelegde bezuinigingsprogramma’s. Toch kan het geen kwaad om in verband met de genocide ook eens naar erosie te kijken, naar demografie en de omgang met de ooit vruchtbare grond.

Dat is een donker verhaal met veel parallellen in heden en verleden. Gelukkig heeft Jared Diamond de gave om het onderhoudend en soms zelfs spannend te vertellen. Dat bleek al in zijn vorige boek, de besteller Guns, Germs and Steel. Daar zijn wereldwijd meer dan een miljoen exemplaren van verkocht. En wellicht zullen ook voor de verspreiding van dit boek vele bomen worden geveld. Een offer waar toekomstige generaties misschien trots op zullen terugkijken. Want in zijn laatste hoofdstuk geeft Diamond de mensheid goede raad die de naderende ondergang kan keren. Moeten er bomen worden vernietigd om de soort te redden? Een vraag waar Diamond zich wel raad mee weet.