Literatuur: Sterven in fictie

Op weg naar het einde

Een hoofdpersoon in de literatuur is iemand met wie de lezer meeleeft. Vooral op het moment dat de held de dood ziet naderen. Billy Prior bijvoorbeeld. Of Dolgoesjov.

Ik heb me nog steeds niet over de dood van Billy Prior heen kunnen zetten. Niet omdat het zo zielig was, maar omdat ik zijn dood niet zag aankomen.

Je hoort als criticus en schrijver wel wat gewend te zijn. Hoofdpersonen gaan dood. Het is een van de beslissende verschillen tussen literatuur en kinderboeken. De lezer heeft geen recht op een happy ending. Genoeg schrijvers worden er zelfs op aangesproken als ze te mild zijn voor hun personages – het is een stokpaardje van critici: we willen de personages afgebroken zien worden. Ze moeten lijden namens ons. Ze beginnen heel en eindigen in stukjes.

Geen letterkundige term is zo bedrieglijk als Bildungsroman – omdat er vaak eerder iets afgebroken wordt (een ideaal, een liefde) dan opgebouwd.

Billy Prior is de hoofdpersoon – of een van de hoofdpersonen – van de Regeneration-_trilogie waarmee de Engelse schrijfster Pat Barker halverwege de jaren negentig de Booker Prize won. In het eerste deel, _Regeneration, is Prior op verlof gestuurd van het loopgravenfront. Prior is een vat vol tegenstrijdigheden: arbeidersklasse maar toch een officier, hetero- en homo­seksueel, bevriend met radicale pacifisten maar zelf soldaat, gezond maar toch ziek, en boven op dit alles is hij na drie jaar aan het front volledig shell shocked, hij heeft wat we tegenwoordig ptss noemen, posttraumatisch stresssyndroom. Hij moet bijkomen in een Schotse inrichting waar toevallig ook de fine fleur van de Engelse jonge dichters rondloopt – Siegfried Sassoon, Wilfred Owen, Richard Graves – en de behandelend psychiater William Rivers staat voor het dilemma wanneer hij iemand genezen kan verklaren, want genezen betekent terugsturen naar het front. Betekent weer nieuw trauma, betekent een mogelijke dood.

Het is die dood die een nieuwe wereld openbaart, beseft Rivers: het hele sociale framework van de maatschappij stort in elkaar, alle morele codes die mensen een onuitgesproken gedragscode oplegden. De directe nabijheid van de dood, voor zovelen, voelt Rivers ineens als de meest ‘amazing freedom… we weren’t the measure of all things… there was no measure’.

In het volgende deel, The Eye in the Door, is het alweer 1918, de oorlog zit er bijna op. Prior leeft in die ‘amazing freedom’ – tussen zijn activiteiten voor de inlichtingendienst door maakt hij tijd voor allerhande promiscue activiteiten, met mannen en vrouwen. Hij pendelt tussen Londen en het front en leeft zonder measure, zonder morele maatstaf, want als het leven elk moment afgelopen kan zijn, wie heeft dan het recht jou te zeggen hoe je moet leven? Natuurlijk kost die vrijheid iets. Zijn geestestoestand wordt er niet beter op, maar hij overleeft.

In het derde deel, The Ghost Road, is de wapenstilstand bijna daar. Je leest het boek; het Franse landschap is dood, zwartgeblakerd, kapotgebombardeerd, maar Prior leeft nog steeds. Zijn gedachten worden helderder. Bijna heb je het boek uit, bijna is de oorlog voorbij, nog één charge vanuit de loopgraven over het niemandsland, en dan flikt Pat Barker het toch. Hoe geconditioneerd je als professioneel lezer ook mag zijn – je hebt zoveel tijd in Prior gestopt, je hebt hem zoveel zien meemaken. In alles lijkt hij de moderne mens voor de nieuwe naoorlogse maatschappij. Hij wordt geraakt door iets wat niet eens aanvoelt als een kogel, maar ‘iets groots en zwaars’, als een cricketbat. Hij wil opstaan, maar hij kan niet opstaan. Pat Barker schrijft het in twee alinea’s op, heel terloops, bijna achteloos:

‘There was no more pain, more a spreading numbness, that left his brain clear. He saw Kirk die. He saw Owen die, his body lifted off the ground by bullets, describing the slow arc in the air as it fell. It seemed to take forever to fall, and Prior’s consciousness fluttered down with it. He gazed at his reflection in the water, which broke and reformed and broke again as bullets hit the surface and then, gradually, as the numbness spread, he ceased to see.’

Geen grote gebaren. Het is vreselijk. Prior, Kirk, Owen – personages die je soms honderden bladzijden hebt meegemaakt, in drie zinnen gedoofd. Wilfred Owen, waarschijnlijk de bekendste dichter die stierf in de Eerste Wereldoorlog, wordt uitgevlakt in een opsomming. Geen moment om stil te staan bij zijn dood. De oorlog wacht op niemand. Barker dwingt de lezer door te gaan, dóór.

een dood die ik nooit zal vergeten is die van telefonist Dolgoesjov, in Isaak Babels De rode ruiterij.

Het regiment van Babels literaire stand-in trekt zich terug, ‘de sluiers van de slag trokken richting stad’, de verbindingen zijn verbroken, de Polen rukken op, worden weer teruggestoten, leggen een hinderlaag. Babel ziet langs de weg een man zitten die hij kent, een telefonist:

‘“Je zal een patroon aan me moeten verspillen”, zei Dolgoesjov streng. Hij zat tegen een boom geleund. Zijn laarzen staken verschillende kanten uit. Zonder zijn blik van me af te wenden, tilde hij zijn hemd op. Zijn buik was opengereten, zijn darmen kropen over zijn knieën en je zag zijn hart kloppen.’

De unieke kracht van Babels grote ­voorganger Tsjechov was dat je nooit weet, wanneer je zijn verhalen leest, aan welke kant hij staat. Als je een cynische lezer bent denk je misschien dat hij zijn goedburgerlijke personages bespot; ben je een humanistische lezer, dan denk je dat hij hun kleine driften en melancholieën begrijpt, en absoluut niet veroordeelt. Bij Babel heb je hetzelfde wanneer je De rode ruiterij leest (dat in z’n geheel is opgenomen in de verzamel­de ­verhalen, sinds deze maand eindelijk weer in een nieuwe Nederlandse vertaling ­verkrijgbaar): zijn soldaten zijn schurken, boeven, ze vloeken en moorden. Maar ze gaan hun dood zo dapper tegemoet, zonder weg te kijken. Dolgoesjov vraagt om afgemaakt te worden; Babel kan het niet aan. Dolgoesjov scheldt hem uit. Iemand anders knapt het werk uiteindelijk op.

Daarbij vergeleken is Billy Priors dood een heel contemporaine dood. Pat Barker schreef haar oorlogsverhalen lang nadat de oorlog was afgelopen, toen vrijwel niemand in Europa er nog aan twijfelde dat de Eerste Wereldoorlog een schandalig groot en nodeloos verlies van mensenlevens was geweest. Glorie zou ongepast zijn geweest. Prior sterft niet voor een ideaal, niet voor een vaderland, maar gewoon, als anoniem slachtvee.

Babel schreef deze verhalen vrijwel terwijl ze zich afspeelden: tijdens zijn dienst als verkenner bij de rode cavalerie tijdens de Russisch-Poolse oorlog. Het zijn geen idealistische verhalen, Dolgoesjov co sterven niet voor een ideaal, of voor het vaderland (dit zou uiteindelijk Babel duur komen te staan; tijdens Stalins Grote Zuivering werd hij voor onduidelijk ‘landverraad’ opgepakt; zijn verhalen waren niet pro-sovjet genoeg; in 1940 eindigde Babel treurig voor een vuurpeloton). Maar ze sterven niet anoniem. Ze sterven boos, vechtend en vloekend, ze sterven als mannen.

Net als Barker gebruikte ook Babel echte personen in zijn fictie – als politiek verslaggever schreef hij een artikel over de dood van cavalerie­commandant Troenov onder de kop ‘Wat ons land nodig heeft is meer mannen als Troenov’, terwijl diezelfde Troenov opduikt in het verhaal Eskadronscommandant Troenov. Het ene is propaganda, het andere literatuur, in al zijn ­dubbelzinnigheden. Ook Troenov sterft, wat al duidelijk wordt in de eerste zin: ‘Op het middaguur brachten we het met kogels doorzeefde lichaam van Troenov, onze eskadronscommandant, naar Sokal.’ Daarna vertelt Babel hoe Troenov het vuur opende op een groepje ­ongewapende Poolse krijgsgevangenen. Maar een bladzijde later vliegen vier gevechts­vliegtuigen over en moet de ruiterij zich terugtrekken. Maar niet Troenov; hij pakt een mitrailleur en gaat op een open plek staan, een paar maal scheren de ­vliegtuigen over terwijl Troenov het vuur op ze opent, voordat ze hem te pakken krijgen.

Babel zegt niet hoe wreed en lafhartig hij Troenov vond toen hij de ongewapende Polen neerschoot, zoals hij ook niet zegt hoe heroïsch en opofferingsgezind hij hem vond toen hij de vliegtuigen afleidde zodat de ruiterij zich ongeschonden kon terugtrekken. Hij schrijft alleen dat ze wachtten tot de vliegtuigen weg waren en zijn lichaam meenamen de stad Sokol in, en hem daar ‘op een waardige plek’ begroeven, midden in een openbaar park, ‘in een bloembed’.

Er is geen waardering, Troenov krijgt geen kwalificatie van goed of slecht. Maar zijn dood is niet onopgemerkt gebleven. Het had zin.


Pat Barker, The Ghost Road, Penguin, 288 blz., € 10,99. Isaak Babel, Verhalen, Van Oorschot, 568 blz., € 45,-

Op woensdag 12 juni om 17.00 uur houdt emeritus hoogleraar Willem Weststeijn een lezing over de dood in de Russische literatuur in SPUI25. Altvioliste Martina Forni zorgt voor een muzikale opening.